Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/965060-18 (UTL-12018020047) Datum uitspraak: 8 november 2018 Uitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten tot uitlevering van: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ), zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel, verder te noemen: de opgeëiste persoon. 1Procedure De autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) hebben bij geschrift van 11 juli 2018 aan het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon gedaan en stukken daartoe overgelegd. De minister van Justitie en Veiligheid heeft bij brief van 19 juli 2018 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen. De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering 31 juli 2018, op dezelfde datum ter griffie ontvangen, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht. Op 25 oktober 2018 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord: - de officier van justitie, mr. H.J.J. Talsma; - de opgeëiste persoon, bijgestaan door de tolk mevrouw K.van Wezel, alsmede zijn raadsvrouw, mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw hebben zich tegen de verzochte uitlevering verzet, subsidiair verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie nadere informatie bij de VS op te kunnen laten vragen en meer subsidiair verzocht bij toewijzing van het verzoek de minister te adviseren niet tot uitlevering over te gaan. 2Verzoek De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het feit omschreven in het verzoek tot uitlevering van de autoriteiten van de VS d.d. 11 juli 2018 onder dossiernummer 047/18. Het omschreven feit ziet op samenzwering met betrekking tot witwassen. Van dit verzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht. 3Toepasselijk verdrag en wetsartikelen Van toepassing zijn: - het uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika (trb. 1980, 111), zoals herzien in het Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie inzake de toepassing van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 2004, nr. 299) (hierna: het Verdrag). Verwijzingen in deze uitspraak naar artikelen bij dit Verdrag zijn verwijzingen naar artikelen uit de bijlage bij voornoemd instrument, bevattende de integrale tekst van het Verdrag; - de artikelen 47, 48, 49, 140, 420bis, 420ter en 420quater Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr); - de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet (hierna: UW). 4Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring. 5Beoordeling en bespreking van de verweren 5.1. Genoegzaamheid stukken 5.1.1. Standpunt verdediging De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat een volledig beeld van de thans lopende verdenkingen tegen de opgeëiste persoon ontbreekt. Het indictment (tenlastelegging) zelf is niet aanwezig. Er is discrepantie tussen de beëdigde verklaringen en de mail met informatie die verstrekt is over hoe vaak de opgeëiste persoon in contact is geweest met de undercover officer. In strijd met artikel 9 lid 3 onder b van het Verdrag ontbreekt het bewijsmateriaal dat de aanhouding zou rechtvaardigen. De raadsvrouw verzoekt de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de stukken aan te vullen. 5.1.2. Oordeel rechtbank Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Het Verdrag eist in geval van vervolgingsuitlevering dat wordt overgelegd “het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte staat, de aanhouding en de dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen, indien het feit in die staat zou zijn gepleegd” (artikel 9 lid 3 onder b Verdrag). Aan deze eis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn (HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949). Dat bewijsmateriaal kan onder andere al blijken uit een affidavit (beëdigde verklaring) waarin het verloop en het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek wordt gerelateerd (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1571). De bewijsmiddelen waarop het affidavit is gebaseerd hoeven daarbij niet te worden overgelegd (HR 1 juli 1986, NJ 1987/218). De rechtbank is van oordeel dat de stukken voldoen aan de eisen van artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag. Uit de overgelegde stukken blijkt voldoende waarvan de opgeëiste persoon verdacht wordt en waarop die verdenking is gebaseerd. Dat de door de raadsvrouw genoemde stukken hier ontbreken doet daar niet aan af. De rechtbank acht deze aanvullende stukken niet nodig voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek en zal aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek afwijzen. 5.2. Specialiteitsbeginsel 5.2.1. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de verdenking conspiracy te veel ruimte open laat om op een later moment nieuwe feiten toe te voegen. Er zouden, volgens de raadsvrouw, ook daadwerkelijk aanwijzingen zijn dat er andere verdenkingen tegen de opgeëiste persoon lopen dan waarvoor de uitlevering is gevraagd. De opgeëiste persoon wordt door de VS beschouwd als een key financial facilitator en iemand die betrokken is bij internationale witwas- en drugssmokkelorganisatie. In het affidavit wordt echter maar één feitelijke transactie in december 2014 genoemd. Daarnaast blijkt uit een nog lopende strafzaak in Nederland dat de autoriteiten in de VS de opgeëiste persoon van meer verdenken dan in het uitleveringsverzoek is weergegeven. Die Nederlandse strafzaak is begonnen met actuele informatie afkomstig van de autoriteiten in de VS. Tot slot hebben de autoriteiten in de VS geen bevestiging gegeven dat er geen andere verdenkingen lopen tegen de opgeëiste persoon. Gezien bovenstaande argumenten wordt gesteld dat het specialiteitsbeginsel niet geëerbiedigd wordt. 5.2.2. Oordeel rechtbank Als uitgangspunt geldt dat bij de beoordeling van een op een uitleveringsverdrag gebaseerd uitleveringsverzoek in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de VS na eerdere uitleveringen het specialiteitsbeginsel heeft geschonden. Voor zover het begrip conspiracy al de mogelijkheid openlaat om andere of nieuwe feiten of omstandigheden toe te voegen, is de rechtbank van oordeel dat dit de uitlevering niet hoeft te beletten, zolang de kern daarvan het witwassen betreft als omschreven in het uitleveringsverzoek. Daarbij hoeft de verdenking niet beperkt te blijven tot die ene transactie in december 2014, nu deze in het verzoek als voorbeeld wordt gegeven van een van de manieren waarop de opgeëiste persoon betrokken zou zijn bij het witwassen van de opbrengsten van de “organization” van [naam] . Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook op grond van hetgeen hiervoor is overwogen verworpen. 5.3. Dubbele strafbaarheid 5.3.1. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. De raadsvrouw stelt dat er geen exacte afbakening van de verdenking is en dat conspiracy slechts beperkt strafbaar is in Nederland. Bovendien blijkt uit de overgelegde informatie niet dat de opgeëiste persoon meerdere transacties heeft gepleegd. Om van conspiracy te spreken moet er sprake zijn van een organisatie die het oogmerk heeft meerdere misdrijven te plegen. In het uitleveringsverzoek wordt maar over een eenmalige transactie gesproken. Daarnaast moet er ook sprake zijn van deelneming aan een gestructureerd samenwerkingsverband. Dit blijkt niet uit de overgelegde informatie. Primair verzoekt de raadsvrouw de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens het niet voldoen aan artikel 9 van het Verdrag en/of het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de stukken met de onderliggende stukken aan te vullen. 5.3.2. Oordeel rechtbank Het vereiste van de dubbele strafbaarheid vergt niet dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen (ECLI:NL:HR:1999:ZD1591). Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt. Uitlevering vanwege deelneming aan een criminele organisatie kan bijvoorbeeld slechts toelaatbaar worden verklaard voor zover de feiten waarop de organisatie het oogmerk heeft, strafbaar zijn gesteld bij de wetten van de verzoekende staat en zij volgens die van de aangezochte staat eenzelfde inbreuk op de rechtsorde strafbaar is, zie hiervoor HR 18 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE2114). Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Nederlands recht strafbaar, te weten: deelname aan een criminele organisatie met onder meer als doel witwassen en/of enige vorm van deelneming aan witwassen, strafbaar gesteld bij de artikelen 420bis, 420ter en 420quater Sr in verbinding met de artikelen 47, 48, 49 en/of 140 Sr. Voor die feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde criteria. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. Omdat de rechtbank geen noodzaak ziet om alsnog nadere onderliggende stukken op te vragen wordt ook het aanhoudingsverzoek afgewezen. 5.4. Beroep op artikel 6 EVRM 5.4.1. Standpunt verdediging Volgens de raadsvrouw kan op grond van onder andere jurisprudentie van de Hoge Raad van 4 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1426) aangenomen worden dat in onderhavige zaak sprake is van dreiging van een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, EVRM. Er is sprake van een flagrante schending indien bewijs afkomstig van “entrapment” (uitlokking) niet wordt uitgesloten. In onderhavige zaak zijn voldoende aanwijzingen aanwezig voor entrapment. De undercover officer reached out naar de opgeëiste persoon en van een essentially passive manner was geen sprake, omdat er meerdere vervolghandelingen door de Drug Enforcement Administration (DEA) met het geld zijn gedaan. Daarnaast ontbreekt volgens de raadsvrouw een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM omdat de opgeëiste persoon zelf moet aantonen dat hij door de opsporingsdiensten van de VS zou zijn uitgelokt. In Europa ligt die bewijslast bij de aanklager. De bewijslast ligt dus anders dan het EHRM juist acht. Ook dreigt er een schending van artikel 6 EVRM op het recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van de eigen strafzaak. De strafzaak in Nederland tegen de opgeëiste persoon loopt nog steeds. Aanwezigheid daarbij is niet mogelijk wanneer de opgeëiste persoon aan de VS wordt uitgeleverd. Primair verzoekt de raadsvrouw de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren wegens een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de minister het advies te geven garanties te vragen aan de VS die zien op het gebruik van bewijs afkomst van de undercover officer en de DEA-agenten en pas met de uitlevering in te stemmen nadat de Nederlandse strafzaak onherroepelijk is geworden. 5.4.2. Oordeel rechtbank In zijn arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, heeft de Hoge Raad het toetsingskader geschetst inzake de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de uitleveringsrechter en anderzijds de Minister van Justitie en Veiligheid wat betreft een beroep van de opgeëiste persoon op een dreigende en/of voltooide inbreuk op de fundamentele rechten die hem in art. 6 EVRM zijn toegekend. De hoge raad heeft hierin onder meer het volgende overwogen: "(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.