Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/740582-17 Datum uitspraak: 12 juli 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, raadsman mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 28 juni 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E. Pols heeft gevorderd: bewezenverklaring van het tenlastegelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. 4Waardering van het bewijs Feiten 2, 3 en 4 4.1. Vrijspraak 4.1.1. Standpunt officier van justitie De feiten 2, 3 en 4 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden. Ook zonder de kennisgeving van inbeslagname waarin de SIN- en goednummers aan de wapens worden toegekend, kan een zogenaamde ‘chain of custody’ naar de uitkomst van het wapenonderzoek worden gemaakt. 4.1.2. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet kan worden vastgesteld dat de onderzochte wapens ook de wapens betreffen die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen. De kan te meer niet omdat de wapens die zijn onderzocht, volgens het proces-verbaal in beslag zijn genomen op 27 november 2017 en de doorzoeking waarbij wapens zijn aangetroffen op 23 november 2017 plaatsvond. 4.1.3. Conclusie Het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Feit 1 4.2. AIVD-ondersteuning in verband met een in beslag genomen telefoon 4.2.1. Standpunt van de verdediging De verdediging bepleit niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu sprake is van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook zijn de beginselen van een goede procesorde geschonden. Daarbij is niet alleen sprake van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak. Indien de rechtbank zou concluderen dat de belangen van de verdachte niet zijn geschaad, is ook sprake van schendingen die dermate ernstig zijn dat deze het wettelijk systeem en de eerlijkheid van het proces in de kern raken, zodat ook op die grond de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet volgen. De officier van justitie heeft immers de AIVD ingeschakeld om gegevens uit verdachtes telefoon te krijgen, met name WhatsApp-gesprekken, wetende dat de AIVD een geheimhoudingsplicht heeft, waardoor controle en toetsing niet mogelijk zijn. In het bijzonder kan geen onderzoek worden gedaan naar het “leegtrekken” van de telefoon door de AIVD. Het openbaar ministerie heeft om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten, doelbewust geen opsporingsbevoegdheden gebruikt en heeft daarbij het doel gehad om de door de AIVD vergaarde informatie in de strafzaak tegen de verdachte te kunnen gebruiken. De handelwijze van het openbaar ministerie wordt niet gelegitimeerd door art. 63 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002), nu het verzoek tot ondersteuning is gedaan en ingewilligd zonder tussenkomst van de minister als bedoeld in art. 58, derde lid, Wiv 2002. Subsidiair moet gelet op het voorgaande bewijsuitsluiting plaatsvinden ten aanzien van al het bewijsmateriaal dat afkomstig is uit de telefoon van de verdachte en van de verboden vruchten, te weten al het bewijs dat naar aanleiding van de bevindingen uit de telefoon is verkregen. 4.2.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat art. 63 Wiv 2002 aan de AIVD de bevoegdheid toekent voor het door de officier van justitie verzochte, en vervolgens verrichte onderzoek. Onbekend is waarom dit verzoek aan de AIVD is gedaan. In het dossier bevindt zich geen ministeriële toestemming. Dit betreft echter een interne toestemmingslijn tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en de AIVD, die geen deel uitmaakt van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv. De officier van justitie concludeert dat geen sprake is van een normschending als bedoeld in artikel 359a Sv. Het openbaar ministerie is reeds daarom ontvankelijk in de vervolging en de gegevens uit de telefoon van de verdachte [naam verdachte] en het naar aanleiding van die gegevens vergaarde bewijs, dienen niet te worden uitgesloten van het bewijs. 4.2.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat art. 359a Sv ziet op normschendingen in het kader van de opsporing. Artikel 359a Sv vindt geen toepassing bij AIVD-onderzoek, dat plaatsvindt buiten de verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie. Dit neemt niet weg dat onder omstandigheden de resultaten van door de AIVD ingesteld onderzoek niet als bewijs mogen worden gebruikt. Dit speelt bijvoorbeeld in het bijzondere geval dat doelbewust en om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten, geen opsporingsbevoegdheden zijn gebruikt om door de AIVD vergaarde informatie te kunnen gebruiken (vgl. HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122). Art. 63, eerste lid, Wiv 2002, zoals dat gold ten tijde van het verzoek, bepaalt dat de diensten bevoegd zijn op schriftelijk verzoek van het daartoe bevoegde gezag technische ondersteuning te verlenen aan de met opsporing van strafbare feiten belaste instanties. Art. 58, derde lid, Wiv 2002 is van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit artikel bepaalt dat een verzoek wordt ondertekend door de betrokken minister en een nauwkeurige omschrijving omvat van de verlangde werkzaamheden. Voorts is bepaald dat die minister verantwoordelijk is voor de feitelijke uitvoering van die werkzaamheden. Onder de dienst wordt, ingevolge art. 1 Wiv 2002 onder meer de AIVD verstaan. Hiervoor is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de betrokken minister. De rechtbank overweegt hierbij dat art. 95, eerste lid, Wiv 2017 hierover inmiddels zelf regels bevat. Uit de wetshistorie blijkt dat de regering zo bestaande onduidelijkheid wil wegnemen. De onduidelijkheid bestond daaruit, dat de schakelconstructie bij verzoeken van het bevoegd gezag (het openbaar ministerie) in de praktijk misverstanden/vragen opriep: gold de ministeriële ondertekeningseis daadwerkelijk voor verzoeken op grond van art. 63, eerste lid, Wiv 2002? En kon de ondertekening worden gemandateerd of plaatsvinden door het openbaar ministerie (Kamerstukken II 2016/17, 34 588, nr. 3, p. 169; idem 2005/06, 30 553, nr. 3, p. 34)? De wetsgeschiedenis van art. 58 en 63 Wiv 2002 geeft over deze vragen geen duidelijkheid. In het dossier zit een brief van de officier van justitie, zijnde het bevoegd gezag, aan de AIVD, waarin zij met een beroep op art. 63 Wiv 2002 verzoekt de benodigde ondersteuning te bieden aan het politieteam bij het met het oog op de waarheidsvinding uitlezen van een in beslag genomen telefoon. Een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondertekend verzoek zit niet in het dossier. Wel zit in het dossier een proces-verbaal van de politie ( [nummer proces verbaal 1] ), waarin staat dat de telefoon met technische bijstand van de AIVD werd geopend en dat vervolgens met toestemming van de officier van justitie een onderzoek werd ingesteld in de telefoon, alsook een proces-verbaal van de politie ( [nummer proces verbaal 2] ), waarin staat dat uit onderzoek van de uitgelezen iPhone bleek dat WhatsApp-gesprekken waren opgeslagen. De politie relateert vervolgens de bevindingen over de WhatsApp-groep en die gesprekken. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van ministeriële ondertekening, indien al noodzakelijk, geen verzuim is dat is begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek. Die ondertekening betreft de verhouding tussen de AIVD en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die is betrokken bij de AIVD en verantwoordelijk is voor AIVD-werk, maar niet voor de opsporing van - kort gezegd - strafbare feiten. Dit valt dus buiten de verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie. Voor zover de WhatsApp-informatie al is vergaard door de AIVD en niet door de politie zelf, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de officier van justitie doelbewust om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten geen opsporingsbevoegdheden heeft gebruikt om die informatie te ontsluiten en te kunnen gebruiken. De reden voor het verzoek aan de AIVD is onbekend. Het dossier, met name de enkele weergave van de WhatsApp-groep en -gesprekken, duidt daarop ook niet. Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Het bijzondere geval waarin de resultaten van het alsdan door de AIVD ingestelde onderzoek niet tot het bewijs mogen worden gebruikt, doet zich gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet voor. De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van enige schending van beginselen van een goede procesorde. De rechtbank verwerpt hierom het verweer in al zijn onderdelen. 4.3. Bewijswaardering 4.3.1. Beoordeling Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan. De door de verdediging aangevoerde verweren hebben betrekking op niet gebruikte bewijsmiddelen en zullen om die reden onbesproken blijven. Omdat de rechtbank het ambtsbericht van de AIVD niet voor het bewijs gebruikt, komt zij aan het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek niet toe. De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring uit van het geldbedrag zoals dit is aangetroffen in de Opel Insignia en in de woning van de verdachte, te weten € 312.042,83. Voor het overige bedrag is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 22 november 2017 te [plaats delict] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ineen woning, gelegen aan de [adres delict] heeft weggenomen - een (groot) geldbedrag van totaal 312.042,83 euro en - een portemonnee en - twee ringen (merk Buddha to Buddha) en - één of meer cadeaubon(nen) en of document(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.