Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/750163-14 Datum uitspraak: 30 november 2018 Tegenspraak VONNIS van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde: [naam veroordeelde] , geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het bij justitie bekende adres, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie, raadsman mr. V. Poelmeijer, advocaat te Amsterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2017 en 17 en 19 oktober 2018. VOORAFGAANDE VEROORDELING Bij vonnis van deze rechtbank van 4 juli 2017 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feiten. Van dat vonnis is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. VORDERING De vordering van de officier van justitie mr. M. van Solingen strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 3.479.417,-. De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e derde lid van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld alsmede uit soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan en waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. STRAFRECHTELIJK FINANCIEEL ONDERZOEK Tegen de veroordeelde is met machtiging van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 18 november 2014 een strafrechtelijk financieel onderzoek (verder te noemen: SFO) ingesteld, onder meer ter zake van overtreding van de Opiumwet en witwassen, welke feiten als misdrijf strafbaar zijn gesteld, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en waarvoor de veroordeelde blijkens het hiervoor genoemde vonnis is veroordeeld. Het SFO is inmiddels onherroepelijk gesloten. STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD Bij vonnis van 4 juli 2017 is [naam veroordeelde] onder meer veroordeeld ter zake van: Feit 1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Feit 2. Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een voorwerp voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Feit 3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Feit 6. Medeplegen van een feit, bedoeld in bet vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door een gelegenheid en inlichtingen tot bet plegen van dat feit trachten te verschaffen waarvan hij weet of ernstig reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot bet plegen van dat feit. Feit 9. Als ambtenaar een belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, en als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd en als ambtenaar een belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, en als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd. feit 11. Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, meermalen gepleegd. Ten aanzien van de feiten is in het vonnis onder meer het volgende overwogen. “De verdachte heeft als ambtenaar zich laten omkopen. Hij was werkzaam bij de douane op de afdeling pre-arrival en kon in zijn functie als selecteur zelfstandig beslissen welke container wel en welke niet zou worden gecontroleerd op de aanwezigheid van onder meer verdovende middelen. Zodoende was hij in staat om containers waarvan hij wist dat daar verdovende middelen in zaten, zonder douanecontrole door te laten en konden zijn medeverdachten een betreffende container ongehinderd oppikken en naar een plaats vervoeren waar de drugs werden uitgeladen. De verdachte heeft dit gedurende een lange periode veelvuldig gedaan en werd daar zeer fors voor betaald. De uiteindelijk onderschepte containers lijken, getuige het vele geld waarover de verdachte kon beschikken, slechts het topje van de ijsberg te zijn geweest. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan witwassen van de grote geldbedragen die hij voor zijn diensten ontving.” In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er daarnaast voldoende aanwijzingen dat door de veroordeelde andere strafbare feiten zijn begaan en dat hij voordeel heeft genoten uit deze strafbare feiten. Dit oordeel geldt voor strafbare feiten die zijn gelieerd aan de financiële transacties die door de veroordeelde zijn verricht binnen de onderzoeksperiode en waarvoor geen legale inkomstenbron is aan te wijzen. De aanwijzingen volgen uit het uitgavenpatroon - in de onderzochte periode - van de veroordeelde, dat niet strookt met zijn legale inkomsten en waarvoor de veroordeelde geen verklaring heeft willen of kunnen geven. STANDPUNTEN Standpunt van de raadsman De raadsman heeft op een paar punten verweer gevoerd. 1. De berekening wederrechtelijk verkregen voordeel beslaat de periode 1 januari 2010 tot en met 17 april 2015, terwijl de bewezen verklaarde feiten zien op de periode 1 januari 2013 tot en met (naar de rechtbank begrijpt) 17 april 2015. De raadsman bepleit alles wat buiten de bewezenverklaarde periode ligt buiten beschouwing te laten. 2. Het bij de veroordeelde aangetroffen geldbedrag van € 1.171.395,-. De veroordeelde heeft verklaard dat hij eenmalig een geldbedrag van € 900.000,- heeft ontvangen en dat het daarboven liggende bedrag afkomstig is uit het bedrijf [naam bedrijf 1] door dit geld buiten de boeken te houden. 3. Het bedrag van € 87.500,- (boete koopovereenkomst [adres] ). De raadsman verwijst naar het vonnis waarin staat dat de rechtbank heeft aangenomen dat niet kan worden uitgesloten dat een bedrag is voortgekomen uit [naam bedrijf 1] . 4. Het bedrag van € 852.050,- (woning [adres] ). De verdediging stelt dat een enkel betalingskenmerk onvoldoende is om aan te nemen dat de veroordeelde enige betrokkenheid heeft gehad bij dit bedrag, laat staan dat dit hem kan worden toegerekend, gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte. 5. Het bedrag van € 39.989,- ( [naam bedrijf 2] / [naam bedrijf 3] ) Niet geconcludeerd kan worden dat dit geld voortkomt uit de bewezenverklaarde feiten en niet gezegd kan worden dat, voor zover deze overboeking al aan veroordeelde kan worden gelinkt, dit niet is voortgekomen uit bijvoorbeeld [naam bedrijf 1] . 6. Het bedrag van € 140.878,- (vaartuig Boston Whaler [naam motorboot] / [naam bedrijf 1] ) Aangevoerd is dat de veroordeelde deze boot voor iemand anders heeft gekocht en voor iemand anders een lening heeft geregeld en dat die persoon daarvan de boot heeft gekocht. De raadsman concludeert dat de veroordeelde € 900.000,- heeft ontvangen en verzoekt de vordering tot dat bedrag te maximeren. Het verbeurdverklaarde geld dient op de vordering in mindering te worden gebracht, zodat het voordeel dient te worden vastgesteld op € 0,-. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie persisteert bij de conclusie van eis en de berekening en de inhoud van het financieel rapport. BEOORDELING EN BEREKENING In het kader van het financieel onderzoek genaamd Doussie is gebleken dat de veroordeelde door de gepleegde misdrijven wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen. Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de (in de voetnoten vermelde) wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het financieel rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013, zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken of weergeven en volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van het rapport. De financieel rapporteur heeft bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling gehanteerd, aangevuld met voordeel verkregen uit de financiering voor de aankoop van een woning en bedrijven van de veroordeelde. De rechtbank zal de rapporteur in deze berekeningsmethode volgen. De financiële gegevens waarop de kasopstelling is gebaseerd, zien op de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 april 2015. Het standpunt van de raadsman dat alles wat buiten de bewezenverklaarde periode ligt buiten beschouwing dient te worden gelaten, miskent het bepaalde in artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, waaruit volgt dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het misdrijf in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden betrokken. Gedurende het onderzoek was [naam veroordeelde] op huwelijkse voorwaarden getrouwd met [naam partner veroordeelde] . Zij worden voor de berekening over de betrokken periode daarom gezien als economische eenheid. [naam veroordeelde] was de kostwinner. Om deze reden is een gezamenlijke kasopstelling gemaakt. Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt naar aanleiding van de overige verweren van de raadsman het volgende overwogen. De hiervoor onder 1 en 2 gevoerde verweren zien op de kasopstelling. Het verweer dat de periode waarover het wederrechtelijk verkregen vermogen is berekend dient te worden beperkt tot de in het vonnis bewezen verklaarde periode, miskent het wettelijk systeem van deze procedure. Het verweer dat de veroordeelde slechts eenmalig een bedrag van € 900.000,- heeft ontvangen doet, nog afgezien van het feit dat dit in strijd is met hetgeen is geoordeeld in de hoofdzaak, niet af aan de juistheid van de gehanteerde berekenmethode, de kasopstelling. Voor de methode van de uitgebreide kasopstelling is immers kenmerkend dat er geen direct verband hoeft te bestaan met de tenlastegelegde strafbare feiten, nu bij deze methode het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend door het verschil tussen de (contante) uitgaven en de legale ontvangsten te berekenen, rekening houdend met het begin- en eindsaldo van de kas- en mogelijk banktegoeden. Nu de overige posten van de kasopstelling niet zijn weersproken, wordt het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel verder vastgesteld zoals weergegeven in het financieel rapport. Beginsaldo contant geld In het kader van de onderhavige berekening is van belang het contante geld waarover veroordeelde bij de start van de periode de beschikking had. In het financieel onderzoek is dat bedrag berekend en vastgesteld op € 0,-. Hiervoor is bepalend dat [naam veroordeelde] en [naam partner veroordeelde] in hun aangiften inkomstenbelasting 2010 en 2011 geen (contant) vermogen hebben vermeld in box 3 en [naam partner veroordeelde] en dochter [naam dochter] hebben verklaard dat het gezin in de periode 2007 tot en met ongeveer 2009 of 2010 in financiële problemen verkeerde. Legale contante ontvangsten, inclusief bankopnamen en eindsaldo contant geld Het saldo legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen is bepaald aan de hand van verschillende onderdelen, namelijk contante ontvangsten uit een legaal inkomen en contante opnamen van de bankrekeningen. Het totaalsaldo van € 12.215 (€ 9.156 + € 3.059) is aangemerkt als legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen. Tijdens de doorzoeking op 17 april 2015 is bij de doorzoeking van de woning en auto van [naam veroordeelde] contant geld aangetroffen, in totaal € 1.171.395,-, en inbeslaggenomen. Werkelijke contante uitgaven en bankstortingen/opnamen In het financieel rapport is op basis van de bij doorzoekingen in het onderzoek Doussie aangetroffen administratie, afgelegde verklaringen van (mede)verdachten en getuigen, onderzochte bankstortingen en weergegeven WOD- en opgenomen OVC-gesprekken, berekend dat een bedrag van € 1.199.800,- aan contante uitgaven is besteed. Dit bedrag is als volgt opgebouwd. Contante stortingen Bankstorting rekeningen [naam veroordeelde] / [naam partner veroordeelde] € 476.175,- Bankstorting rekeningen [naam dochter] € 11.600,- Bankstorting rekeningen [naam 1] € 85.539,- Bankstorting rekening [naam 2] € 33.950,- Bankstorting rekening [naam bedrijf 1] € 165.040,- Totaal € 772.304,- Contante uitgaven a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.