Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/741428-17 Parketnummers vorderingen TUL: 10/741172-17, 10/661078-16 Datum uitspraak: 25 januari 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2001, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Rijks Justitiële Jeugdinrichting (RJJI) De Hartelborgt, Borgtweg 1, 3202 LJ Spijkenisse, raadsman mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 11 januari 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest, oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. 4Waardering van het bewijs Bewijswaardering Standpunt verdediging Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het medeplegen van de beroving van aangever [naam slachtoffer 1] en van het beroven van aangever [naam slachtoffer 2] . De verdachte had vooraf niet een plan om te beroven. Er is van te voren ook niet gecommuniceerd tussen de verdachte en de medeverdachten over het plegen van een beroving. Er was derhalve geen vooropgezet plan. Voorts is de verdachte alleen in de buurt van aangever [naam slachtoffer 1] geweest en niet bij aangever [naam slachtoffer 2] . Die aangever is door de medeverdachten beroofd en niet (ook) door de verdachte. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van medeplegen van de beroving van aangever [naam slachtoffer 1] en van de aangever [naam slachtoffer 2] door de verdachte. Uit de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] komt naar voren dat zij met de medeverdachte [naam medeverdachte 2] , voorafgaande aan de beroving van de aangevers met elkaar hebben besproken om samen ‘iets te gaan doen wat iets op zou leveren’, namelijk ‘geld of spullen’. De rechtbank maakt hieruit op dat zij die nacht samen een plan hebben gemaakt om een beroving/ vermogensdelict te plegen. Medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft hierover nog verklaard dat de verdachte toen zij hem vertelden dat ze ‘iets wilden doen, iets wilden hebben’, hij ‘ging mee bedenken’. Toen de verdachte daarna op de Lijnbaan, waar zij de aangevers tegenkwamen, de beroving startte door aangever [naam slachtoffer 1] aan te spreken en vervolgens een wapen te trekken, zijn de medeverdachten naar hem toe gelopen en zijn zij daaraan mee gaan doen. De medeverdachten hebben (volgens de verklaring van aangever [naam slachtoffer 1] nadat de verdachte hen daartoe maande) onder bedreiging van een (nep)vuurwapen de zakken van aangever [naam slachtoffer 2] doorzocht en diverse goederen van deze aangever weggenomen. Nadat de verdachte beide aangevers had weggestuurd, zijn de verdachte en zijn medeverdachten samen weggelopen en hebben zij in een portiek samen de buit bekeken en verdeeld. Hierbij heeft de verdachte ook goederen van aangever [naam slachtoffer 2] gekregen. In de fouillering van de verdachte werden immers naast goederen van aangever [naam slachtoffer 1] ook een identiteitskaart en een bankpas op naam van aangever [naam slachtoffer 2] aangetroffen. Nu de verdachte en de medeverdachten vooraf gesproken hebben over het samen plegen van een delict, de verdachte de medeverdachten heeft gemaand/aangespoord de aangever [naam slachtoffer 2] te beroven en zij vervolgens samen weg zijn gegaan en de buit hebben verdeeld, is er sprake van medeplegen door de verdachte van zowel de beroving van aangever [naam slachtoffer 1] als van aangever [naam slachtoffer 2] . Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. zij op 30 september 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, op de openbare weg, te weten de Lijnbaan, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee identiteitskaarten, twee ING-betaalpassen, een OV-chipkaart, een zorgverzekeringspas, EUR 3,50, shag en vloei, een speaker (Nude Super M), twee mobiele telefoons (een Nokia 1100 en een Samsung Galaxy S5 in een hoesje), een aansteker, een sleutel, een powerbank en een mes, toebehorende aan [naam slachtoffer 1] of [naam slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] en die [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het: - trekken aan de jas, althans het vastpakken, van die [naam slachtoffer 1] en - met kracht met een luchtdrukvuurwapen tegen een schouder van die [naam slachtoffer 1] slaan en - drukken van een luchtdrukvuurwapen tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 1] en vervolgens te zeggen "je gaat dood vandaag" en vervolgens twee keer de trekker van genoemd wapen overhalen en - richten van een luchtdrukvuurwapen op die [naam slachtoffer 1] en - tegen die [naam slachtoffer 1] zeggen "je hebt 3 seconden om nu weg te gaan....1,2, “ en - duwen tegen die [naam slachtoffer 1] en - richten van een op een Walther P99 gelijkend speelgoedpistool op die [naam slachtoffer 2] en - drukken van genoemd speelgoedpistool tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 2] en daarbij tegen die [naam slachtoffer 2] te zeggen "blijf staan, niet bewegen"; 2. hij op 30 september 2017 te Rotterdam op de openbare weg, te weten de Lijnbaan, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie IV onder 42 van de Wet wapens en munitie, te weten een luchtdrukpistool, heeft gedragen; 3. hij op 18 maart 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 3] heeft mishandeld door hem met geschoeide voet een trap tegen het gezicht te geven. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: 1 diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen; 2 handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; 3. mishandeling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf en maatregel Algemene overweging De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd De verdachte heeft samen met twee medeverdachten op gewelddadige wijze in de nacht twee jongens op straat van (onder meer) hun mobiele telefoons, identiteitskaarten en pasjes beroofd. Daarbij zijn de jongens bedreigd met (nep)vuurwapens. De verdachte heeft de zakken en het tasje van één van de slachtoffers doorzocht. Ook heeft hij een (nep)wapen voorhanden gehad en tegen het hoofd van een van de jongens gezet, vervolgens de trekker overgehaald en deze jongen woordelijk met de dood bedreigd. De verdachte en zijn medeverdachten hebben met het plegen van de beroving de slachtoffers doodsangst aangejaagd, zoals ook blijkt uit de toelichting bij de door de slachtoffers ingediende vorderingen tot schadevergoeding. De verdachte en zijn medeverdachten hebben met hun handelen getoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen. Bovendien hebben zij er geen blijk van gegeven op enig moment stil te hebben gestaan bij de impact die hun handelen op de slachtoffers zou hebben en ook heeft gehad. Door het van dichtbij richten van een (nep)vuurwapen op het hoofd en lichaam van de slachtoffers hebben de verdachte en de medeverdachten een enorme inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van die slachtoffers. Feiten zoals de door de verdachte en zijn medeverdachten gepleegde, zijn ernstige feiten, die schade veroorzaken en niet alleen bij de slachtoffers, maar ook bij de samenleving in het algemeen, gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg brengen. Dit soort feiten dienen dan ook krachtig te worden bestreden. Daarnaast heeft de verdachte op straat een medescholier zonder aanleiding in het gezicht geschopt. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook een feit als dit brengt gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving. De rechtbank rekent ook dit de verdachte aan. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 december 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Rapportages Psychiater drs. B.J.G. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater, heeft met supervisant drs. P.E. Brussaard, psychiater in opleiding, een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 december 2017. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. De verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van een normoverschrijdend-gedragsstoornis en andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis (perceptueel redeneren op zwakbegaafd niveau). Deze gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens was ten tijde van het plegen van het laste gelegde aanwezig en beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. De verdachte uit zich op summiere wijze over het hem ten laste gelegde waardoor de exacte toedracht niet erg duidelijk is geworden. Zijn extra moeite situaties goed te overzien, zijn egocentriciteit, zijn gebrekkig inlevingsvermogen en zijn gebrek aan remming vanuit de gebrekkige gewetensontwikkeling maken in algemene zin dat hij sneller dan een gemiddelde jongen van zijn leeftijd kan komen tot dergelijke feiten. Hij heeft de ernst en de risico’s van zijn actie kunnen bevroeden en er zich van kunnen distantiëren. Geconcludeerd wordt dat uit het relaas van de verdachte geen duidelijke argumenten naar voren komen waardoor het feit aan hem in een verminderde mate toe te rekenen zou zijn. Het risico op recidive wordt hoog ingeschat. De verdachte heeft een moeizame relatie met zijn vader, wat hem chronisch in meer of mindere mate spanning geeft. Daarnaast was sprake van spanningen met zijn moeder omdat de verdachte zich niet hield aan afspraken met de ITB Harde Kern. Voorts zijn risicofactoren dat de verdachte eerder gewelddadig gedrag heeft laten zien, eerder niet-gewelddadig delinquent gedrag vertoonde, hij op jonge leeftijd een eerste uiting van gewelddadig gedrag heeft laten zien en dat sprake is geweest van een vroege verstoring van de verzorgingssituatie. Verder heeft hij omgang met delinquente leeftijdsgenoten. Ook schieten zijn copingvaardigheden tekort, heeft hij negatieve opvattingen, vertoont hij riskant, impulsief gedrag, heeft hij problemen met het hanteren van boosheid, is er een gebrek aan empathie en werkte hij maar matig mee aan eerdere interventies. Een intensief klinisch behandeltraject, waarbij moeder in de behandeling kan worden betrokken wordt als de enige resterende optie beschouwd. Bij deze behandeling kan ook psycho-educatie en een agressie-regulatie training plaatsvinden, welke beide tot dusver nog niet van de grond zijn gekomen. Geadviseerd wordt tot oplegging van het ultimum remedium van de PIJ met een intensief klinisch behandeltraject. Oplegging in een voorwaardelijk kader wordt niet haalbaar geacht, daar de verdachte onvoldoende motivatie voor gedragsverandering en positieve inzet laat zien opdat een dergelijk traject een kans van slagen kan hebben. Zowel de verdachte als moeder hebben aangegeven dat hij beter functioneert als er meer toezicht is. Er wordt ingeschat dat een herhaling van ITB Harde Kern in combinatie met Elektronisch Toezicht vanuit de thuissituatie, te weinig structuur en toezicht bieden in de huidige vorm. Bovendien is met een dergelijk traject afgelopen zomer een recidive niet voorkomen. Gemeend wordt dat aan de criteria voor een (onvoorwaardelijke) PIJ wordt voldaan. De maatregel wordt daarbij in het belang geacht van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte. psycholoog drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 december 2017. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. Er is bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis. Daarnaast is tevens sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vanuit de autismespectrumstoornis als ook in de vorm van een normoverschrijdend gedragsstoornis en performale zwakbegaafdheid. Er kan tevens gesproken worden van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Tijdens het ten laste gelegde waren genoemde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling aanwezig en deze beïnvloedden verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Door zijn beperkingen vanuit de autismespectrumstoornis en de normoverschrijdende gedragsstoornis kan wat betreft het ten laste gelegde gesteld worden, dat de verdachte in staat wordt geacht om het ongeoorloofde van zijn handelen (zeker achteraf) te beseffen, maar in verminderde mate in staat was om andere gedragskeuzes te maken en de consequenties van zijn handelen te overzien. Derhalve is het ten laste gelegde de verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Vanuit de autismespectrumstoornis is de verdachte minder in staat om sociale situaties te overzien. Daarnaast is hij minder goed in staat de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen in te zien waardoor hij minder geremd wordt in zijn gedrag. Hij is beïnvloedbaar en overziet de gevolgen van zijn handelen onvoldoende. Hij handelt voordat hij eerst goed nadenkt. Het is de vraag of deze problematiek, gezien hij bij herhaling dit soort feiten blijft plegen, nog steeds van invloed is op zijn delictgedrag. Wat meer voor de hand ligt, is dat hij deze gedragingen vooral vertoont vanuit de normoverschrijdende gedragsstoornis, waarbij hij impulsief gedrag vertoont, nauwelijks gezag accepteert, niet tot nauwelijks te corrigeren is en moeite heeft om zich aan sociale normen en regels te houden. De gewetensfuncties vertonen forse lacunes. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat. Er zijn spanningen in de relatie met zowel zijn vader als zijn moeder, die hem frustreren en hij gaat om met delinquente jongeren. Voorts vertoont hij impulsief en ongeoorloofd gedrag, heeft agressieregulatie-problemen, lacunaire gewetensfuncties, gebrek aan empathie en tekortschietende copingvaardigheden. Daarnaast is er nauwelijks motivatie voor hulpverlening. Gezien het gegeven dat de verdachte, ondanks de geboden intensieve ambulante hulpverlening, wederom met politie en justitie in aanraking is gekomen, wordt een intensieve klinische behandeling noodzakelijk geacht, vooral gericht op de gedragsstoornis en de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Eerdere ambulante behandelingen en ook gesloten civiele plaatsingen hebben niet tot gedragsverandering geleid. Aangezien de verdachte optrekt met delinquente vrienden, de hulpverlening geen effect heeft gesorteerd en er nauwelijks mogelijkheden meer zijn in een ambulant kader, wordt een ambulante behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ onvoldoende geacht. Een klinische behandeling is noodzakelijk om te voorkomen dat verdachte verder af zal glijden. Zo kan hem op termijn meer perspectief worden geboden. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, is een klinische behandeling dan ook aangewezen in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ. Behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ biedt op de lange termijn meer mogelijkheden voor een gunstige ontwikkeling van en perspectief voor verdachte en vermindering van de kans op recidive, dan behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ, die overigens mogelijk van te korte duur is om verandering te kunnen bewerkstelligen. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen RvdK) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 januari 2018. Dit rapport houdt het volgende in. De RvdK maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling, gewetensontwikkeling, het sociaal-emotioneel functioneren, de gedragsproblematiek en hoge kans op herhaling (van delictpleging), van de verdachte. De RvdK staat achter het advies zoals uitgebracht door het NIFP en adviseert een onvoorwaardelijke maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ). Een langdurige behandeling in de vorm van een PIJ is geïndiceerd vanwege de uitgebreide ernstige problematiek ten aanzien van de verschillende leefgebieden, de recidivekansen, en het eerder mislukken van zowel ambulante als residentiële hulpverlening en begeleiding. De PIJ is tevens van belang omdat de RvdK de kans op herhaling hoog acht en gebleken is dat de verdachte gerecidiveerd heeft. De RvdK acht de in het rapport genoemde doelen van belang voor de waarborging van de ontwikkeling van de verdachte. Om de doelen te bereiken acht de RvdK een strak gekaderd programma binnen een gestructureerde setting, waarin de verdachte intensieve behandeling ontvangt, van belang. Hierbij is het belangrijk dat moeder (die positief steunend en sturend) nauw betrokken wordt. Binnen een PIJ zal voor de verdachte de mogelijkheid tot herhaling de komende jaren afwezig zijn. Er zal sprake zijn van educatie, intensieve behandeling en begeleiding en een strikt leefkader. Schoolgang, behandeling en duidelijkheid en structuur zijn noodzakelijk gebleken voor hem. Psycho-educatie en een agressieregulatie training kunnen hier ook plaatsvinden. Deze zijn vooralsnog niet van de grond gekomen. De RvdK acht het wenselijk dat indien dit binnen de mogelijkheden valt, de verdachte binnen een PIJ geplaatst zal worden op een groep voor wat kwetsbare jongens, zodat zoveel als mogelijk voorkomen wordt dat hij zich gaat spiegelen aan dominantere en cognitief begaafdere groepsgenoten. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt niet geadviseerd, omdat de verdachte langdurende behandeling nodig heeft in een gesloten kader. De RvdK is van mening dat een PIJ onontkoombaar is. Behandeling vanuit de thuissituatie ziet de RvdK niet als mogelijkheid gezien de ernst van het delict en het hoge recidivegevaar. Daarnaast is de verwachting dat de verdachte zijn medewerking onvoldoende zal verlenen. De verwachting van de RvdK is dat indien er nu bij de verdachte geen keerpunt zal plaatsvinden, de kans dat hij zich ten positieve ontwikkelt, alsmaar kleiner wordt. Inzicht in het eigen gedrag en in zichzelf als persoon, acht de RvdK van groot belang. Een strikt gekaderd en stimulerende opvoedomgeving met duidelijke regels beschouwt de RvdK hierin onmisbaar. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Toerekeningsvatbaarheid Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid komen de psychiater en psycholoog in hun rapportages tot verschillende conclusies. Nu de psycholoog op basis van haar bevindingen tot de conclusie komt dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en uit de rapportages van zowel de psychiater als de psycholoog naar voren komt dat er bij de verdachte sprake is van forse problematiek die behandeling en klinische opname noodzakelijk maken, zal de rechtbank de conclusie van de psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid volgen. De verdachte wordt in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Straffen Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de rapportages is gebleken dat er grote zorgen zijn omtrent de ontwikkeling van de verdachte en dat het opleggen van een PIJ noodzakelijk en onontkoombaar wordt geacht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een lange(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.