Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 96/062844-17 Datum uitspraak: 1 februari 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , gemachtigd raadsman mr. M.G. van Wijk, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 juli 2017 – zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – en van 18 januari 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. A. Damen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Vaststaande feiten Op 2 april 2017 omstreeks 02:25 u zien verbalisanten de verdachte een auto besturen op de rijksweg A16 te Dordrecht. Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet gegeven voorschriften geven de verbalisanten de verdachte een stopteken en stellen zij een onderzoek in. Tijdens dit onderzoek blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard. De verdachte wordt om 02:40 u aangehouden en hem wordt medegedeeld dat hij recht heeft op consultatie- en verhoorbijstand voor eigen rekening. De verdachte doet afstand van die rechten en legt vervolgens een bekennende verklaring – namelijk dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard – af. 4.1.2. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de verklaring die de verdachte na zijn aanhouding heeft afgelegd van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Het onherstelbare verzuim zou er uit bestaan dat de verdachte bij zijn aanhouding niet is gewezen op zijn recht op kosteloze rechtsbijstand, wat in strijd is met artikel 3 lid 1 van de richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (pbEU L 142). De raadsman wijst voorts op het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:968), waarin volgens hem in een vergelijkbare casus is geoordeeld dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim. Gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, dient bewijsuitsluiting te volgen. Gevolg hiervan is dat de verdachte moet worden vrijgesproken. 4.1.3. Beoordeling In artikel 27c, leden 1 en 2 Sv wordt met ingang van 1 januari 2015 voorgeschreven dat aan verdachten mededeling gedaan wordt van “het recht op rechtsbijstand”. Sinds 1 maart 2017 is in artikel 28b Sv geregeld in welke situaties – voor aangehouden verdachten – de rechtsbijstand door de overheid wordt ingeschakeld en dus ook van overheidswege wordt betaald. Allereest gebeurt dat als sprake is van kwetsbare verdachten, ongeacht aard en ernst van het strafbare feit. Dan wordt namelijk via de raad voor rechtsbijstand een raadsman ingeschakeld (art. 28b lid 1 Sv). Als geen sprake is van een kwetsbare verdachte – overigens is gesteld noch gebleken dat de verdachte onder deze categorie valt – wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën strafbare feiten, zoals dat ook het geval was in de situatie vóór 1 maart 2017 onder de werking van de Aanwijzing rechtsbijstand. Als sprake is van aanhouding op verdenking van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld, wordt melding gemaakt aan de raad voor de rechtsbijstand die dan een raadsman aanwijst (lid 1), en als sprake is van verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten wordt die melding gedaan als de verdachte desgevraagd rechtsbijstand wenst (lid 2). In die gevallen is sprake van kosteloze rechtsbijstand, uiteraard tenzij de verdachte de voorkeur geeft aan een door hem gekozen raadsman. In het derde lid van art 28b Sv wordt bepaald dat, als de verdachte is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten en hij desgevraagd rechtsbijstand wenst, hij in de gelegenheid wordt gesteld contact op te nemen met een door hem gekozen raadsman. Een gekozen raadsman is voor eigen rekening. In de memorie van Toelichting wordt uitdrukkelijk aangegeven dat bij aanhouding voor feiten waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten de verleende rechtsbijstand voor rekening van de verdachte is en dat Richtlijn nr. 2013/48/EU betrekking heeft op het recht op toegang tot een raadsman en nadrukkelijk niet gaat over het recht op gefinancierde rechtsbijstand. De verdachte is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat betekent dat hij volgens de geldende (nationale) wetgeving geen recht had op kosteloze rechtsbijstand. Het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2017 maakt dat niet anders. In die zaak was – anders dan in de onderhavige zaak – naast een verdenking van overtreding van artikel 9 lid 2 (en 8) van de Wegenverkeerswet ook sprake van verdenking van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet. Aangezien artikel 2 van de Opiumwet een feit betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, was op grond van de destijds geldende Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor sprake van een situatie waar kosteloze rechtsbijstand de norm was en was de mededeling dat rechtsbijstand voor eigen rekening was onjuist. Ter zitting heeft de raadsman nog aangevoerd dat op basis van artikel 3, eerste lid, onder a en b van Richtlijn nr. 2012/13/EU iedere (en dus ook deze) verdachte het recht heeft op kosteloze rechtsbijstand. Omdat die bepaling onjuist is geïmplementeerd, kan de verdachte een direct beroep daarop doen, aldus de raadsman. Hiermee geeft de raadsman een verkeerde lezing van artikel 3, eerste lid, van die richtlijn. Daarin staat immers slechts dat lidstaten er op toe zien dat verdachten onverwijld informatie krijgen verstrekt over de procedurele rechten, zoals deze van toepassing zijn op grond van het nationale recht, over onder andere:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.