Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/740580-17 Datum uitspraak: 12 juli 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. D.J. Troost, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 28 juni 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E. Pols heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van het voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. AIVD-ondersteuning in verband met een in beslag genomen telefoon 4.1.1. Standpunt van de verdediging De verdediging bepleit bewijsuitsluiting. De officier van justitie heeft de AIVD ingeschakeld om gegevens uit de telefoon van een medeverdachte te krijgen, met name WhatsApp-gesprekken. Om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten, zijn doelbewust geen opsporingsbevoegdheden gebruikt om zo door de AIVD vergaarde informatie te kunnen gebruiken. Dit wordt niet gelegitimeerd door art. 63 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002), want er is geen toestemming van de minister als bedoeld in art. 58, derde lid, Wiv 2002. 4.1.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat art. 63 Wiv 2002 aan de AIVD de bevoegdheid toekent voor het door de officier van justitie verzochte, en vervolgens verrichte onderzoek. Onbekend is waarom dit verzoek aan de AIVD is gedaan. In het dossier bevindt zich geen ministeriële toestemming. Dit betreft echter een interne toestemmingslijn tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en de AIVD, die geen deel uitmaakt van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv. De officier van justitie concludeert dat geen sprake is van een normschending als bedoeld in artikel 359a Sv. Het openbaar ministerie is reeds daarom ontvankelijk in de vervolging en de gegevens uit de telefoon van de verdachte [naam medeverdachte 1] en het naar aanleiding van die gegevens vergaarde bewijs, dienen niet te worden uitgesloten van het bewijs. 4.1.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat art. 359a Sv ziet op normschendingen in het kader van de opsporing. Artikel 359a Sv vindt geen toepassing bij AIVD-onderzoek, dat plaatsvindt buiten de verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie. Dit neemt niet weg dat onder omstandigheden de resultaten van door de AIVD ingesteld onderzoek niet als bewijs mogen worden gebruikt. Dit speelt bijvoorbeeld in het bijzondere geval dat doelbewust en om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten, geen opsporingsbevoegdheden zijn gebruikt om door de AIVD vergaarde informatie te kunnen gebruiken (vgl. HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122). Art. 63, eerste lid, Wiv 2002, dat gold ten tijde van het verzoek, bepaalt dat de diensten bevoegd zijn op schriftelijk verzoek van het daartoe bevoegde gezag technische ondersteuning te verlenen aan de met opsporing van strafbare feiten belaste instanties. Art. 58, derde lid, Wiv 2002 is van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit artikel bepaalt dat een verzoek wordt ondertekend door de betrokken minister en een nauwkeurige omschrijving omvat van de verlangde werkzaamheden. Voorts is bepaald dat die minister verantwoordelijk is voor de feitelijke uitvoering van die werkzaamheden. Onder de dienst wordt, ingevolge art. 1 Wiv 2002 onder meer de AIVD verstaan. Hiervoor is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de betrokken minister. De rechtbank overweegt hierbij dat art. 95, eerste lid, Wiv 2017 hierover inmiddels zelf regels bevat. Uit de wetshistorie blijkt dat de regering zo bestaande onduidelijkheid wil wegnemen. De onduidelijkheid bestond daaruit, dat de schakelconstructie bij verzoeken van het bevoegd gezag (het openbaar ministerie) in de praktijk misverstanden/vragen opriep: gold de ministeriële ondertekeningseis daadwerkelijk voor verzoeken op grond van art. 63, eerste lid, Wiv 2002? En kon de ondertekening worden gemandateerd of plaatsvinden door het openbaar ministerie (Kamerstukken II 2016/17, 34 588, nr. 3, p. 169; idem 2005/06, 30 553, nr. 3, p. 34)? De wetsgeschiedenis van art. 58 en 63 Wiv 2002 geeft over deze vragen geen duidelijkheid. In het dossier zit een brief van de officier van justitie, zijnde het bevoegd gezag, aan de AIVD, waarin zij met een beroep op art. 63 Wiv 2002 verzoekt de benodigde ondersteuning te bieden aan het politieteam bij het met het oog op de waarheidsvinding uitlezen van een in beslag genomen telefoon. Een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondertekend verzoek zit niet in het dossier. Wel zit in het dossier een proces-verbaal van de politie ( [nummer proces verbaal 1] ), waarin staat dat de telefoon met technische bijstand van de AIVD werd geopend en dat vervolgens met toestemming van de officier van justitie een onderzoek werd ingesteld in de telefoon, alsook een proces-verbaal van de politie ( [nummer proces verbaal 2] ), waarin staat dat uit onderzoek van de uitgelezen iPhone bleek dat WhatsApp-gesprekken waren opgeslagen. De politie relateert vervolgens de bevindingen over de WhatsApp-groep en die gesprekken. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van ministeriële ondertekening, indien al noodzakelijk, geen verzuim is dat is begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek. Die ondertekening betreft de verhouding tussen de AIVD en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die is betrokken bij de AIVD en verantwoordelijk is voor AIVD-werk, maar niet voor de opsporing van - kort gezegd - strafbare feiten . Dit valt dus buiten de verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie. Voor zover de WhatsApp-informatie al is vergaard door de AIVD en niet door de politie zelf, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de officier van justitie doelbewust om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten geen opsporingsbevoegdheden heeft gebruikt om die informatie te kunnen gebruiken. De reden voor het verzoek aan de AIVD is onbekend. Het dossier, met name de enkele weergave van de WhatsApp-groep en -gesprekken, duidt daarop ook niet. Het bijzondere geval dat de resultaten van het alsdan door de AIVD ingestelde onderzoek niet tot het bewijs mogen worden gebruikt, doet zich gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet voor. De rechtbank verwerpt hierom het verweer. 4.2. Bewijswaardering 4.2.1. Beoordeling Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De door de verdediging gevoerde verweren hebben betrekking op de overige, niet gebruikte, bewijsmiddelen of worden al weerlegd door de bewijsmiddelen.. Deze zullen om die reden onbesproken blijven. Omdat de rechtbank het ambtsbericht van de AIVD niet voor het bewijs gebruikt, komt zij aan het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek niet toe. De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring uit van het geldbedrag zoals dit is aangetroffen in de [autotype 1] en in de woning van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , te weten € 312.042,83. Voor het overige bedrag is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. 4.2.2. Conclusie 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 22 november 2017 te [plaats delict] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ineen woning, gelegen aan de [adres delict] heeft weggenomen - een (groot) geldbedrag van totaal 312.042,83 euro en - een portemonnee en - twee ringen (merk Buddha to Buddha) en - één of meer cadeaubon(nen) en of document(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.