RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 6944302 VZ VERZ 18-11918 Uitspraak: 13 juli 2018 Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [verzoeker] , wonende [woonplaats], verzoeker, tevens verweerder ingevolge het voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. L.J.A. Schepens (ARAG) te Roermond, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GHS AUTOMOTIVE B.V., gevestigd te Rotterdam, verweerster, tevens verzoekster ingevolge het voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. A. Birkhoff te Rotterdam. Partijen worden hierna aangeduid als ‘[verzoeker]’ respectievelijk ‘GHS’. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken: het verzoekschrift, met producties, op 30 mei 2018 ter griffie ontvangen; het verweerschrift houdende een voorwaardelijk tegenverzoek, met producties. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van 9 juli 2018. Daarbij is aan de zijde van [verzoeker] zijn gemachtigde voornoemd verschenen. Zelf is [verzoeker] niet verschenen. Namens GHS zijn verschenen mevrouw [E.] en de heer [F.], bijgestaan door de gemachtigde van GHS, mr. A. Birkhoff. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3 De datum van de uitspraak van deze beschikking is bepaald op heden. 2De vaststaande feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend of niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden: 2.1 [verzoeker], geboren op [geboortedatum], was eigenaar van [naam B.V.]., totdat dit bedrijf, per 1 april 2015, door GHS werd overgenomen. 2.2 [verzoeker] is vervolgens met ingang van 1 april 2015 voor de bepaalde duur van drie jaar, derhalve tot 1 april 2018, in dienst getreden van GHS, in de functie van Operationeel Manager B, laatstelijk tegen een bruto maandsalaris van € 10.094,95, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. 2.3 Bij brief van 23 augustus 2017 heeft GHS [verzoeker] het volgende geschreven: “Geachte heer [verzoeker], Beste [voornaam], Hierbij bevestigen wij het gesprek van 14-07-2017 met [H.] en [B.] waarin u is medegedeeld dat uw arbeidsovereenkomst (…) voor bepaalde tijd, welke eindigt per 31 maart 2018, niet zal worden verlengd. U bent per direct vrijgesteld van het verrichten van arbeid met dien verstande dat wij ten alle tijden een beroep op u kunnen doen. Aan deze oproep zult u gehoor geven en indien nodig in persoon verschijnen. U wordt geacht in deze periode uw verlof te hebben genoten. Er zal aan het einde van het dienstverband geen afrekening plaatsvinden van een verlofsaldo. In maart 2018 volgt een afrekening waarin ook het opgebouwd vakantiegeld zal worden uitbetaald. (…)”. 2.4 Vanaf 23 augustus 2017 tot aan 1 april 2018 heeft [verzoeker], conform deze vrijstelling van arbeid, (nagenoeg) geen inhoudelijke werkzaamheden meer voor GHS verricht. 2.5 In november 2017 heeft GHS aan [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, ingaande 1 april 2015, toegezonden, met daarbij aan hem het verzoek deze te tekenen en aan haar te retourneren. [verzoeker] heeft dat ook gedaan. 2.6 Eind maart 2018 heeft GHS [verzoeker] een eindafrekening doen toekomen. In reactie hierop heeft [verzoeker] de heer [B.] van GHS per e-mail van 27 maart 2018 het volgende bericht: “Beste [F.], Naar aanleiding van mijn salarisstrook m.b.t. einde dienstverband heb ik mijn resterende vakantiegeld ook ontvangen. Dank daarvoor, echter mis ik de wettelijk verplichte transitievergoeding i.v.m. een dienstverband langer dan 2 jaar. Hiervoor heb ik na het ontvangen van de bijgevoegde beëindigingsbrief (zie bijlage) reeds meermaals geïnformeerd, echter geen reactie mogen ontvangen. (…)”. 2.7 Eind april 2018 heeft GHS [verzoeker] hem de verzochte transitievergoeding betaald. 2.8 Bij e-mail van 3 april 2018, met als onderwerp ‘Tijd om afscheid te nemen’ heeft [verzoeker] GHS verzocht onder alle medewerkers een brief met de volgende inhoud te verspreiden: “Beste medewerkers van [verzoeker] Automotive, Inmiddels is het dan zover, tijd om afscheid te nemen. Na de verkoop van [naam B.V.] op 1 april 2015 ben ik met de directie van Sator/LKQ overeengekomen dat ik nog minimaal tot 1 april 2018 betrokken zou blijven bij de organisatie. Ik ben van mening dat gezien de ontwikkelingen van het bedrijf, maar ook de vrijheid en keuzemogelijkheden die het mij als persoon heeft gegeven het tijd is om mijn carrière binnen Sator/LKQ niet te verlengen, maar me ga richten op de nieuwe kansen en mogelijkheden binnen mijn interesses. (…) Ik ben blij dat ik de integratie en overdracht nog samen met jullie heb mogen doen en ik met een gerust hart [naam B.V.] over kan dragen aan jullie. Bijna 40 jaar hebben wij als familie [verzoeker] ons met hart en ziel ingezet voor jullie, onze medewerkers, onze klanten en andere belanghebbende en kunnen we nu met veel plezier terugkijken op alle successen die we samen met jullie hebben mogen behalen. Bedankt dat wij deel hebben mogen uitmaken van dit team en van het enorme succes van [naam B.V.] (…)”. 2.9 Bij brief van 17 april 2018 heeft het UWV [verzoeker] medegedeeld dat hij per 1 april 2018 geen uitkering krijgt omdat hij een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft. 3. Het geschil 3.1 [verzoeker] heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair : de opzegging per 1 april 2018 te vernietigen ex artikel 7:681 lid 1 BW, te verklaren voor recht dat het dienstverband van [verzoeker] niet is geëindigd met ingang van 1 april 2018 en dat er tussen [verzoeker] en GHS sprake is van een (doorlopende) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd onder gelijke arbeidsvoorwaarden zoals deze golden voor 1 april 2018, GHS te veroordelen [verzoeker] binnen 48 uur na betekening van de te geven beslissing toegang te (doen of laten) verlenen tot de werkplek en hem in staat te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als Operationeel Manager B te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag dat GHS nalatig is aan deze veroordeling te voldoen, GHS te veroordelen binnen zeven dagen na betekening van de te geven beslissing van het inmiddels achterstallige loon ex artikel 7:628 BW ad bruto € 10.194,95 per maand vermeerderd met emolumenten, vanaf 1 april 2018 tot heden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag dat GHS nalatig is aan deze veroordeling te voldoen, GHS te veroordelen tot correcte en tijdige betaling aan [verzoeker] van zijn volledige salaris ex artikel 7:628 lid 1 BW ad bruto € 10.194,95 per maand met emolumenten totdat op rechtsgeldige wijze een einde zal zijn gekomen aan het onderhavige dienstverband, GHS te veroordelen tot verstrekking aan [verzoeker] van schriftelijke en deugdelijke bruto/ netto-specificaties over de bedragen onder d en e, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag na betekening van de beschikking dat GHS niet voldoet aan de beschikking, GHS te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente en wettelijke verhoging over het bedrag onder d, en GHS te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over de volgende loontermijnen, indien die niet tijdig zullen worden betaald, tot zodanig bedrag c.q. percentage als door de kantonrechter te bepalen, dan wel subsidiair : GHS te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 BW en/of een schadevergoeding ex artikel 7:611 BW ad € 33.031,64 bruto althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen billijke vergoeding en/of schadevergoeding, GHS te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente over onder het onder i genoemde bedrag vanaf 1 april 2018, althans van de datum van opeisbarheid, tot aan de dag der algehele voldoening, en GHS te veroordelen tot verstrekking aan [verzoeker] van een schriftelijke en deugdelijke bruto/netto-specificatie waarin het bedrag en betaling van sub i is verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,- per dag, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag na betekening van de beschikking dat GHS niet voldoet aan de beschikking, en zowel primair als subsidiair : GHS te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.105,32, en GHS te veroordelen in de kosten van de procedure alsook in de nakosten. 3.2 Ter toelichting heeft [verzoeker] -samengevat en voor zover nu van belang- aangevoerd dat GHS in november 2017 op de door haar bij brief van 23 augustus 2017 (zie 2.3) gedane aanzegging is teruggekomen doordat zij hem toen, kennelijk als blijk van waardering, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft aangeboden. Dat aanbod heeft [verzoeker] aanvaard en hij heeft daarna tot aan de vermeende einddatum, niets meer van GHS vernomen. GHS heeft zich eerst na 1 april 2018 op een ‘administratieve vergissing’ beroepen. Hoewel er wat [verzoeker] betreft tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gold, heeft hij per 1 april 2018 een WW-uitkering aangevraagd nu GHS meermaals had laten doorschemeren dat wat haar betreft per die datum de arbeidsovereenkomst (toch) van rechtswege zou eindigen en [verzoeker] niet zonder inkomen wilde komen te zitten. Het UWV heeft daarop aan [verzoeker] bevestigd dat GHS zelf aan haar had doorgegeven dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, reden voor haar (zie 2.9) om aan [verzoeker] geen WW-uitkering toe te kennen. GHS heeft vervolgens evenwel vastgehouden aan de door haar in de brief van 23 augustus 2017 opgenomen einddatum van 1 april 2018. Deze opzegging is echter -gegeven het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd- niet rechtsgeldig. 3.3 GHS heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het door [verzoeker] verzochte, met veroordeling van [verzoeker], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure. Voorts heeft GHS voorwaardelijk, namelijk voor het geval in deze procedure in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen GHS en [verzoeker] niet van rechtswege op 1 april 2018 is geëindigd en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen, verzocht:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.