RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 6555677 \ VZ VERZ 18-2 uitspraak: 29 juni 2018 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van de stichting Stichting Beschermingsbewind Den Haag-Zuid (STIB) in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [rechthebbende], wonende te [plaatsnaam], verzoekster, gemachtigde: mr. J.J.A. Bosch, tegen de stichting Stichting AAFJE THUISZORG HUIZEN HOTELS, gevestigd te Rotterdam verweerster, gemachtigde: mr. S.I. Witkamp. Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoekster]” respectievelijk “Aafje”. 1Het procesverloop 1.1 [verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend tot “herstel arbeidsovereenkomst dan wel toekennen billijke vergoeding”. Het verzoek is ter griffie van de rechtbank ontvangen op 3 januari 2018. 1.2 Aafje heeft een verweerschrift ingediend. 1.3 Op 14 maart 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, gelijktijdig met de comparitie van partijen in de dagvaardingsprocedure met zaaknummer 6080301 \ CV EXPL 17-21630. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is een proces-verbaal opgemaakt. 1.4 Na de mondelinge behandeling hebben beide partijen nog een akte genomen (een gecombineerde akte in zowel de onderhavige procedure als in voormelde dagvaardingsprocedure); eerst [verzoekster] op 25 april 2018, daarna Aafje op 23 mei 2018. 1.5 De uitspraak van de beschikking is nader bepaald op heden. Heden wordt ook het vonnis in voornoemde dagvaardingsprocedure uitgesproken. 2De feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten. 2.1 [verzoekster] is op 1 september 1999 bij Aafje in dienst getreden. Zij werkte laatstelijk in de functie van Zorghulpverlener A. 2.2 Op 24 april 2015 is zij uitgevallen in verband met psychische klachten en spanningsklachten. 2.3 Vanaf 25 april 2017 betaalt Aafje geen loon meer. 2.4 Op 21 november 2017 heeft UWV aan Aafje toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen. De arbeidsovereenkomst is vervolgens door Aafje opgezegd tegen 31 maart 2018. 2.5 Aan [verzoekster] is met ingang van 21 april 2017 een WIA uitkering toegekend. 3Het verzoek en het daaraan ten grondslag liggende geschil 3.1 [verzoekster] heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, Aafje op te dragen de arbeidsovereenkomst te herstellen, dan wel indien herstel niet mogelijk wordt geacht nu er sprake is van een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten een aanvullende billijke vergoeding uit te keren van € 59.400,-, met proceskostenveroordeling van Aafje. 3.2 Het tussen partijen geschil laat zich als volgt samenvatten. 3.2.1 Aafje heeft de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV opgezegd, in verband met (kort gezegd) langdurige ziekte. De loondoorbetalingsverplichting is in een eerder stadium al gestopt en Aafje heeft voldaan aan alle re-integratieverplichtingen die op haar als werkgever rusten, aldus Aafje. 3.2.2 [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het UWV ten onrechte een ontslagvergunning heeft verleend, omdat geen behoorlijk re-integratietraject is doorlopen. De verkeerde keuzes in het traject (van de bedrijfsarts en Aafje als werkgever) hebben ertoe geleid dat [verzoekster] niet is gere-integreerd. Met een juiste diagnose en de juiste begeleiding verwacht [verzoekster] op korte termijn te kunnen terugkeren naar haar oude werkplek. 3.3 Hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht komt – voor zover van belang – onder de beoordeling aan de orde. 4De beoordeling 4.1 Het komt er in deze procedure op aan of Aafje in het re-integratietraject verplichtingen heeft veronachtzaamd als gevolg waarvan geoordeeld moet worden dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.