Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/217731-17 Datum uitspraak: 13 juli 2018 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in PI Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2018. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. H. van Wijk heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering 4.2.1. Inleiding (vaststaande feiten) Op 30 oktober 2017 heeft de politie – naar aanleiding van een melding van de parkbeheerder over de mogelijke aanwezigheid van een drugslaboratorium – een onderzoek ingesteld in een vakantiewoning aan de [adres delict] op het vakantiepark [naam vakantiepark] te Oostvoorne. Bij dit onderzoek is een inwerking zijnd drugslaboratorium (naar later blijkt gaat het om een zogenaamde cocaïnewasserij) aangetroffen. Dit vakantiehuisje is in gebruik bij de medeverdachte [naam medeverdachte 1] . In het vakantiehuisje is bij de doorzoeking een groot aantal tonnen, vaten en jerrycans alsmede overige materialen, zoals een pers, liters chemicaliën, versnijdingsmiddelen en verdovende middelen aangetroffen. In en rondom het vakantiehuisje hing een penetrante chemische lucht. De verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 2] bevonden zich op het moment dat de politie arriveerde in het vakantiehuisje. De medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] bevonden zich buiten het vakantiehuisje op het moment dat ze werden aangehouden. 4.2.2 Standpunt verdediging De verdachte heeft bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij in het vakantiehuisje was om hand- en spandiensten te verrichten. De verdachte heeft verklaard benaderd te zijn om in het huisje op te ruimen en om met spullen te sjouwen. Voorts heeft de verdachte ter zitting verklaard maar twee keer in het vakantiehuisje te zijn geweest en geeft hij aan een andere Spaanstalige man en twee Nederlandse mannen te hebben gezien. Bij de politie heeft de verdachte verklaard te hebben geweten dat in het vakantiehuisje drugs werd verwerkt. Ter zitting heeft de verdachte echter verklaard niet te hebben geweten wat er gaande was of dat het om drugs ging. Hij benadrukte daarbij dat hem uitsluitend was opgedragen om op te ruimen en schoon te maken en dat hij verder van niks wist. De verdediging heeft vrijspraak van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten bepleit. Volgens de verdediging is er geen bewijs dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat er in het vakantiehuisje verdovende middelen werden bewerkt aangezien hij de taal niet machtig is en hem uitsluitend is gevraagd op te ruimen en/of schoon te maken. Voorts kan niet worden bewezen van welke hoeveelheid verdovende middelen de verdachte wetenschap moet hebben gehad nu niet blijkt wat precies waar is gevonden. De verdediging heeft bepleit dat er hoogstens een veroordeling kan plaatsvinden voor het verrichten van wat hand- en spandiensten in een beperkte periode. 4.3.1 Beoordeling Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevond zich op 30 oktober 2017 in een vakantiehuisje aan de [adres delict] op het [naam vakantiepark] , een in werking zijnd drugslaboratorium. Er is naar de aangetroffen materialen onderzoek gedaan door het LFO en door het NFI. De door de politie aangetroffen middelen ten aanzien waarvan het vermoeden bestond dat dit verdovende middelen betrof, zijn bemonsterd en naar het NFI gestuurd. De kennisgevingen van inbeslagname zijn ter zitting door de officier van justitie overgelegd. De rest van de materialen zijn bij de ontmanteling van het laboratorium door het LFO onderzocht. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze door de officier van justitie ter zitting toegelichte gang van zaken te twijfelen. Uit onderzoeken van het NFI en het LFO is komen vast te staan dat de aangetroffen chemicaliën, afvalstoffen, producten en apparatuur zijn terug te voeren tot een proces van terugwinnen van cocaïne uit dragermateriaal en het verwerken van de aldus verkregen cocaïne en het persen daarvan in blokken. Uit de onderzoeken van het NFI en het LFO is voorts gebleken dat diverse genomen monsters cocaïne bevatten. Dat er sprake is geweest van een in werking zijnde zogenaamde cocaïnewasserij staat volgens de rechtbank, gelet op alle overige aangetroffen goederen, buiten iedere twijfel vast. Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat de verdachte zich op de dag van zijn aanhouding in het vakantiehuisje bevond, waar een in werking zijnd drugslaboratorium ingericht was. De verklaring van de verdachte dat hij slechts in het vakantiehuisje aanwezig was in verband met het verrichten van opruimwerkzaamheden, wordt door de rechtbank als ongeloofwaardig beoordeeld. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Als gezegd heeft de verdachte bij de politie verklaard op te hoogte te zijn geweest van het feit dat er drugs werden bewerkt in het vakantiehuisje. Dit kan ook nauwelijks anders gelet op de wijze waarop de daarvoor benodigde materialen in het kleine huisje zijn aangetroffen en de geur die er hing. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan verdachtes verklaring ter terechtzitting dat hij hier niet van af wist en dat zijn verklaring als gevolg van een misverstand met de tolk mogelijk foutief in het verhoor bij de politie is weergegeven. De verklaring van de verdachte dat hij in ieder geval twee opvolgende dagen in het vakantiehuisje is geweest wordt bovendien bevestigd door de medeverdachte [naam medeverdachte 2] . Deze heeft verklaard dat hij in het huisje alleen contact met de verdachte had en dat deze soms eten ging halen. Tevens heeft deze [naam medeverdachte 2] verklaard te zijn opgehaald door de verdachte op het moment dat hij in Nederland aan is gekomen en dat hij door hem (en een Nederlandse man) naar het vakantiehuisje is gebracht. In het vakantiehuisje zijn voorts handschoenen aangetroffen waarop DNA-sporen van de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 2] zijn gevonden. Deze bevindingen passen goed bij de betrokkenheid van de verdachte bij het proces dat gaande was in het vakantiehuisje en zijn verklaring dat hij deze handschoenen heeft gebruikt bij het verzamelen van vuilnis en het opruimen van het vakantiehuisje, wordt dan ook onaannemelijk geacht. Voorts merkt de rechtbank nog op dat uit de telefoons waarvan is vastgesteld dat zij bij de verdachte in gebruik waren, blijkt dat deze gedurende een langere periode zendmasten in de buurt van het vakantiehuisje (Oostvoorne) hebben aangestraald. Door deze vaststelling hecht de rechtbank geen geloof aan de verklaring dat hij maar twee keer bij het vakantiehuisje is geweest. De rechtbank overweegt met betrekking tot haar overtuiging tot slot nog als volgt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in het vakantiehuisje op het moment van de politie inval ongeveer 10 kilo cocaïne aanwezig was. Een dergelijk hoeveelheid cocaïne heeft een waarde van tussen een kwart en een half miljoen euro. Het is niet voorstelbaar dat een persoon of een organisatie verdovende middelen met een dergelijke waarde ongericht op transport zet zonder dat ten minste is nagedacht waar, bij wie en door wie de cocaïne uit het dragermateriaal wordt teruggewonnen. De rechtbank acht het volstrekt onwaarschijnlijk dat de verdachte door een hem onbekende naar deze plek zou worden gebracht, zonder wetenschap van en betrokkenheid bij hetgeen daar gaande was. 4.3.2 Conclusie Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wel degelijk actief betrokken is geweest bij de aangetroffen cocaïnewasserij en nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt en zal de verdachte worden veroordeeld ter zake van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in de periode van 01 oktober 2017 tot en met 30 oktober 2017 te Oostvoorne, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij op 30 oktober 2017 te Oostvoorne, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk, bereiden, bewerken, verwerken, van een of meer (grote) hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 1277,1 gram Levamisol en/of 278,6 gram Calcium, althans een of meer (grote) hoeveelheden versnijdingsmiddelen en/of chemicaliën, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.