Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/691060-17 Datum uitspraak: 19 juli 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , gemachtigd raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 juli 2018 en 5 juli 2018. Op 5 juli 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, alsmede partiële vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, namelijk ten aanzien van het medeplegen van het voorhanden hebben van één of meer vuurwapens en munitie; gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, in die zin dat de verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot overtreding van artikel 26 van de Wet wapens en munitie (proberen het samen met anderen een vuurwapen voorhanden te hebben); veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak feit 1 zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Vrijspraak feit 2 4.2.1. Standpunt officier van justitie en verdediging De officier van justitie acht niet bewezen dat de verdachte samen met anderen daadwerkelijk een of meer vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad. De officier van justitie acht op gronden zoals verwoord in haar requisitoir wel bewezen dat de verdachte samen met medeverdachten heeft geprobeerd om een vuurwapen voorhanden te hebben, namelijk het vuurwapen dat het latere slachtoffer [naam slachtoffer] heeft getoond in de kelderberging op 3 mei 2017 te Rotterdam. De verdediging heeft integraal vrijspraak bepleit en daarbij op de eerste plaats betoogd dat niet is komen vast te staan dat het verdachte is geweest die ter plaatse aanwezig was. 4.2.2. Beoordeling Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op het medeplegen van voorhanden hebben van één of meer vuurwapens en munitie, niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Ten aanzien van het medeplegen van de poging tot het voorhanden hebben van een vuurwapen op 3 mei 2017 te Rotterdam overweegt de rechtbank als volgt. In het dossier wordt de persoon die op enig moment wordt geduid als de verdachte aanvankelijk aangemerkt als V04. Daargelaten of de verdachte ook daadwerkelijk V04 is, leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen met betrekking tot de betrokkenheid van V04 bij dit onderdeel van het tenlastegelegde het volgende af. V04 is op 3 mei 2017 op enig moment in de omgeving van Rotterdam in een auto gestapt. In de auto zaten al twee medeverdachten. V04 heeft de bestuurder aanwijzingen gegeven hoe hij naar en in Rotterdam moest rijden. Vervolgens heeft men in Rotterdam een andere medeverdachte opgehaald. Hierna heeft de medeverdachte die al eerder in de auto zat, de bestuurder de weg gewezen naar de omgeving van de Dynamostraat. Op grond van camerabeelden en de verklaring van getuige [naam getuige] kan worden afgeleid dat V04 samen met een medeverdachte en getuige [naam getuige] die dag in de kelderberging van de [naam straat] is geweest. Bij die gelegenheid heeft het latere slachtoffer een vuurwapen getoond aan degenen die daar in de kelderberging aanwezig waren. Bij de even later die dag uiteindelijk mislukte aankoop van dat getoonde vuurwapen is V04 niet aanwezig geweest. Uit het vorenstaande blijkt van een zekere betrokkenheid van V04 bij de poging tot aankoop van het betreffende vuurwapen: hij heeft aanwijzingen gegeven en aan hem is een wapen getoond, maar V04 is bij de betaling en de beoogde levering van het vuurwapen niet aanwezig geweest. Hij heeft dit onderdeel van het ten laste gelegde dus niet alleen gepleegd. De vraag is vervolgens of hij het feit als medepleger samen met anderen heeft gepleegd. . De nauwe en bewuste samenwerking tussen V04 en de medeverdachte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.