vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/413449 / HA ZA 12-1036 Vonnis van 31 januari 2018 in de zaak van de vennootschap naar vreemd recht NAVALMAR (U.K.) LIMITED, gevestigd te Londen, Engeland, Verenigd Koninkrijk, eiseres, advocaat mr. R.P. van Campen, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLENCORE GRAIN B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Amsterdam, 3. de naamloze vennootschap HDI GERLING VERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Rotterdam, 4. de naamloze vennootschap AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V., gevestigd te Amstelveen, 5. de rechtspersoon naar vreemd recht TSM COMPAGNIE D’ASSURANCES SOCIÉTÉ COOPÉRATIVE, gevestigd te La Chaux-de-Fonds, Zwitserland, 6. de rechtspersoon naar vreemd recht NHA HAMBURGER ASSEKURANZ AGENTUR GMBH, gevestigd te Hamburg, Duitsland. gedaagden, advocaat mr. H. Posthumus Meyjes. Eiseres zal hierna Navalmar genoemd worden en gedaagden gezamenlijk Glencore Grain c.s. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 april 2014 (hierna: het tussenvonnis) alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken. Vervolgens heeft de zaak op de parkeerrol gestaan waarna de zaak in de loop van 2016 weer is opgebracht. Daarna zijn de volgende processtukken genomen: de conclusie na tussenvonnis van Navalmar (met producties) tevens akte van depot; de conclusie van antwoord na tussenvonnis van Glencore Grain c.s. (met producties); de akte uitlating producties van Navalmar. 1.2. Ten slotte is op de rol van 2 november 2016 vonnis gevraagd. 2De verdere beoordeling 2.1. Bij het tussenvonnis is Navalmar opgedragen te bewijzen: A. dat sprake is geweest van gevaar, namelijk dat de ankers van de “Rochester Castle” het niet langer hielden en het schip aan het driften was in de richting van ondiepe wateren, en B. feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat het door haar betaalde bedrag van US$ 1.550.000,-- naar Turkse maatstaven redelijk was, en D. dat sprake is geweest van redelijke zorg voor de zeewaardigheid van het schip vóór en bij aanvang van de reis; en aan Glencore Grain c.s. is opgedragen te bewijzen: C. dat het evenement het directe gevolg is van de onzeewaardigheid van het schip als bedoeld in rov. 4.11 van het tussenvonnis. 2.2. Door partijen zijn ter voldoening aan de bewijsopdrachten geen getuigen voorgebracht maar wel rapporten en andere producties in het geding gebracht die hierna zullen worden besproken, voor zover zij voor de beoordeling van belang zijn. gevaar 2.3. Als eerste heeft Navalmar een “Accident report” van BMT Surveys (Amsterdam) B.V. (hierna: BMT) van 15 januari 2015 overgelegd. Dit rapport is opgemaakt nadat er een 2d-reconstructie was gemaakt met het programma “Rembrandt” door BMT Argoss (in de UK). Alle data van de Voyage Data Recorder (“VDR”) van de Rochester Castle zijn ingelezen en onder andere op basis daarvan is een volledige reconstructie gemaakt, genaamd “Reconstruction video AIS data”, welke eveneens in het geding is gebracht en door de rechtbank is bekeken. In het rapport van BMT worden onder meer “stills” van de video-reconstructie gebruikt ter onderbouwing van de reconstructie en duiding van de feiten. 2.4. Uit het rapport en de reconstructie volgt dat op grond van de VDR-gegevens op 6 december 2011 om 11:01:58 uur de hoofdmotor van de Rochester Castle een “slowdown” heeft. Vervolgens is te zien dat het schip naar stuurboordzijde zwaait en drift naar de noordoever van de Bosporus. Op de brug is te horen dat de loods om 11.02 uur assistentie van sleepboten inroept en dat dat door de kapitein wordt bevestigd. Op de brug zijn diverse alarmen hoorbaar. De snelheid van het schip over de grond loopt sterk terug en om 11.05 uur begint het schip de zuidelijke baan van het verkeersscheidingsstelsel te verlaten. Het schip gooit om 11:05 uur haar bakboordanker uit. Vervolgens is te zien dat ook nadien het schip blijft driften naar stuurboordzijde en blijft afstevenen op de noordelijke oever van de Bosporus in de richting van Istinye Bay. Om 11.06 uur lijkt de hoofdmotor weer te werken. Om 11.07 uur wordt bevel gegeven om het stuurboordanker uit te werpen. De loods vraagt zich om 11.09 uur af of de hoofdmotor weer werkt. Ondanks het gebruik van de ankers blijft het schip driften in de richting van de (op de kaart) blauw gearceerde diepte tussen de 20 en 10 meter. De diepgang van het schip bij vertrek in Tuapse, Rusland was 11.65 voor en 11,80 meter achter, zo stelt BMT vast. Omdat door hen gerekend wordt met een 10% “under keel clearance”, betekent dit dat het schip volgens BMT tot een diepte van ongeveer 13 meter had mogen varen/liggen. Te zien is dat om 11.10 uur vanuit Isteyne Bay twee sleepboten uitvaren. Tegelijkertijd informeert de kapitein de loods dat de motor weer gebruikt kan worden. Kort daarna bevestigt de kapitein dat het stuurboordanker opgehaald wordt. Er volgen discussies tussen loods en kapitein over het al dan niet stoppen van de motor en het ophalen van het stuurboordanker. Opnieuw zijn alarmen hoorbaar. De Rochester Castle drift verder en te zien is dat het schip zich tegen de 10 meter diepte contourlijn bevindt. BMT sluit niet uit dat het schip de bodem van de Bosporus daadwerkelijk heeft geraakt. Om 11.14 uur is de eerste sleepboot ter plaatse. Het lijkt er op dat het stuurboordanker om 11.15 uur binnen is, waarna wordt begonnen met het inhalen van het bakboordanker. De eerste duwboot begint tegen de stuurboordzijde van de Rochester Castle te duwen. De kapitein deelt om 11.18 uur mede dat de motor weer in orde is. Het schip drift verder en om 11.19 uur bevindt het schip zich gedeeltelijk in de blauw gearceerde diepte tussen de 20 en 10 meter en nadert het de donkerblauwe 10 meter lijn. Er is gevaar om direct aan de grond te lopen. Opnieuw gaat het alarm. De tweede sleepboot komt ter plaatse. Het commando “slow astern” wordt gegeven en om 11.23 uur “stop engine”. Omdat de exacte positie van de AIS transmitters aan boord van de sleepboten niet bekend is, kan niet precies worden vastgesteld hoe laat de sleepboten zijn begonnen met duwen en/of slepen. Het is te zien dat de sleepboten de Rochester Castle (nagenoeg) vrijhouden van de 10 meter lijn. Van 11.23 tot 11.27 uur en om 11.32 uur bevond de stuurboordboeg van het schip zich op deze grens. Het lijkt BMT waarschijnlijk dat de bodem toen is geraakt. Eén sleepboot maakt om 11.27 uur achter vast en gaat trekken. De andere boot duwt tegen de stuurboordzijde. Om 11.41 uur waarschuwt de verkeersbegeleiding dat de Rochester Castle zich extreem dicht bij ondiep water bevindt. De contouren van de 10 meter grens worden om 11.45 uur opnieuw geraakt. Om 11.50 uur vaart de Rochester Castle weer de baan van het verkeersscheidingsstelsel binnen. Vanwege de wind (ZZW 5 Bft) en de aanzienlijke stromingen is het lastig om het tweede anker binnen te halen. Een derde sleepboot is ter plaatse en om 11.54 uur wordt een lijn hiervan vastgemaakt. Om 12.20 lukt het om ook het bakboordanker aan boord te krijgen. Kort daarna wordt volle kracht vooruit gegeven. 2.5. BMT heeft tevens het videofragment dat eerder in de procedure in het geding werd gebracht (productie 10 bij de akte voor de comparitie) geanalyseerd en concludeert dat aan de hand van die video duidelijk kan worden vastgesteld dat het bakboordanker van het schip aan het krabben was, terwijl zij snel achteruit aan het driften was. BMT stelt dat uit de klappende/stuiterende beweging van de ankerketting kan worden afgeleid dat het anker het niet houdt en op dat moment aan het krabben is. 2.6. BMT concludeert dat het schip in onmiddellijk gevaar was om te gronden als gevolg van de krabbende ankers en de snelheid waarmee het schip aan het driften was als gevolg van de aanzienlijke stroming, de wind en de ongunstige positie in de buurt van de 10 meter diepte. Het inroepen van hulp en het niet tussentijds beëindigen van de sleepbootassistentie acht zij volledig gerechtvaardigd omdat in de zeer korte tijdspanne en tijdens de evenementen die elkaar in korte tijd opvolgden, niet duidelijk was of de hoofdmotor na twee keer een storing te hebben gehad daadwerkelijk goed zou blijven functioneren. Zonder die assistentie zou ook de achterkant van de Rochester Castle met haar propeller en roer de bodem geraakt hebben. 2.7. Bij wijze van tegenbewijs voeren Glencore Grain c.s. aan dat in het scheepsdagboek van de Rochester Castle met geen woord over een krabbend anker, laat staan een gevaarsituatie, wordt gesproken. Voorts hebben zij een rapport van Cunningham Lindsey Marine B.V. (hierna: CLM) van 22 september 2015 overgelegd met referentienummer 760418-1 / 1503771. Eerder was door Navalmar al een door hen van Glencore Grain c.s. ontvangen rapport van CLM van dezelfde datum overgelegd met kenmerk 769999-1 / 510440. Het tweede rapport verschilt van het eerste omdat daarin behalve de “Technical facts” ook de “Nautical facts” worden besproken. De nautische conclusies van het rapport luiden als volgt: “8.1 Nautical: • Positions could not have been plotted in any chart based on the chart datum on which the BA chart 1159 has been based, to such accuracy to be able to access whether the m.v. “Rochester Castle” has crossed the 10 meter contour line and has or has not touched the bottom / ran aground. • One of the conclusions of BMT was: Quote “We deem it highly likely that the vessel’s bow actually touched the bottom / ran aground on two occasions” Unquote. This is based on data far too precise for the chart it bas been plotted on. • No evidence bas been found that the vessel has actually touched the bottom, no such damages can be found in GL and / or Port state control records. Furthermore, on the voice recordings it can be heard that the captain and pilot conclude that the vessel had not touched bottom. • We deem that the vessel could not have been held stationary by 2 tugs pushing on the starboard beam alone and thus the portside anchor must have held at some point.” 2.8. In lijn met deze laatste stelling concluderen Glencore Grain c.s. op basis van een tijdlijn – door hen geconstrueerd aan de hand van AIS gegevens, de telegraafrecorder, de video-reconstructie van BMT en de VDR – dat de sleepboten niets anders hebben gedaan dan na 11.20 uur op het achterschip vastmaken, c.q. tegen het stuurboord achterschip duwen, waarmee het per definitie is uitgesloten dat de sleepboten een bijdrage hebben geleverd aan het voorkomen van het “driften” van het schip. Stroom en wind stonden op de kop van het schip. Trekken, c.q. duwen op het achterschip zou niet hebben voorkomen dat het schip afdreef wanneer het anker niet had gehouden. 2.9. Voor zover Navalmar alsnog zou willen betogen dat, ofschoon het bakboordanker hield, het schip niettemin in gevaar verkeerde en hulp van sleepboten noodzakelijk was, brengen Glencore Grain c.s. daar – kort gezegd – tegen in: - dat als gevolg van de discussies tussen de loods en de kapitein er van de kant van de Rochester Castle te lang niets is ondernomen en dat het schip “gierend” achter het bakboordanker aan dreef naar de stuurboordzijde van het vaarwater in de richting van ondiepten; - dat een en ander niets (meer) heeft te maken met het aanvankelijk technisch mankement, maar met een nieuwe situatie na 11.15 uur als gevolg van onzeemanschappelijk handelen/ manoeuvreren waardoor het schip alsnog in een gevaarsituatie dreigde terecht te komen; - dat bij de gebeurtenissen na 11.15 uur sprake is van een “actus novus interveniens” en dat gedaagden sub 2 t/m 6 zich slechts garant hebben gesteld voor de voldoening van een bijdrage in averij-grosse als gevolg van: “Casualty : Main Engine Breakdown”; - dat ten aanzien van de positie van het schip op de verschillende tijdstippen vergelijking van het rapport van BMT met de posities die aan boord van het schip zelf zijn bepaald en in de kaart gezet leert dat de door BMT gehanteerde posities te veel om de West zijn getekend, dat wil zeggen te dicht in de richting van de westelijke oever. De door het schip zelf aan de hand van GPS en/of richting plus afstand bepaalde posities zijn nauwkeuriger dan de door BMT gebruikte posities aan de hand van gereconstrueerde AIS gegevens. Dit houdt in, dat het door BMT gestelde “gevaar” overdreven is. Het schip bevond zich verder van enige ondiepte dan BMT wil doen geloven. 2.10. Naar het oordeel van de rechtbank is Navalmar door het overleggen van het BMT rapport en de video-reconstructie erin geslaagd te bewijzen dat sprake is geweest van gevaar, namelijk dat de ankers van de Rochester Castle het niet langer hielden en het schip aan het driften was in de richting van ondiepe wateren. Het rapport en de video-reconstructie zijn door Glencore Grain c.s. slechts op onderdelen gemotiveerd weersproken. Sterker nog, ook Glencore Grain c.s. ontlenen hun verweer voor een deel aan deze stukken. Zie de rechtsoverwegingen 2.8. en 2.9. hiervoor. 2.11. Dat in het scheepsdagboek van de Rochester Castle met geen woord over een krabbend anker, laat staan een gevaarsituatie, wordt gesproken kan op zichzelf juist zijn, maar dat legt tegenover het op verschillende bronnen gebaseerde rapport veel te weinig gewicht in de schaal. De hiervoor onder 2.7. weergegeven conclusies van CLM beschouwt de rechtbank als kanttekeningen en niet als gefundeerde kritiek op de uitkomsten van het BMT rapport en de video-reconstructie. Of een gedeelte van de Rochester Castle werkelijk de 10 meter diepte grens heeft overschreden en/of zij de bodem heeft geraakt is op zichzelf niet doorslaggevend. Voldoende overtuigend volgt immers uit het BMT rapport en de video-reconstructie dat met name het bakboordanker (uit het rapport blijkt niet dat het stuurboordanker op enig moment gehouden heeft) onvoldoende hield – aanvankelijk zelfs niet toen de eerste twee sleepboten assisteerden - en dat de Rochester Castle op zijn minst gevaarlijk dicht in de richting van de ondiepe wateren van de Bosporus aan het driften was, ook wanneer rekening wordt gehouden met de mogelijke juistheid van de stelling van Glencore Grain c.s. dat het schip zich in werkelijkheid minder dicht bij de ondiepere wateren heeft bevonden dan uit het rapport van BMT en de video-reconstructie blijkt. Dat verschil kan naar het inzicht van de rechtbank niet groot zijn, mede gelet op de waarschuwing van de verkeersbegeleiding en de vele alarmen die op de brug hoorbaar waren. 2.12. Door CMT is geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de analyse van BMT van het videofragment dat eerder in de procedure in het geding is gebracht (zie hiervoor onder 2.5.). Om die reden kan zij zich ook niet verschuilen achter het argument dat het videofragment (beelden uit een Turkse nieuwsuitzending) inmiddels niet meer op internet aanwezig zou zijn. 2.13. De rechtbank is het met Navalmar eens dat de nieuwe stelling van Glencore Grain c.s. over de “actus novus interveniens” tardief is. Het is in strijd met de beginselen van een goede procesorde om in een - nota bene reeds in 2012 aangespannen - procedure pas na afloop van de bewijslevering een nieuw verweer te voeren. 2.14. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor het aannemen van het in Rule VI onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.