← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2018:9413

Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 25 september 2018 [naam 1] , [adres] [woonplaats] verzoekster. 1De procedure Verzoekster heeft op 2 augustus 2018 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 18 september

  1. Mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Avres (hierna te noemen schuldhulpverlening en de heer [naam 3] , werkzaam bij Verkerk en Vos bewindvoeringen, beschermingsbewindvoerder van verzoekster, zijn gehoord. Verzoekster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. 2De feiten Verzoekster ontvangt inkomsten uit een participatiewet – uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 10.478,
  2. 3De beoordeling Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Verzoekster heeft schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoekster op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij niet in staat zou zijn om deze te betalen. Het betreft hier een schuld aan [bedrijf] van € 645,95 (ontstaan in 2014), een schuld aan NTI van € 562,80 (ontstaan op 21 april 2014), een schuld van € 298,59 aan Wehkamp (ontstaan op 18 augustus 2015), een schuld van € 581,48 aan ABN AMRO Bank N.V. (ontstaan op 13 mei 2016), een drietal schulden aan Segoria van in totaal € 244,96 (allen ontstaan in 2016) en een schuld van € 713,12 aan Tele2 (ontstaan op 8 november 2016). Alleen al de omstandigheid dat verzoekster sinds 2010 een schuld van € 3.389,72 aan DUO onbetaald heeft gelaten, had haar ervan behoren te weerhouden deze schulden aan te gaan. Dit leidt tot het oordeel dat de betreffende schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Verzoekster heeft voorts een schuld bij het CJIB van € 131,00 ontstaan op 13 april
  3. Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan. Voormelde schulden staan aan toelating in de weg. Feiten of omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. Verzoekster zelf heeft ter zake niets naar voren gebracht; zij is immers niet ter terechtzitting verschenen. Dit klemt temeer nu ondanks het feit dat sinds 9 februari 2015 sprake is van beschermingsbewind, nadien nog 10 (van de 14) schulden zijn ontstaan. Het betreft vooral schulden die duiden op overbesteding. Weliswaar kunnen ingevolge artikel 1:440 van het Burgerlijk Wetboek (BW) schulden, die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 1:438, tweede lid BW verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, niet op de onder bewind staande goederen worden verhaald, maar de beschermingsbewindvoerder heeft desgevraagd tot op heden jegens geen van de betreffende schuldeisers een beroep gedaan op deze bepaling. Ter terechtzitting is niet gesteld of gebleken dat de beschermingsbewindvoerder alsnog actie zal ondernemen op dit punt. Volgens de beschermingsbewindvoerder is verzoekster erg impulsief en loopt hij als beschermingsbewindvoerder vaak achter de feiten aan. Ook de CJIB schuld is na het instellen van het beschermingsbewind is ontstaan. Een en ander leidt tot het oordeel dat op dit moment onvoldoende is gebleken dat ten aanzien van verzoekster sprake is van een (persoonlijke) ontwikkeling waaruit blijkt dat zij greep heeft gekregen op de omstandigheden die haar in financiële problemen hebben gebracht. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden. 4De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van J. Hillen-Huizer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 september
  4. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.