Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/651011-18 Datum uitspraak: 29 juni 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, Raadsman mr. P.H.A. de Boer, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. P. Swaak heeft gevorderd: - bewezenverklaring van het ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering die mede inhouden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de medeverdachten, alsmede andere voorwaarden het gedrag betreffende, zoals geformuleerd in het advies van Reclassering Nederland van 31 mei 2018; - dadelijke uitvoerbaarverklaring van de bijzondere voorwaarden. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde straatroof. De tenlastelegging wordt – op alle wezenlijke onderdelen daarvan - uitsluitend ondersteund door de auditu verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , die heeft verklaard dat hij van de (mede)verdachte [naam medeverdachte 2] heeft gehoord wat er die nacht is voorgevallen. Daarnaast is het de vraag welke waarde aan deze onduidelijke en ‘warrige’ verklaring moet worden gehecht. Verdachte is ruim drie uur na de straatroof aangehouden en een directe link tussen de aanhouding en de straatroof ontbreekt. Verder kan medeplegen niet worden bewezen, omdat geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. De raadsman heeft vrijspraak bepleit. 4.1.2. Beoordeling De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. Op 14 maart 2018 wordt op de openbare weg in het Museumpark te Rotterdam de aangever [naam slachtoffer] rond 01.00 uur overvallen, geschopt, getaserd en beroofd. Tijdens deze beroving wordt van de aangever onder meer zijn jas, met daarin een portemonnee met inhoud en een mobiele telefoon ontvreemd. De aangever heeft aan de straatroof letsel aan zijn gezicht, linkerarm en rechterhand overgehouden. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat hij door vijf of zes mannen is beroofd waarvan één van hen een groenkleurige jas droeg met camouflagepatroon en één met lang rastahaar. Deze verklaring wordt bevestigd door de getuige [naam getuige] . De politie heeft camerabeelden, afkomstig van een beveiligingscamera van de Kunsthal, die is gevestigd aan het Museumpark, uitgekeken en vastgesteld dat op 14 maart 2018 om 01.05.13 uur, vier personen over de voetgangersbrug uit het park in de richting van de Kunsthal renden. Eén van hen had een jas met een camouflageprint. De jas van de aangever werd in diezelfde nacht op deze voetgangersbrug terug gevonden. Om 03.43 uur werd door de politie op camerabeelden gezien dat zes mannen de Boomgaartstraat - in de directe omgeving van het Museumpark - inrenden en zich schuilhielden op diverse plaatsen. Eén van deze mannen droeg een jas met camouflagepatroon. Een andere man had een tas om zijn nek hangen en een derde had lang rastahaar. Om 03.44 uur liepen deze mannen samen naar de Westblaak. Een beveiliger van de gemeente Rotterdam, [naam beveiliger 1] genaamd, die eerder geïnformeerd was over de beroving, zag rond deze tijd een man op de Westblaak en vijf andere mannen in een zijstraat rechts van de Westblaak staan. Eén van de mannen had lang rasta haar en een andere man droeg een jas met een camouflagepatroon. Twee van deze mannen staken de Westblaak over in de richting van Eendrachtsplein. Dit wordt bevestigd door de beveiliger [naam beveiliger 2] . De achterblijvende drie mannen zijn door de politie aangehouden en bleken de medeverdachten [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] te zijn. De twee mannen, die de Westblaak waren overgestoken, zijn later staande gehouden door verbalisant [naam verbalisant 1] op de Nieuwe Binnenweg. Op diens verzoek identificeerden zij zich om 03.54 uur als [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] . Nadat de verbalisanten [naam verbalisant 2] en van [naam verbalisant 3] een melding ontvingen dat er mogelijk door één van beiden iets was weggegooid hebben zij vervolgens in aanwezigheid van [naam verbalisant 1] beide verdachten gefouilleerd. De verbalisant [naam verbalisant 2] heeft op 40 cm van de verdachte op de grond in een portiek de ID-kaart en de OV-chipkaart op naam van aangever aangetroffen. Na verificatie bij de collega’s of deze passen afkomstig konden zijn van de hiervoor vermelde overval, hetgeen aan hen werd bevestigd, hebben zij beide verdachten aangehouden. De rechtbank stelt vast dat tweeënhalf uur na de overval op aangever tijdens de fouillering van de verdachte in diens onmiddellijke omgeving – namelijk 40 centimeter van de plaats waar de verdachte werd staande gehouden - twee passen zijn aangetroffen waarvan aangever diezelfde nacht en in de directe omgeving daarvan is beroofd. Bovendien volgt uit de hiervoor omschreven camerabeelden dat de verdachte zich in de tijd voorafgaande aan zijn aanhouding heeft opgehouden met de medeverdachten. Tezamen en in vereniging De medeverdachte [naam medeverdachte 3] – blijkens het proces-verbaal van politie de drager van de camouflagejas – heeft tegenover de politie verklaard aanwezig te zijn geweest tijdens de overval van de aangever. Hij heeft verklaard daar en toen te zijn geweest met de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , die hij kort daarvoor had ontmoet. [naam medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat voor hem vier mannen liepen, dat één van hen riep: “pak hem vast” en dat hij heeft gezien dat medeverdachte [naam medeverdachte 2] de aangever heeft laten struikelen. De medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat [naam medeverdachte 2] zijn “mattie” (vriend) is en dat deze hem samen met [naam medeverdachte 3] rond half één die nacht van het centraal station in Rotterdam had opgehaald. Zij liepen in de richting van het Museumpark toen [naam medeverdachte 2] werd aangesproken door twee andere Antilliaanse jongens, die hij niet goed kende. Wanneer de politie [naam medeverdachte 1] tijdens het verhoor de foto’s toont, die in diezelfde nacht van de verdachte en van de medeverdachte [naam medeverdachte 4] zijn gemaakt, verklaart hij hen beiden te herkennen als ‘die andere twee jongens’ die in die nacht bij hen aanwezig zijn geweest. Hij heeft voorts verklaard dat hij in die nacht van [naam medeverdachte 2] heeft gehoord dat de aangever door de verdachte, door [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] zelf is beroofd. [naam medeverdachte 1] heeft daarbij verklaard dat [naam medeverdachte 2] hem heeft gezegd dat ‘ze de man hadden vastgehouden en dat ze stroom op de man hebben gedaan’. Ook heeft hij gehoord dat ze een portemonnee hadden gepakt en hebben de medeverdachten een Samsung telefoon laten zien. Dit alles tezamen acht de rechtbank voldoende om van een nauwe en bewuste samenwerking te spreken. Het verweer daaromtrent wordt dus verworpen. 4.1.3. Conclusie De rechtbank acht de verklaring van [naam medeverdachte 1] – anders dan door de verdediging is aangevoerd - met betrekking tot het verloop van de beroving betrouwbaar. [naam medeverdachte 1] noemt in zijn verhoor gedetailleerde feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij óf zelf ter plaatse is geweest óf dit uit de eerste hand (van medeverdachte [naam medeverdachte 2] ) heeft vernomen. [naam medeverdachte 1] is diezelfde nacht, in het gezelschap van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] , door de politie aangehouden en niet is gebleken dat hij op een andere wijze kennis heeft kunnen nemen van deze feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak kan de omstandigheid dat de verdachte geen verklaring wenst af te leggen of een bepaalde vraag wenst te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. Wel kan de rechtbank, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het ten laste gelegde feit, geen redelijke, hiervoor ontzenuwende verklaring heeft gegeven, zulks in haar overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. Door het volledig uitblijven van enige aannemelijke verklaring van de kant van de verdachte die de rechtbank aanleiding zou kunnen geven om aan de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit te twijfelen, wordt de rechtbank gesterkt in haar overtuiging van de betrokkenheid van de verdachte bij deze overval. De rechtbank wordt in deze overtuiging voorts gesterkt door het roepen van de verdachte naar de medeverdachte [naam medeverdachte 4] in de arrestantencomplex, kort na de aanhouding van de verdachte (vertaald uit het Papiaments) “zorg dat je niet praat anders ben ik de klos”. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte op 14 maart 2018 tezamen met anderen de aangever [naam slachtoffer] heeft beroofd. Het ten laste gelegde zal bewezen worden verklaard. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 14 maart 2018 te Rotterdam op de openbare weg, te weten het Museumpark, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas, met daarin een telefoon (merk/type Samsung Galaxy S8) en oordopjes en passen en sleutels, toebehorende aan [naam slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweldtegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het: - achtervolgen van die [naam slachtoffer] , en - van achteren vastpakken van de armen van die [naam slachtoffer] , en - naar de grond trekken van die [naam slachtoffer] (waardoor die [naam slachtoffer] ten val kwam), en - meermalen drukken/houden van een of meer stroomstootwapens tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] en het daarbij geven van een of meer stroomstoten met die wapens tegen het lichaam van die [naam slachtoffer] ; - uittrekken van de jas van die [naam slachtoffer] . Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten het slachtoffer beroofd. Deze beroving vond plaats in de nachtelijke uren in het Museumpark te Rotterdam. Het slachtoffer is achtervolgd en nadat hij door de verdachte en zijn medeverdachten was ingehaald bij de armen vastgepakt, geslagen en geschopt (en pootje gehaakt) waarna hij op de grond terecht is gekomen. Terwijl het slachtoffer op de grond lag is hij getaserd. De verdachte en zijn medeverdachten hebben het slachtoffer, nog altijd liggend op de grond, zijn jas uitgetrokken. In deze jas zat een mobiele telefoon Galaxy S8, een ID-kaart, ov-chipkaart en een sleutelbos. Aan deze beroving heeft de aangever letsel overgehouden in zijn gezicht, linker arm en rechterhand. Het spreekt voor zich dat dit feit een grote impact heeft gehad op het slachtoffer. Uit het schade-onderbouwingsformulier, dat door het slachtoffer is ingediend blijkt dat hij enige weken fysiek last heeft gehad van het toegebrachte letsel en dat hij zich op straat voortaan minder veilig voelt dan voorheen. Daarbij brengt een feit als dit onrust teweeg in de maatschappij. De verdachte heeft kennelijk op het moment van het plegen van het feit niet stilgestaan bij deze gevolgen voor het slachtoffer en voor de maatschappij. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 7.3.2. Rapportages Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 mei 2018. Dit rapport houdt het volgende in. De leefsituatie van de verdachte baart zorgen. De verdachte had een kamer bij het CVD en er was een lopend reclasseringstoezicht, maar dit heeft de verdachte vanwege een detentie op Curaçao niet kunnen nakomen. Er is sprake van een aantal probleemgebieden die het risico op recidive kunnen verhogen. Zo heeft de verdachte geen structurele dagbesteding, geen inkomen en heeft hij schulden. Gelet daarop is het belangrijk dat de verdachte adequaat begeleid wordt en dat hij structuur krijgt in zijn leven. Bij een veroordeling wordt geadviseerd aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en andere voorwaarden het gedrag betreffende, waaronder een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding en schuldhulpverlening en het meewerken aan urinecontroles. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de gevolgen die het feit voor het slachtoffer moet hebben gehad, alsmede op de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank ziet gelet op de ernst van dit feit, een straatroof, gepleegd door een groep mannen, rond één uur ’s nachts waarbij (een) stroomstootwapen(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.