Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/700462-17 Datum uitspraak: 15 juni 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Krimpen aan den IJssel, raadsman mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en onder 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 impliciet primair (medeplegen poging doodslag) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering Op 17 oktober 2017 heeft er voor café [naam café 1] in Rotterdam-Zuid een schietpartij plaatsgevonden. Bij deze schietpartij zijn [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] gewond geraakt. 4.2.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorts acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte de heren [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De officier van justitie voert daartoe aan dat uit de diverse camerabeelden genoegzaam blijkt dat de verdachte samen met de medeverdachte op de desbetreffende avond vanuit café [naam café 2] richting [naam café 1] is gelopen, alwaar zij vervolgens betrokken zijn bij een schietincident en er door hen geschoten wordt. De officier van justitie wijst tevens op meerdere herkenningen van verdachte door verbalisanten op camerabeelden en historische verkeersgegevens die blijk geven van aanwezigheid van het telefoonnummer van de verdachte voorafgaand aan het schietincident in de buurt van de plaats delict. 4.2.2 Standpunt verdediging Voorafgaand aan zijn pleidooi heeft de raadsman onder verwijzing naar artikel 344a, lid 3, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, het voorwaardelijk verzoek gedaan de anonieme getuigen te horen die informatie hebben verstrekt aan het Team Criminele Inlichtingen (TCI). Daarbij is opgemerkt dat het verzoek slechts wordt gedaan, teneinde uit te sluiten dat de zich in het dossier bevindende TCI-informatie door de rechtbank als bewijs wordt gebruikt. Door de raadsman is algehele vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Daartoe is aangevoerd is dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op de diverse camerabeelden is te zien. Daarom kan volgens de raadsman niet worden geconcludeerd dat verdachte samen met de medeverdachte op de desbetreffende avond vanuit café [naam café 2] naar café [naam café 1] is gelopen en daar betrokken is geweest bij een schietpartij. De raadsman stelt dat de personen op de camerabeelden sportkleding dragen die zeer gangbaar is en concludeert dat de herkenning onvoldoende betrouwbaar is nu er geen specifieke onderscheidende kenmerken worden benoemd. De raadsman bepleit primair integrale vrijspraak van het ten laste gelegde, aangezien volgens hem wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat verdachte ter plaatse is geweest op 17 oktober 2017. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest, heeft de raadsman subsidiair bepleit dat medeplegen niet kan worden bewezen omdat in het dossier iedere aanwijzing voor een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt. Indien al kan worden vastgesteld dat de verdachte aanwezig was, kan volgens de raadsman niet worden vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten en dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan. 4.3 Beoordeling Voorwaardelijk verzoek tot horen anonieme getuigen De rechtbank zal het voorwaardelijk verzoek tot het horen van anonieme getuigen afwijzen, nu de zich in het dossier bevindende TCI-informatie niet voor het bewijs zal worden gebezigd. Herkenning Het verweer van de raadsman dat de verdachte niet op de plaats van de schietpartij is geweest, wordt verworpen. Op grond van de (ter zitting) getoonde camerabeelden van café [naam café 1] stelt de rechtbank vast dat de verdachte betrokken is geweest bij de schietpartij. Deze beelden zijn van zeer goede kwaliteit en kunnen als basis voor herkenning dienen. Op de beelden die zijn vastgelegd met de camera die zich in de rookruimte bevindt is te zien hoe een man in een groen trainingspak zoekend die ruimte inkijkt. De rechtbank herkent deze man als de verdachte. Kort daarvoor is op de beelden die zijn vastgelegd met de camera die zich buiten boven de ingang bevindt, zichtbaar dat de verdachte, tezamen met zijn medeverdachte, komt aanlopen en het café betreedt. Op basis van de uiterlijke kenmerken van de verdachte en zijn medeverdachte, zoals deze zijn waar te nemen op de beelden van [naam café 1] , stelt de rechtbank vast dat de verdachte en de medeverdachte ook de personen zijn die zichtbaar zijn op de camerabeelden van café [naam café 2] . Deze zijn van goede kwaliteit en daaruit blijkt dat de daarop zichtbare personen niet alleen identieke kleding, schoenen en een tasje dragen, maar voorts dat het postuur, en in het geval van de verdachte ook het gelaat, grote uiterlijke gelijkenissen vertoont met de op de beelden van [naam café 1] zichtbare personen. Daarbij komt dat de verdachte op de beelden van café [naam café 2] ook is herkend door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] . Betrokkenheid Verschillende getuigen hebben verklaard dat zowel de verdachte als de medeverdachte in het bezit van een vuurwapen waren en dat zij beiden ook schoten hebben gelost. Voorts wordt verklaard dat de verdachte na het schietincident aan de overzijde van de straat zijn wapen nog heeft gericht op [naam slachtoffer 3] , maar dat de medeverdachte hem hiervan heeft weerhouden. Uit de camerabeelden van [naam café 1] blijkt dat de verdachte het café verlaat, terwijl hij wordt vastgehouden door een ander en een derde hem met een glas of flesje op het hoofd slaat. Vervolgens is zichtbaar dat de medeverdachte een vuurwapen uit zijn tasje haalt en een schot lost naar de grond, maar in de richting van de persoon die de verdachte vasthoudt. Kort daarop is een inslag van een tweede schot op de stoep zichtbaar. Op de beelden die kort daarop zijn vastgelegd door de camera van café [naam café 3] , dat aan de overzijde van de straat is gelegen, is te zien dat de verdachte komt aanlopen uit de richting van [naam café 1] en zich omdraait richting dat café, waarna de medeverdachte op hem afloopt en een korte worsteling plaatsvindt. Vervolgens is te zien dat de verdachte wegloopt, waarbij zichtbaar is dat hij een vuurwapen vastheeft en dit in zijn tasje stopt. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verdachte aanwezig was ten tijde van de schietpartij, in het bezit was van een vuurwapen en dat hij daarmee in ieder geval heeft gedreigd. Op basis van de getuigenverklaringen en het NFI-rapport, waaruit blijkt dat de aangetroffen hulzen afkomstig zijn uit twee verschillende vuurwapens, staat bovendien vast dat de verdachte ook met zijn vuurwapen heeft geschoten. Medeplegen Hiervoor is vastgesteld dat zowel verdachte als zijn medeverdachte hebben geschoten bij het schietincident waarbij aan slachtoffers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] letsel is toegebracht. Beide schutters leveren ieder voor zich hiermee een wezenlijke bijdrage aan het feit dat zij in gezamenlijkheid plegen. De verdachte en zijn medeverdachte zijn, beiden voorzien van een vuurwapen, gericht naar café [naam café 1] gegaan en waren blijkens de camerabeelden en getuigenverklaringen op zoek naar iemand. Ook hebben zij voorafgaand aan de schietpartij de telefoons achtergelaten en weggelegd in café [naam café 2] . De rechtbank concludeert hieruit dat zij bewust de confrontatie hebben gezocht, waarbij geweld niet werd uitgesloten. Op grond hiervan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het feit. Voorwaardelijk opzet De rechtbank is van oordeel dat er in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet op het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde. Verdachte en zijn medeverdachte hebben immers door met vuurwapens op een trottoir naar de grond te schieten de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kogels af zouden ketsen met zwaar lichamelijk letsel bij omstanders als gevolg. Het is volgens de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat, door naar de grond te schieten, de schutter bij een dergelijk schot alle controle over de kogel kwijt raakt en daarmee het risico aanvaardt dat de kogels alle mogelijke kanten op schieten. 4.3.1 Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe brengen. Het onder 1 impliciet subsidiair en het onder 2 en 3 ten laste gelegde is mitsdien wettig en overtuigend bewezen. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 17 oktober 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.