Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/68116-16 en 10/682201-16 Datum uitspraak: 9 februari 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2000, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman: mr. T.S. Kessel, advocaat te Dordrecht. 1Onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 23 augustus 2016 en 26 januari 2018. Op de laatstgenoemde datum is de zaak inhoudelijk behandeld. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tenlastelegging met parketnummer 10/681116-16 is op de terechtzitting van 23 augustus 2016 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd: vrijspraak van het onder parketnummer 10/681116-16 onder 3 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/681116-16 onder 1 en 2 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/682201-16 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering; met opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf in de vorm van de leerstraf So-Cool voor de duur van 40 uren. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak feit 3 van 10/681116-16 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder parketnummer 10/681116-16 onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering wordt vrijgesproken. 4.2. Vrijspraak feit 1 primair van 10/681116-16 4.2.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte schuldig is aan het medeplegen van een poging tot verkrachting van het slachtoffer [naam slachtoffer] op 1 maart 2016, doordat hij haar vaginaal wilde penetreren terwijl medeverdachte [naam medeverdachte 1] haar vasthield. 4.2.2. Beoordeling en conclusie De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte op het lichaam van [naam slachtoffer] is gaan liggen en zijn penis tegen haar vagina heeft geduwd. Ook de medeverdachten hebben deze handelingen niet gepleegd. Een begin van uitvoering van de tenlastegelegde poging tot verkrachting kan niet worden vastgesteld. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank het primair ten laste gelegde niet bewezen worden. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.3. Bewijswaardering feit 1 subsidiair van 10/681116-16 en feit 1 van 10/682201-16 4.3.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van deze ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van dwang en bovendien geen sprake is geweest van een causaal verband tussen het (dreigen met) geweld en de seksuele handelingen. De feitelijkheden die in de tenlasteleggingen worden beschreven zien voornamelijk op de bedreiging met geweld, terwijl het pijpen daarvoor plaatsvond. Deze feitelijkheden hebben de seksuele handelingen dus niet tot gevolg gehad. Het enkel meenemen van [naam slachtoffer] naar de schuur, de schuur op slot doen en het licht uitdoen, levert geen zodanige dreiging op en heeft er niet voor gezorgd dat [naam slachtoffer] vervolgens onder dwang seksuele handelingen heeft verricht. 4.3.2. Beoordeling en conclusie De rechtbank overweegt dat onweersproken vast staat dat de verdachte en medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) [naam slachtoffer] op 1 maart 2016 hebben meegenomen naar de schuur van [naam medeverdachte 1] . Eenmaal binnengekomen is door [naam medeverdachte 1] de deur van de schuur op slot gedaan, zijn de sleutels van [naam slachtoffer] afgepakt en is het licht in de schuur uitgedaan. Vervolgens heeft [naam slachtoffer] bij de verdachte en de medeverdachten seksuele handelingen verricht. [naam slachtoffer] heeft de jongens gepijpt. Volgens de lezing van de verdachte hebben deze seksuele handelingen echter niet onder dwang plaatsgevonden. De rechtbank acht deze lezing niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van [naam slachtoffer] en de (mede)verdachte(n), alsmede de omstandigheden waaronder de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt daartoe dat alleen al uit het op slot doen van de schuurdeur en het afpakken van de sleutels van [naam slachtoffer] volgt dat zij zich niet aan de situatie kon onttrekken. Bovendien volgt uit de verklaringen van [naam slachtoffer] dat zij in haar gezicht is geslagen door de verdachte toen zij weigerde hem te pijpen. Zij heeft voorts verklaard dat haar hoofd door de verdachte omlaag werd geduwd en dat zij doorging met pijpen omdat de verdachte haar hoofd vasthield en zij daarom niet omhoog kon komen. Datzelfde gebeurde toen zij [naam medeverdachte 1] moest pijpen. De verdachte en medeverdachten hebben in hun verklaringen niet ontkend dat de hiervoor genoemde feitelijkheden hebben plaatsgevonden. Zij wijzen echter ten aanzien van de schuldvraag met betrekking tot deze gebeurtenissen, over en weer naar elkaar. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [naam slachtoffer] de jongens niet vrijwillig heeft gepijpt en dat zij niets anders kon doen dan de seksuele handelingen te ondergaan. Geconcludeerd kan worden dat [naam slachtoffer] door de verdachte is gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen en dat er door de verdachte dwang is gebruikt om het lichaam van [naam slachtoffer] seksueel binnen te dringen. Het verweer dat er geen sprake is geweest van dwang noch van een causaal verband tussen het (dreigen met) geweld en de seksuele handelingen wordt dan ook verworpen. De rechtbank komt gelet op het vorenstaande en op grond van de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd tot het oordeel dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. 4.4. Bewezenverklaring feit 2 van 10/681116-16 en feit 2 van 10/682201-16 zonder nadere motivering De verdediging heeft zich ten aanzien van deze ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Deze feiten worden zonder nadere bespreking bewezen verklaard. 4.5. Bewijswaardering feit 3 van 10/682201-16 4.5.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van dit ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een begin van uitvoering. In ieder geval is er sprake geweest van vrijwillige terugtred. 4.5.2. Beoordeling en conclusie De rechtbank overweegt dat van een begin van uitvoering kan worden gesproken, indien de gedraging van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Uit het dossier blijkt het volgende. [naam slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 2] in de brandgang hebben geprobeerd om hun penis in haar vagina te krijgen, maar dat dit niet is gelukt omdat zij ging tegenstribbelen. [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte, nadat hij en [naam medeverdachte 2] gepijpt waren, de broek van [naam slachtoffer] naar beneden trok en zijn penis in haar vagina probeerde te krijgen. Dit lukte niet omdat het donker was en de verdachte het gat niet kon vinden. Ook de verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij heeft geprobeerd om zijn penis in de vagina van [naam slachtoffer] te stoppen, maar dat dit niet lukte. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een begin van uitvoering. Het enkele feit dat het de verdachte niet lukte om zijn penis in de vagina van [naam slachtoffer] te stoppen staat aan dit oordeel niet in de weg. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op vrijwillige terugtred dat vaststaat dat de verdachte zijn poging tot verkrachting enkel heeft gestaakt omdat het hem niet lukte om zijn penis in de vagina van [naam slachtoffer] te stoppen. Of dit kwam doordat het donker was en hij het gat niet kon vinden, of doordat [naam slachtoffer] tegenstribbelde, is niet van belang voor de vraag of er sprake is van vrijwillige terugtred aangezien beide mogelijkheden niet ingegeven zijn geweest door een wilsbesluit van de verdachte, maar door niet van de wil van de verdachte afhankelijke omstandigheden. De verweren worden verworpen. De rechtbank komt gelet op het vorenstaande en op grond van de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd tot het oordeel dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. 4.6. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/681116-16 onder 1 subsidiair en 2 en het onder parketnummer 10/682201-16 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: Parketnummer 10/681116-16 1(subsidiair) hij op 01 maart 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met of anderen, door geweld [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handeling(en), namelijk het betasten van de billen en de vagina van die [naam slachtoffer] , het geweld heeft bestaan uit het - meenemen van die [naam slachtoffer] naar een schuur en - op slot doen van de toegangsdeur van die schuur en - afnemen van haar sleutels en - uitdoen van het licht in die schuur en - op de grond gooien van die [naam slachtoffer] en - haar op haar billen slaan en/of aan haar schaamharen trekken en - ( met geweld) op de grond gooien, althans ten val brengen van die [naam slachtoffer] , en - ( gedeeltelijk) uittrekken van de kleding van die [naam slachtoffer] , en - vasthouden van die [naam slachtoffer] (met een hand voor haar mond); 2. hij op 01 maart 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen, [naam slachtoffer] heeft mishandeld door haar - op de grond te gooien, en - te slaan op de blote billen of de benen, en - te trekken aan de schaamharen; Parketnummer 10/682201-16 1. hij op 01 maart 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen, door geweld en andere feitelijkheden iemand, te weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het zich laten pijpen door die [naam slachtoffer] ; het geweld en andere feitelijkheden hebben bestaan uit het - op slot doen van de toegangsdeur van die schuur en - afnemen van haar sleutels en - uitdoen van het licht in die schuur en - op de grond gooien van die [naam slachtoffer] en - haar op haar billen slaan en aan haar schaamharen trekken en - ( met kracht) vastpakken en/of vasthouden van die [naam slachtoffer] , en - weigeren te stoppen ondank het (mondeling) verweer van die [naam slachtoffer] , en - plaatsen en houden van zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer] en het daarbij en daartoe vasthouden van haar hoofd. 2. hij op een tijdstip gelegen in de periode 15 februari tot en met 29 februari 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander, door geweld en andere feitelijkheden iemand, te weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk zich meermalen, (telkens) laten pijpen door die [naam slachtoffer] ; het geweld en andere feitelijkheden hebben bestaan uit - het meenemen van die [naam slachtoffer] naar een brandgang en - het die [naam slachtoffer] weerhouden die brandgang te verlaten door voor haar te gaan staan - vasthouden van haar hoofd en heen-en-weer bewegen met haar hoofd en - weigeren te stoppen ondanks het (mondeling) verweer van die [naam slachtoffer] ; 3. hij in de periode van 16 februari tot en met 29 februari 2016 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door hem/hen voorgenomen misdrijf om door geweld en andere feitelijkheden iemand, te weten [naam slachtoffer] , te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, - die [naam slachtoffer] heeft geleid naar een brandgang en - verhinderd heeft dat die [naam slachtoffer] die brandgang kon verlaten door voor haar te gaan staan en - haar broek heeft uitgetrokken en heeft verhinderd dat zij haar broek weer aan kon trekken en - haar bij haar handen heeft vastgepakt en vastgehouden en - zijn, verdachte's, penis heeft geduwd tegen de vagina van die [naam slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feit De bewezen feiten leveren op: Parketnummer 10/681116-16 1. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen; 2Medeplegen van mishandeling; Parketnummer 10/682202-16 1. Verkrachting, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen; 2. Verkrachting, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen; 3. Poging tot verkrachting, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan verkrachting en een poging daartoe van een destijds 14-jarig meisje. Het slachtoffer heeft de verdachte en medeverdachte moeten pijpen in een brandgang en tevens hebben de verdachte en medeverdachte geprobeerd om het slachtoffer te dwingen tot geslachtsgemeenschap. Ze is daarbij gedwongen die brandgang in te gaan, haar broek is naar beneden getrokken, ze heeft van zich af getrapt, is op de grond geduwd en zij is vastgehouden. Bij dit alles stribbelde ze tegen, zoals ze zelf heeft verklaard. Enkele dagen later heeft de verdachte zich samen met twee anderen opnieuw schuldig gemaakt aan verkrachting van hetzelfde slachtoffer, ditmaal in een schuur. Tevens is het slachtoffer mishandeld en aangerand. Het slachtoffer is hierbij op de grond gegooid, is geslagen en heeft alle drie de jongens moeten pijpen. Ook is er op haar billen geslagen, is er aan haar schaamhaar getrokken en is er een filmpje van haar gemaakt, terwijl zij gedeeltelijk ontbloot was. Het slachtoffer heeft daarbij bij herhaling aangegeven dat zij niet wilde. Zij heeft dat gezegd, zij heeft geschreeuwd, zij heeft tegengestribbeld en heeft geprobeerd haar broek vast te houden. De verdachte en zijn medeverdachten hebben hun eigen lustgevoelens laten prevaleren en het slachtoffer ernstig vernederd en pijn gedaan. Door zijn handelen heeft de verdachte eraan bijgedragen dat de lichamelijke integriteit van het slachtoffer is geschonden. Slachtoffers van dergelijke delicten ondervinden, naar de ervaring leert, veelal langdurig de psychisch nadelige gevolgen. De rechtbank rekent het de verdachte zeer aan dat hij en zijn mededaders een meisje van 14 jaar hebben gedwongen tot het meerdere keren ondergaan van ernstige seksuele gedragingen, gepleegd door meerdere personen, tegen haar wil. Een dergelijke brute en vernederende (groeps)verkrachting van een jong meisje rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een flinke vrijheidsstraf. Bij het bepalen van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 januari 2018 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Tevens houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte 15 jaar was toen hij de delicten pleegde en dat hierna inmiddels bijna 2 jaren zijn verstreken. Door psycholoog S. van der Burg is een rapport opgemaakt d.d. 20 juli 2016. Uit dit rapport volgt dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De verdachte functioneert verstandelijk op licht beperkt ofwel licht zwakzinnig niveau en ook zijn verdere sociaal-emotionele en morele ontwikkeling blijft achter. Daarbij vertoont hij enige kenmerken van een stoornis uit het autismespectrum, van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit/impulsiviteit (ADHD) en van een gedragsstoornis, maar door zijn beperkte ontwikkelingsniveau is dit onvoldoende te differentiëren. Een seksuele stoornis in de zin van een parafilie kan niet worden aangetoond, maar kan ook niet helemaal worden uitgesloten. Bovengenoemd beeld strekt zich uit over langere tijd en hier was dus ook sprake van ten tijde van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt hem in een verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten en een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd dat de verdachte een verplicht jeugdreclasseringscontact wordt opgelegd voor een langere periode, bijvoorbeeld twee jaar, zodat er voldoende tijd is voor de geadviseerde interventies en er ook op langere termijn voldoende toezicht blijft op zijn verdere ontwikkeling. Daarbij dient hij zich te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclasseerder, ook als dat inhoudt het volgen van training, begeleiding en/of behandeling gericht op bovengenoemde aandachtspunten, bijvoorbeeld een (individuele) leerstraf als So-Cool, eventueel aangevuld met (een) groepsinterventie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.