RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 5803342 CV EXPL 17-9232 uitspraak: 22 juni 2018 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser] , wonende te [plaatsnaam], eiser, gemachtigde: mr. M.E. Voorn, werkzaam bij Voorn & Partners Juristen te Breda, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid eerst genaamd KOERS ROTTERDAM B.V. en thans KOERS GROEP B.V., gevestigd te Barendrecht, gedaagde, gemachtigde: mr. A. Thissen, advocaat te Rotterdam. Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Koers”. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen: het exploot van dagvaarding van 6 maart 2017 met producties; de conclusie van antwoord met producties; het tussenvonnis d.d. 21 juni 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast; de zijdens [eiser] bij brief d.d. 27 oktober 2017 overgelegde producties; de zijdens [eiser] bij brief d.d. 30 oktober 2017 overgelegde producties; de brief van Koers d.d. 30 oktober 2017; de zijdens [eiser] bij brief d.d. 1 november 2017 overgelegde producties; de zijdens [eiser] bij brief d.d. 7 november 2017 overgelegde producties; de zijdens Koers bij brief d.d. 10 januari 2018 overgelegde productie; het proces-verbaal van de op 2 november 2017 gehouden comparitie van partijen en van de op 17 januari 2018 gehouden voortzetting daarvan. 1.2 Na de comparitie van partijen d.d. 17 januari 2018 is de zaak enige tijd aangehouden ten einde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te beproeven. Bij brief d.d. 26 maart 2018 heeft Koers bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen. 1.3 De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis nader op heden bepaald. 2De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast. 2.1 Koers drijft een onderneming die actief is op het gebied van vastgoedonderhoud en schadeherstel. 2.2 [eiser], geboren op [geboortedatum] 1958, is op 1 februari 1989 bij Koers in dienst getreden in de functie van Financieel administrateur. Later is [eiser] de functie van Hoofd financiële administratie gaan bekleden. In laatstgenoemde functie was [eiser] onder meer verantwoordelijk voor het aansturen van het team en het uitvoeren van de werkzaamheden op de financiële administratie van Koers. 2.3 Het laatstverdiende salaris van [eiser] bedroeg € 3.267,21 bruto per vier weken exclusief 8% vakantietoeslag. 2.4 Op 18 mei 2011 heeft een Periodiek Arbeidsgezondheidskundig Onderzoek (hierna: PAGO) plaatsgevonden waarbij bij [eiser] een verhoogde bloeddruk en versnelde hartfrequentie is geconstateerd. 2.5 Op 14 februari 2012 heeft [eiser] zich ziek gemeld. 2.6 [eiser] heeft op 5 maart 2012 een bezoek aan de Arboarts gebracht. Naar aanleiding daarvan koppelt de Arboarts aan Koers bij brief d.d. 9 maart 2012 onder meer terug dat [eiser] arbeidsongeschikt is en verwacht wordt dat herstel lang zou kunnen duren. 2.7 Op 26 maart 2012 heeft een vervolggesprek bij de Arboarts plaatsgevonden. In het daarvan door de Arboarts opgemaakte verslag wordt geconcludeerd dat [eiser] met lichamelijke en psychische klachten kampt en is aan Koers onder meer geadviseerd bedrijfspsychologische hulp in te schakelen en een plan van aanpak op te stellen. 2.8 Nadien heeft [eiser] diverse gesprekken gehad bij HSK-Groep voor psychologische begeleiding. 2.9 Vanaf begin oktober 2012 is [eiser] gestart met re-integratiewerkzaamheden. 2.10 Bij brief d.d. 29 november 2012 bericht Koers aan [eiser] dat zij vanwege bedrijfseconomische redenen genoodzaakt is tot het doorvoeren van een reorganisatie waarbij onder meer de functie van [eiser] komt te vervallen. Tevens is daarbij aan [eiser] gemeld dat vanwege zijn arbeidsongeschiktheid een opzegverbod geldt zodat hij nog in dienst zal blijven, alsmede dat nu zijn functie is komen te vervallen re-integratie in zijn eigen functie niet meer mogelijk is en zal worden ingezet op re-integratie in het tweede spoor. 2.11 Op 25 november 2013 is door [eiser] bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Deze uitkering is door het UWV bij besluit d.d. 6 februari 2014 geweigerd vanwege de omstandigheid dat Koers onvoldoende informatie heeft geleverd en op die grond derhalve niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, zodat een loonsanctie is opgelegd van een jaar, eindigend op 10 februari 2015. 2.12 Naar aanleiding van de opgelegde loonsanctie heeft Koers het arbeidsdeskundig bureau Elabo B.V. (hierna: Elabo) ingeschakeld die na gesprekken met Koers en [eiser] een (definitieve) rapportage d.d. 5 juni 2014 heeft opgesteld. 2.13 Bij brief d.d. 18 juni 2014 is door de gemachtigde van Koers aan het UWV, onder overlegging van de rapportage van Elabo, verzocht de opgelegde loonsanctie op te heffen. 2.14 Bij besluit van 30 juni 2014 heeft het UWV de loondoorbetalingsverplichting van Koers verkort tot 4 juli 2014. 2.15 Bij brief d.d. 16 juli 2014 heeft Koers aan [eiser] een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van het dienstverband toegezonden. In reactie daarop heeft [eiser] bij e-mail d.d. 18 juli 2014 kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met de beëindiging van het dienstverband. 2.16 Op 23 juli 2014 is door de gemachtigde van Koers een ontslagvergunning bij het UWV aangevraagd voor [eiser] op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid en de onmogelijkheid om [eiser] binnen de organisatie van Koers te herplaatsen. 2.17 Op verzoek van het UWV is vervolgens door de divisie Sociaal Medische Zaken (SMZ) een deskundigenoordeel d.d. 17 september 2014 opgesteld. 2.18 Op 11 november 2014 heeft het UWV aan Koers toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen. Daartoe is door het UWV in haar besluit voor zover van belang overwogen: “Uw aanvraag is gebaseerd op langdurig arbeidsongeschiktheid. Uit de stukken blijkt dat werknemer met ingang van 14 februari 2012 arbeidsongeschikt is geworden. Uit het deskundigenoordeel van de divisie Sociaal Medische Zaken (hierna te noemen: SMZ) d.d. 17 september 2014 is ons gebleken dat werknemer inmiddels meer dan twee jaar ziek is en dat de medische situatie niet wezenlijk zal gaan veranderen. Hierdoor zijn wij van mening dat u daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer arbeidsongeschikt is voor het eigen werk en binnen 26 weken niet zal herstellen voor het eigen werk. Dat er, zoals in het verweer wordt aangegeven, sprake zou zijn van stelselmatige overbelasting is ons niet dan wel onvoldoende gebleken. Mede gezien dat uit het arbeidsdeskundig oordeel van 9 juni 2014 naar voren is gekomen dat ten aanzien van de kwaliteit van de arbeidsrelatie geen bijzonderheden te benoemen zijn.” 2.19 Koers heeft bij brief van 13 november 2014 de arbeidsovereenkomst met [eiser] per 20 februari 2015 opgezegd. 2.20 Medio juni 2016 heeft Koers aan [eiser] overeenkomstig haar Statuur een vergoeding wegens boventalligheid van € 7.988,- bruto uitbetaald. 3De vordering 3.1 [eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht: a. dat Koers te kort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht, dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] daardoor is ontstaan en dat Koers aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van deze arbeidsongeschiktheid lijdt; b. dat Koers zich niet heeft gedragen zoals een goed werkgever betaamt en dat Koers aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor lijdt; c. dat het ontslag kennelijk onredelijk is en dat Koers op die grond een schadevergoeding verschuldigd is aan [eiser]; 2. Koers te veroordelen aan [eiser] te voldoen: a. een vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden dan wel nog lijdt, doordat hij arbeidsongeschikt is geworden, primair zulks ten bedrage van € 436.419,- bruto althans een geldbedrag zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren, en subsidiair zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet althans een geldbedrag zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren; b. een vergoeding voor de psychische/immateriële schade die bij [eiser] is ontstaan als gevolg van deze arbeidsongeschiktheid, daaronder begrepen het ontslag, primair zulks ten bedrage van € 20.500,- bruto althans een geldbedrag zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren, en subsidiair zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans een geldbedrag zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren; c. een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag, primair zulks ten bedrage van € 436.419,- bruto althans een geldbedrag zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren, en subsidiair zulks ten bedrag van € 245.563,- bruto althans een geldbedrag zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren; d. de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrag van € 6.281,63 inclusief BTW althans een geldbedrag zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren; e. de wettelijke rente over het totaal gevorderde vanaf de dag der dagvaarding; f. de proceskosten. 3.2 Aan zijn vordering heeft [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. 3.3 De werkzaamheden van [eiser] bestonden uit het verzorgen van personeel- en loonadministraties (van het voltallige personeel van Koers), verzekeringen, crediteuren- en debiteuren, btw- en loonheffing aangiftes, verkoopprijzen, offertes uitwerken, kwartaal- en jaarafsluitingen, nacalculaties, voorraadbeheer en urenregistratie, start- en functioneringsgesprekken voeren met het personeel van de financiële administratie en van de afdelingen debiteuren en crediteuren beheer. Tevens was [eiser] lid van het managementteam en had hij overleg met de directie, externe accountants en de belastingdienst. Daarnaast verrichte [eiser] administratieve werkzaamheden voor [X.] en [Y.] in privé. De werkzaamheden van [eiser] waren omvangrijk en complex en [eiser] werd in de loop der jaren, mede ten gevolge van de groei van Koers, geconfronteerd met een steeds verder toenemende werkdruk. Hoewel [eiser] zijn functie volgens zijn arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week bekleedde, was dit in de praktijk de laatste jaren tenminste 70 uur per week. Om al het werk gedaan te krijgen moest [eiser] langer doorwerken op kantoor en ook werk mee naar huis nemen, hetgeen vanaf 2005 regelmatig en steeds meer voorkwam en vanaf 2008 structureel elke avond en weekend het geval was. Daarnaast zorgde de invoer en ingebruikname van nieuwe softwarepakketten naast de reeds bestaande softwarepakketten ervoor dat [eiser] gedurende 8 jaar veel dubbele werkzaamheden moest verrichten en is [eiser] sinds de implementatie van het softwarepakket Microsoft Dynamics bij veel extra zaken betrokken geweest. Ook de omstandigheid dat de vaste collega van [eiser], mevrouw [B.], op enig moment is opgestapt omdat zij de werkdruk niet meer aankon en [eiser] nadien mevrouw [K.], die een psychische aandoening had hetgeen de samenwerking bemoeilijkte, moest inwerken, leidde tot een toename aan werkdruk en stress bij [eiser]. Bijkomende omstandigheid is tevens dat mevrouw [K.] op enig moment een relatie kreeg met mevrouw [S.] en dat zij [eiser] buitensloten op het werk en hem pestten. Hoewel [eiser] Koers van voornoemde omstandigheden wel op de hoogte heeft gesteld, werd hiermee door Koers niets gedaan. Bij de PAGO-keuring d.d. 18 mei 2011 is gebleken dat [eiser] een veel te hoge bloeddruk had en zijn na het maken van een hartfilmpje in het ziekenhuis tevens hartritmestoornissen geconstateerd, waarvoor [eiser] medicijnen kreeg. Nadat [eiser] het, in verband met het voorgaande, enige tijd rustiger aan heeft moeten doen, is hij nadien zijn werk voor 100% blijven voortzetten en heeft hij harder dan ooit te voren moeten werken om de opgelopen achterstand weg te werken. Koers die van alles op de hoogte was heeft niet ingegrepen en [eiser] door laten ploeteren, ook toen [eiser] aangaf last te hebben van stress en van zijn hart, en zijn bloeddruk en hartritme niet goed was. Dat Koers van de klachten van [eiser] op de hoogte was blijkt onder meer uit het beoordelingsformulier d.d. 22 december 2011, het Startdocument 2012 d.d. 7 februari 2012 alsmede een e-mail van [eiser] d.d. 13 februari 2012. De jarenlange stelselmatig overbelasting heeft uiteindelijk tot de ziekmelding van [eiser] op 14 april 2012 geleid. Betwist wordt door [eiser] dat, zoals door Koers gesteld, privéomstandigheden tot zijn ziekte hebben geleid. 3.4 Koers heeft nadien niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen en het herstel van [eiser] tegengewerkt door maandenlang niets te doen en, in strijd met het door de Arboarts gegeven advies, aan [eiser] pas op 14 februari 2013 een Plan van Aanpak, geantidateerd op 3 april 2012 te doen toekomen. Tevens heeft Koers, nadat [eiser] in oktober 2012 met zijn re-integratie werkzaamheden was aangevangen, een incident welke heeft plaatsgevonden op 8 september 2012 tussen [eiser] en zijn collega mevrouw [A.] aangegrepen om [eiser] niet meer in zijn eigen functie te laten terugkeren. Dat Koers nimmer heeft getracht om [eiser] serieus te laten re-integreren blijkt ook uit de door het UWV opgelegde loonsanctie. Vervolgens heeft Koers het herstel van [eiser] nog verder gefrustreerd door [eiser] in november 2012 boventallig te verklaren en mede te delen dat zodra [eiser] hersteld is, ontslag voor hem zal worden aangevraagd, hetgeen tot een verergering van de lichamelijke en psychische klachten bij [eiser] heeft geleid. [eiser] stelt zich bovendien op het standpunt dat hij ten onrechte boventallig is verklaard en betwist dat zijn functie is komen te vervallen. 3.5 Er heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden in de vorm van een burn-out bij [eiser], uitsluitend ten gevolge van de constante hoge werkdruk bij Koers waar [eiser] jarenlang aan onderworpen is geweest. Koers is tekort geschoten in de op haar rustende zorgplicht zoals bepaald in artikel 7:658 lid 1 BW, inbegrepen de verplichtingen die Koers heeft ingevolge de Arbeidsomstandighedenwet. Door [eiser] is meerdere malen aangegeven dat hij last had van aanhoudende hoge werkdruk en stress en Koers wist dat [eiser] last had van een te hoge bloeddruk en hartritmestoornissen en tevens, althans had behoren te weten, dat de gezondheidsklachten van [eiser] zouden (kunnen) verergeren bij het voortduren van de werkdruk. Desondanks liet Koers [eiser] begaan in zijn functie, bleef zij een hoge arbeidsprestatie van hem verlangen en heeft zij nagelaten de werkdruk te verlagen en maatregelen te nemen. Daarnaast heeft Koers de re-integratie onmogelijk gemaakt. Koers heeft zich bovendien niet gedragen zoals het een goed werkgever betaamt. Ten gevolge van de constante hoge werkdruk en het handelen van Koers is de arbeidsongeschiktheid van [eiser] ontstaan en verergerd. Koers is dan ook aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. 3.6 [eiser] stelt zich daarnaast op het standpunt dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7:681 (oud) BW en voert daartoe aan dat de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband, mede in aanmerking genomen de voor [eiser] getroffen voorzieningen, voor [eiser] onredelijk groot zijn in verhouding tot de belangen die Koers had bij de beëindiging van het dienstverband. [eiser] wijst er daarbij op dat hij gedurende 23 jaar naar tevredenheid bij Koers in dienst is geweest en een zeer eenzijdig curriculum vitae heeft, hij niet over verdere opleidingen en hogere diploma’s beschikt en hij langdurig arbeidsongeschikt is geweest en nog steeds niet de oude is. [eiser] is daarnaast op leeftijd en niet te verwachten was dat hij elders een baan zou vinden. Voorgaande is ook gebleken nu [eiser] na het versturen van (inmiddels) circa 350 sollicitatiebrieven nog steeds geen andere baan heeft gevonden. [eiser] zal na zijn WIA-uitkering terug dienen te vallen op een bijstandsuitkering en dit terwijl hij hoofd kostwinnaar is. Koers heeft ondanks het voorgaande geen voorziening getroffen om de financiële gevolgen van het dienstverband te compenseren. [eiser] heeft enkel een eenmalig bedrag ontvangen van € 7.988,- bruto waarop een boventallig gestelde werknemer volgens een door Koers zelf opgesteld statuut aanspraak kon maken en was slechts bereid daar bovenop nog een bedrag van € 5.000,- bruto te betalen als compensatie voor het ontslag. 3.7 Ter zake van schadevergoeding op grond van artikel 7:658 lid 2 BW vordert [eiser] primair een bedrag van € 436.419,- bruto en subsidiair een geldbedrag op te maken bij staat. Daarnaast vordert [eiser] een vergoeding voor de door hem ten gevolge van de arbeidsongeschiktheid geleden psychische/immateriële schade, primair begroot op € 20.500,- bruto en subsidiair op te maken bij staat. Op grond van artikel 7:681 (oud) BW maakt [eiser] voorts primair aanspraak op een bedrag van € 436.419,- bruto en subsidiair op een bedrag van € 245.563,- bruto. 3.8 [eiser] vordert vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad € 6.281,63 exclusief btw alsmede de wettelijke vertragingsrente over het totaal gevorderde. 4Het verweer 4.1 Koers verzoekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] althans om een niet-ontvankelijk verklaring, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [eiser] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis. 4.2 Koers heeft daartoe het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd. 4.3 Gelet op de gevolgen van de financiële crisis waaronder Koers, anders dan [eiser] stelt, te lijden heeft gehad was Koers in 2012 genoodzaakt te reorganiseren. In de aanloop daar naartoe heeft [eiser] zich plotseling ziek gemeld, hetgeen voor Koers als een verassing kwam aangezien zij, afgezien van de hartklachten, nimmer van andere klachten bij [eiser] had vernomen. Wel was Koers er bekend mee dat [eiser] privéproblemen had. In de reorganisatie zijn er 15 werknemers boventallig verklaard, waaronder drie langdurig arbeidsongeschikten. Koers heeft de ontslagvergunningen voor 12 werknemers aangevraagd bij het UWV en verkregen, waarna de dienstverbanden zijn beëindigd en een suppletieregeling is aangeboden ter aanvulling van de WW-uitkering op grond van haar statuut. Tijdens de arbeidsongeschiktheid van [eiser] heeft Koers veel belangstelling getoond, vond regelmatig overleg plaats tussen [eiser] en Koers, is [eiser] gedurende twee jaar begeleid door de Arbodienst en ontving hij psychische begeleiding van de HSK -Groep. Nadat [eiser] medio 2012 met re-integratiewerkzaamheden is gestart, is het Koers gebleken dat [eiser] zich in augustus 2012 schuldig had gemaakt aan onheuse bejegening van zijn collega, mevrouw [A.], via de chat van Facebook. Koers heeft echter volstaan met het geven van een waarschuwing daarvoor. Vanwege de reorganisatie en het vervallen van de functie van [eiser] is de re-integratie van [eiser] vanaf dat moment afgestemd op het tweede spoor. [eiser] was het hier ook mee eens. [eiser] herstelde niet na twee jaar waarna Koers, na een korte loonsanctie vanwege vertraging in het opstellen van het plan van aanpak, een ontslagvergunning bij het UWV heeft verkregen voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] vanwege langdurige ziekte. Aan [eiser] is een vergoeding ad € 7.988,- bruto conform het statuut uitgekeerd. 4.4 Koers betwist dat sprake is geweest van een arbeidsongeval alsmede dat zij aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade op grond van artikel 7:658 BW. De causaliteit tussen de gestelde schade en het werk wordt door Koers betwist en is door [eiser] niet aangetoond. Een burn-out heeft een multi-causaal karakter. Andere factoren die naar hun aard de klachten van [eiser] hebben kunnen veroorzaakt en niet gerelateerd zijn aan het werk zijn onder meer de hartklachten van [eiser] (waarvan niet vaststaat dat de oorzaak daarvan is gerelateerd aan het werk), het in privé werken voor vrienden en kennissen, de spanningen in het huwelijk van [eiser] alsmede zijn drankprobleem. In het geval wordt geoordeeld dat wel sprake is van een arbeidsongeval, dan stelt Koers zich op het standpunt dat zij de op haar rustende zorgplicht is nagekomen. Aan de zijde van werkgever kan pas sprake zijn van een zorgplichtschending indien zij bekend was - of geacht moet zijn geweest - met de omstandigheid dat bij de werknemer ‘de schoen ergens wrong’. Koers wist echter van niets. Pas na ontvangst van de email d.d. 5 maart 2012 van de partner van [eiser] is Koers op de hoogte gekomen van de klachten van [eiser]. Koers betwist uitdrukkelijk dat er sprake was van stelselmatige overbelasting alsmede dat [eiser] structureel langer moest doorwerken, zowel op kantoor als thuis. Eveneens wordt de omvang van het door [eiser] gestelde (over)werk en de overbelasting betwist. Koers stelt voorts dat met de komst van mevrouw [K.] en later mevrouw [S.] het financieel-administratieve proces juist erg goed verliep. Betwist wordt voorts dat gedurende de re-integratie van [eiser] door Koers druk is uitgeoefend, dat [eiser] ten onrechte boventallig is verklaard en dat zijn functie niet is komen te vervallen. Niet inzichtelijk is voorts gemaakt welke zorgplicht Koers zou hebben geschonden en welke maatregelen zij had moeten treffen. 4.5 Dat de beweerdelijke arbeidsongeschiktheid van [eiser] voortkomt uit enige schending door Koers van een norm gericht op het voorkomen van uitval door overbelasting is niet gebleken, zodat van een tekortschieten in de zin van artikel 7:611 BW dan ook evenmin sprake is. 4.6 Van een kennelijk onredelijk ontslag in de zin van artikel 7:681 (oud) BW is volgens Koers geen sprake. Daarbij wijst Koers er onder meer op dat het opleggen van een verkorte loonsanctie onvoldoende is om kennelijke onredelijkheid aan te nemen alsmede dat aan [eiser] een vergoeding van € 7.988,- bruto is uitgekeerd. Hetgeen door [eiser] omtrent de boventalligheid is aangevoerd kan hem niet baten nu de arbeidsovereenkomst is opgezegd na langdurige arbeidsongeschiktheid. Uit de rechtspraak volgt voorts dat leeftijd in combinatie met de geringe kansen op de arbeidsmarkt van een arbeidsongeschikte werknemer onvoldoende is om in het kader van het gevolgencriterium kennelijke onredelijkheid aanwezig te achten. De uitval van [eiser] had hem in ieder geval getroffen waar hij ook had gewerkt. Dat hij een mindere positie op de arbeidsmarkt zou hebben is dan ook niet een factor die ten nadele van de werkgever zou moeten wegen. 4.7 Koers heeft de verschuldigdheid en hoogte van de door [eiser] gevorderde schadeposten uitgebreid en gemotiveerd betwist. Daarop zal hierna bij de beoordeling, indien en voor zover van belang, nader worden ingegaan. 4.8 Koers betwist gehouden te zijn tot voldoening van enig bedrag ter zake van buitengerechtelijke kosten. [eiser] heeft het bedrag van € 6.281,63 ook onvoldoende onderbouwd. Nu Koers voorts betwist gehouden te zijn tot voldoening van de gevorderde hoofdsommen, betwist zij eveneens gehouden te zijn tot voldoening van de wettelijke rente over deze bedragen. 5De beoordeling 5.1 [eiser] heeft zijn vorderingen gegrond op de artikelen 7:658 BW, 7:611 BW en 7:681 (oud) BW. In geschil is tussen partijen of Koers aansprakelijk is op grond van (een van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.