RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 6447463 CV EXPL 17-38484 Uitspraak: 21 september 2018 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser] , wonende te [plaatsnaam], eiser bij exploot van dagvaarding van 26 oktober 2017, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie, gemachtigde: mr. M. Shaaban te Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [plaatsnaam], gedaagde, eiser in (voorwaardelijke) reconventie, gemachtigde: mr. M.A. van Beek te Rotterdam. Partijen worden hierna verder aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken: de dagvaarding, met producties; de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties; de conclusie van repliek tevens akte vermeerdering van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met productie; de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie; de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie, met producties; de akte van [gedaagde]; het vonnis van 6 juli 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; het proces-verbaal van de op 28 augustus 2018 gehouden comparitie van partijen. 1.2 De datum van de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter op heden bepaald. 2De vaststaande feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld danwel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend danwel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden: 2.1 Op 3 juni 2014 heeft er in Rotterdam een geweldsincident plaatsgevonden waarbij [eiser] en [gedaagde] waren betrokken. 2.2 Bij vonnis van 4 september 2015 heeft de politierechter van deze rechtbank [gedaagde] voor zijn aandeel in dat incident veroordeeld wegens mishandeling, waarbij aan hem een gevangenisstraf voor de duur van één dag, een taakstraf voor de duur van 80 uur en een schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 250,- ter zake van materiële schade is opgelegd. 2.3 Genoemd vonnis is in kracht van gewijsde gegaan en [gedaagde] heeft aan de hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel voldaan. 3Het geschil 3.1 [eiser] heeft (na vermeerdering van eis) -in conventie- gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te verklaren voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dientengevolge aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van deze onrechtmatige daad, [gedaagde] te veroordelen ter zake van misgelopen inkomsten aan [eiser], te voldoen een bedrag van € 8.276,94, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2014, [gedaagde] te veroordelen ter zake van de vergoeding voor huishoudelijke hulp aan [eiser], te voldoen een bedrag van € 1.820,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2014, en [gedaagde] te veroordelen ter zake van smartengeld aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 1.500,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2014, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. 3.2 Ter toelichting op die vordering heeft [eiser] -samengevat en voor zover van belang- aangevoerd dat hij op 3 juni 2014 slachtoffer is geworden van mishandeling door [gedaagde], die ter zake ook strafrechtelijk is veroordeeld. Die strafrechtelijke veroordeling maakt dat er sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [eiser] zodat [gedaagde] op de voet van artikel 6:162 BW ook gehouden is [eiser] de schade die hij hierdoor heeft geleden te vergoeden. Die schade bestaat onder meer uit de inkomsten die [eiser] is misgelopen doordat een arbeidsovereenkomst die hij met [werkgever] voor de duur van zes maanden zou sluiten zodra hij zijn verblijfspapieren zou hebben ontvangen, geen doorgang heeft gevonden. Dit betreft een totaalbedrag van € 8.276,94 (netto). Verder is het zo dat [eiser], die vóór het incident 75% van het huishouden en van de verzorging van de kinderen voor zijn rekening nam, gegeven dat zijn vrouw fulltime werkzaam was, die taken gedurende zijn revalidatie niet heeft kunnen uitvoeren. Noodgedwongen heeft de vrouw van [eiser] deze taken op zich genomen. Naar vaste jurisprudentie is het redelijk daarvoor een vergoeding toe te kennen, door [eiser] overeenkomstig de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp berekend op € 140,- per week maal de dertien weken dat zijn herstel heeft geduurd, derhalve € 1.820,-. Tot slot acht [eiser] ook een vergoeding wegens immateriële schade -smartengeld- op zijn plaats, nu hij door het opgelopen letsel op veel gebieden volledig afhankelijk is geworden van de hulp van zijn vrouw en anderen, hij niet lang kan lopen of autorijden, waardoor hij sterk is beperkt in zijn mogelijkheden van vrijetijdsbesteding, en hij erg depressief is geraakt en angstig is over straat te lopen. 3.3 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het door [eiser] gevorderde, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de proceskosten alsook in de nakosten. Ook heeft [gedaagde] een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld, in die zin dat voor het geval aan [eiser] in conventie een vergoeding wegens immateriële schade wordt toegekend, hij in reconventie vordert [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 500,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan die van de algehele voldoening, en van een bedrag van € 75,- aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure alsook in de nakosten. 3.4 Op hetgeen [gedaagde] ter onderbouwing van zijn voorwaardelijke tegenvordering te berde heeft gebracht alsook op hetgeen partijen overigens ter adstructie van de eigen vordering danwel ter afwering van die van de ander hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang, teruggekomen. 4De beoordeling in conventie 4.1 Partijen hebben ieder onder verwijzing naar de overgelegde stukken een andere lezing gepresenteerd van wat zich op 3 juni 2014 heeft afgespeeld. Volgens [eiser] zat hij die dag als passagier in een auto toen [gedaagde] met zijn auto een verkeersovertreding beging ten opzichte van de auto waarin [eiser] zat, heeft [gedaagde] vervolgens irritant gedrag vertoond door herhaaldelijk zijn middelvinger op te steken in de richting van de auto waarin [eiser] zat en die achter [gedaagde] aanreed omdat de bestuurder daarvan (de heer [T.]) van [gedaagde] wilde weten waarom hij dit gedrag vertoonde, is [eiser] toen de auto van [gedaagde] was gestopt, uitgestapt om ‘de boel te sussen’ maar kwam [gedaagde] op hem afgelopen met een honkbalknuppel en heeft hij [eiser] daarmee ook geslagen, waarop [eiser], die zich bedreigd voelde, twee stenen heeft opgepakt. 4.2 [gedaagde] heeft betwist dat hij genoemd irritant verdrag heeft vertoond. Hij draaide op de bewuste plek de weg op toen dat hem mogelijk leek en op dat moment kwam de auto waarin [eiser] zat met een veel te hoge snelheid aanrijden. Daarop heeft een achtervolging plaatsgevonden waarbij [eiser] hangende in het portier van de rijdende auto waarin hij zat, een velgsleutel in de richting van de auto van [gedaagde] heeft gegooid. Toen [gedaagde] zijn auto op een woonerf had stilgezet, sprong [eiser] uit de auto en heeft hij twee stenen opgepakt en die richting [gedaagde] gegooid, waarop [gedaagde], die zich erg bedreigd voelde, naar binnen is gegaan om een honkbalknuppel te pakken, waarmee hij [eiser] vervolgens twee keer heeft geslagen, aldus [gedaagde]. 4.3 Eén en ander maakt dat voor de kantonrechter thans niet vaststaat wat er werkelijk is gebeurd op 3 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.