← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2019:10069

Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/750390-17 Parketnummer vordering TUL VV: 10/267045/16 Datum uitspraak: 19 december 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te district Paramaribo (Suriname) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad, raadslieden mrs. R.I. van Haneghem en W.J. van Bel, advocaten te Rotterdam. 1Inleiding Dit vonnis wordt gewezen naar aanleiding van een grootschalig onderzoek naar de onwelwordingen van (hoog)bejaarde bewoners die allemaal een vorm van dementie hadden en die om die reden waren opgenomen in een viertal zorginstellingen. De eerste onderzochte onwelwording heeft zich voorgedaan op 30 juni 2016; de laatste waren op 1 en 3 november 2017. De laatste onwelwordingen waren die van mevrouw [naam slachtoffer 1] . Zij was opgenomen in [naam zorginstelling 1] in [plaats] . Naar aanleiding van haar onwelwording is bij de dienstdoende arts het vermoeden ontstaan dat sprake was van een ernstige medicatiefout. Bij het onderzoek naar die fout legde hij op aangeven van een verzorgende verband met de onwelwording van een andere bewoonster van de afdeling, mevrouw [naam slachtoffer 2] . Zij was enkele dagen daarvoor overleden. Beide bewoonsters waren niet bekend met diabetes, gebruikten daar ook geen medicatie voor, maar hadden last van een bijzonder laag bloedsuikergehalte dat niet of moeilijk te corrigeren bleek. De arts hield rekening met de mogelijkheid dat dit veroorzaakt zou kunnen zijn door toediening van insuline (of orale bloedsuikerverlagende middelen). Hij verzocht het ziekenhuis om hiernaar gericht laboratoriumonderzoek te doen. Op 7 november 2017 werd bekend dat de waarden in het bloed van mevrouw [naam slachtoffer 1] wezen op toediening van insuline. Een vergissing leek uitgesloten, want op de afdeling van beide bewoonsters woonde niemand met suikerziekte die insuline kreeg voorgeschreven. Uit het dienstrooster bleek dat de verdachte de enige verzorgende was die tijdens beide incidenten aanwezig was geweest. Hij werd per direct op non-actief gesteld. Op 8 december 2017 deed de directie van [naam woonzorgorganisatie 1] aangifte. Volgens de aangifte zou de verdachte zonder medische noodzaak of opdracht insuline hebben toegediend aan de beide bewoonsters met ernstige gevolgen voor hun gezondheid. Bij het politieonderzoek bleek al snel dat op 14 juni 2017 ook ten aanzien van een bewoonster van een andere zorginstelling aangifte was gedaan van toediening van insuline zonder medische noodzaak. Deze aangifte was gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en betrof mevrouw [naam slachtoffer 3] . Zij verbleef in [naam zorginstelling 2] , een instelling in Rotterdam. In die aangifte werd de naam van de verdachte genoemd die destijds in die instelling werkzaam was. De verdachte werd op 17 november 2017 aangehouden. Kort daarna is het onderzoek uitgebreid naar andere zorginstellingen waar de verdachte werkzaam was geweest. Dit alles heeft ertoe geleid dat ook twee instellingen in Ridderkerk, [naam zorginstelling 3] en [naam zorginstelling 4] , een aantal gevallen van onwelwording van bewoners hebben gemeld bij de politie. In totaal is onderzoek gedaan naar vijftien onwelwordingen binnen deze vier zorginstellingen. Aan de verdachte zijn uiteindelijk elf zaken ten laste gelegd. 2Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18, 19, 21, 22 en 25 november 2019 en 19 december 2019. 3Tenlastelegging De verdachte staat terecht voor de beschuldigingen zoals vermeld in bijlage I bij dit vonnis. Dit is de tenlastelegging zoals die tot stand is gekomen nadat de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op vordering van de officieren van justitie is gewijzigd. 4Eis officieren van justitie De officieren van justitie mrs. W.B.J. ten Have en B.G.H. de Ruijter hebben gevorderd: vrijspraak van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot moord; bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 28; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaar met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging en als bijkomende straf ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van een beroep in de zorg, in de breedste zin des woords, voor een periode van 25 (vijfentwintig) jaar, met toezicht door Reclassering Nederland; tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/267045-16. 5Standpunten van de advocaten van de verdachte De advocaten hebben vrijspraak bepleit voor de feiten 1 tot en met 19 wegens het ontbreken van voldoende bewijs. Zij hebben allereerst betoogd dat de rapporten van de hierna te noemen deskundige Botter niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Deze rapporten bieden niet genoeg zekerheid voor de vaststelling dat insuline is toegediend bij de personen genoemd in de feiten 1 tot en met 19. Als er al insuline is toegediend, dan is er geen bewijs dat de verdachte dit heeft gedaan. De enige uitzondering hierop is de toediening van insuline aan mevrouw [naam slachtoffer 3] , maar dat was een vergissing van de verdachte. Er is verder geen bewijs dat de verdachte opzet had op de dood van de betrokkenen. Waar personen zijn overleden, kan dit niet worden toegerekend aan de verdachte. Meer in algemene zin hebben de advocaten gesteld dat de verklaringen van de getuigen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De advocaten hebben geconcludeerd dat de feiten 20 tot en met 23 kunnen worden bewezen. Feit 20 is volgens hen een zware mishandeling met (mogelijk) de dood als gevolg en feit 22 een zware mishandeling. Beide feiten waren geen (poging tot) moord of doodslag. In dit verband is onder meer betwist dat de verdachte opzet op de dood van mevrouw [naam slachtoffer 2] en mevrouw [naam slachtoffer 1] had. Verder is gesteld dat de dood van mevrouw [naam slachtoffer 2] niet kan worden toegerekend aan de verdachte. In deze zaak worden bovendien de bevindingen van de deskundige Botter betwist. Voor de feiten 24 tot en met 28 hebben de advocaten zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot hebben de advocaten betoogd dat een veel lagere straf moet worden opgelegd dan door de officieren van justitie is geëist. 6Waardering van het bewijs Voor de leesbaarheid zet de rechtbank uiteen hoe de beoordeling van het bewijs is opgezet. § 6.1. Kunnen de rapporten van de deskundige Botter en de getuigenverklaringen voor het bewijs worden gebruikt? § 6.2. Wat zijn hypoglykemieën? § 6.3. In welke instellingen spelen de zaken zich af en wat was daar de positie van de verdachte? § 6.4. Wat heeft de verdachte bekend en klopt dat? § 6.5. Zijn in de zaken die de verdachte ontkent de onwelwordingen veroorzaakt door de toediening van insuline en was de verdachte in de gelegenheid daartoe? § 6.6. Heeft de verdachte in alle zaken ten onrechte insuline toegediend? § 6.7. Is onterechte toediening van insuline een (poging tot) moord/doodslag? § 6.8. Heeft de verdachte de slachtoffers in hulpeloze toestand gebracht en/of gelaten? § 6.9. Heeft de verdachte de feiten 24 tot en met 28 van de tenlastelegging begaan? § 6.10. Conclusies: welke feiten worden bewezen verklaard? 6.1. Algemene overwegingen over het bewijs: kunnen de rapporten van de deskundige Botter en de verklaringen van getuigen voor het bewijs worden gebruikt? 6.1.1. De rapporten van de deskundige Botter In alle zaken is onderzoek gedaan door drs. D. Botter, forensisch arts van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en werkzaam voor het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) (hierna: de deskundige Botter). De deskundige Botter is benoemd door de rechter-commissaris. De vragen aan de deskundige zijn steeds toegespitst op de betreffende zaak. In de kern kwamen de vragen neer op het volgende: Is gezien de gezondheid en het medicijngebruik van [naam bewoner] de onwelwording [en/of het overlijden] te verklaren door toediening van [een te hoge dosis] insuline of een andere stof? Zo ja, wat zijn hiervan de medische gevolgen geweest voor het slachtoffer en zijn er in de medische- en/of verpleegkundige dossiers aanwijzingen aanwezig voor een verwisseling van personen? - Geven de medische gegevens aanleiding om verder nog iets op te merken omtrent de onwelwording? Tijdens zijn onderzoek heeft de deskundige Botter verschillende andere deskundigen geraadpleegd. Prof. dr. H.J.G. Bilo (hierna: prof. dr. Bilo) is in alle zaken geraadpleegd met betrekking tot aspecten van suikerziekte. Prof. dr. Bilo is hoogleraar inwendige geneeskunde aan het Universitair Medisch Centrum Groningen en hij werkte tot 1 mei 2018 als internist gespecialiseerd in suikerziekte bij Isala ziekenhuis te Zwolle. Prof. dr. R.J.G. Peters, cardioloog van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam (hierna: prof. dr. Peters), is geraadpleegd in de zaak van de heer [naam slachtoffer 4] . Over iedere zaak heeft de deskundige Botter een rapport geschreven. Hij beschrijft daarin mogelijke oorzaken van de onwelwordingen en, in sommige gevallen, het overlijden van de betrokkene. Aan het einde van ieder rapport heeft hij een conclusie opgenomen over de waarschijnlijkheid dat insuline of – in een aantal gevallen – een ander bloedsuikerverlagend middel de oorzaak van de hypoglykemieën is geweest. Hij gebruikt daarbij verschillende termen met de volgende rangschikking naar mate van waarschijnlijkheid: 1. Was het gevolg / kan niet anders verklaard worden door / laat zich slechts verklaard worden door / alleen te verklaren door / vrijwel alleen te verklaren door 2. Zeer waarschijnlijk / meest waarschijnlijk 3. Heel waarschijnlijk 4. Waarschijnlijk 5. Zijn verklaarbaar door 6. Onwaarschijnlijk 7. Zeer onwaarschijnlijk / niet uit te sluiten / behoort tot de theoretische mogelijkheden, maar wordt onwaarschijnlijk geacht Naar aanleiding van de rapporten zijn door de officieren van justitie en de advocaten aanvullende vragen gesteld aan de deskundige Botter en aan prof. dr. Bilo. Zij hebben deze schriftelijk beantwoord. Aansluitend zijn de deskundige Botter en prof. dr. Bilo gehoord door de rechter-commissaris, waarbij de officieren van justitie en de advocaten vragen hebben gesteld c.q. kunnen stellen. Prof. dr. Bilo heeft desgevraagd de concept-rapporten met zijn opmerkingen daarin voor de deskundige Botter, ter beschikking gesteld. De advocaten hebben drie algemene verweren gevoerd over de deskundige Botter en zijn rapporten. Op grond van deze verweren concluderen de advocaten dat de rechtbank de uitkomsten van het onderzoek van de deskundige Botter niet kan meenemen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van toediening van (extra) insuline, althans dat de rechtbank de conclusies met grote voorzichtigheid moet beoordelen en gebruiken. Het eerste verweer komt er op neer dat de deskundige (mogelijk) lijdt aan een vorm van tunnelvisie. De deskundige Botter lijkt in veel van zijn rapporten toe te redeneren naar een ‘gegeven’, toediening van insuline. Immers, vanaf het eerste persbericht van het Openbaar Ministerie werd gesproken over toediening van insuline. Elk ‘deel-dossier’ begint met de mededeling dat vermoedelijk sprake is geweest van insulinetoediening. In de media werd dit strafrechtelijk onderzoek vanaf vrijwel dag één betiteld als ‘de insulinemoordenzaak’. Hierdoor bestond bij de deskundige mogelijk een onbewuste neiging om enkel die uitkomsten waar te nemen die hij verwachtte waar te nemen. Die (sterke) vooringenomenheid kan de uitkomst van het onderzoek doen afwijken van een volledig objectieve beoordeling, aldus de advocaten. Dit verweer slaagt niet. Er zijn geen aanwijzingen dat de deskundige Botter geen of onvoldoende oog heeft gehad voor andere oorzaken van de onwelwordingen dan toediening van insuline. Integendeel, in de rapporten en bij de beantwoording van de nadere vragen heeft de deskundige ook steeds mogelijke andere oorzaken betrokken en afgewogen. De door de advocaten geschetste mogelijkheid dat de deskundige vooringenomen zou zijn, mist daarmee voldoende feitelijke grondslag. Het tweede verweer gaat over het volgende. De advocaten zijn in diverse zaken ingegaan op de vraag in hoeverre de bevindingen van de deskundige Botter zich verhouden met de eigen vaststelling van de deskundige dat er na de onwelwordingen onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden. Een voorbeeld: in de zaak van mevrouw [naam slachtoffer 5] blijkt uit het rapport van de deskundige Botter dat er destijds – dus na de onwelwording in juni/juli 2016 – geen adequaat onderzoek is gedaan, zo is er geen bloed onderzocht. De advocaten betogen dat niet van een afdoende diepgaand onderzoek kan worden gesproken op basis waarvan een enkele oorzaak van de onwelwording bij uitsluiting kan worden vastgesteld. Er kan daarom volgens hen niet worden geconcludeerd dat toediening van insuline de oorzaak is. De rechtbank overweegt over dit tweede verweer het volgende. Bij de waardering van het bewijs moet niet alleen worden gekeken naar het onderzoek dat destijds heeft plaatsgevonden. Er moet worden gekeken naar het onderzoek als geheel: dus inclusief de latere bevindingen van de deskundige Botter en de onderbouwing daarvan. Hij heeft in zijn rapporten uitgelegd waarom hij tot de conclusies is gekomen die hij – ondanks het eerdere inadequate onderzoek – heeft getrokken. De rechtbank merkt op dat de deskundige Botter in de huidige stand van de wetenschap en gegeven wat beschikbaar was aan eerder onderzoek, geen beletsel heeft gezien om tot conclusies te komen met volgens de deskundige Botter een hoge mate van zekerheid. De relevante conclusies zijn steeds door hem getrokken met de twee hoogste door hem gehanteerde gradaties van zekerheid (‘was het gevolg’ en ‘zeer waarschijnlijk’). De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien voldoende de gelegenheid gehad om de deskundige zelf (nader) te bevragen. De advocaten hebben de mogelijkheid gehad invloed uit te oefenen op de vraagstelling aan de deskundige Botter. Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt. Wel hebben de advocaten naar aanleiding van de rapporten vragen gesteld aan de deskundigen, zowel schriftelijk als bij het verhoor bij de rechter-commissaris. Die vragen zijn beantwoord. De advocaten hebben niet om een tegenonderzoek gevraagd. Gezien het voorgaande heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de rapportages van de deskundige Botter en zij zal de inhoud daarvan dan ook gebruiken bij de waardering van het bewijs. Het derde algemene verweer tegen de rapporten van de deskundige Botter is dat de conclusies daarvan niet stellig genoeg zijn voor de vaststelling dat insuline is toegediend. De rechtbank zal hierop nader ingaan bij de beoordeling van de verschillende zaken. 6.1.2. Gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs De advocaten hebben betoogd dat de verklaringen van de getuigen niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. De getuigen zijn gehoord nadat de verdenking tegen de verdachte in de media bekend was geworden. Binnen de verschillende instellingen zal er vervolgens veel over deze zaak gesproken zijn. Dat maakt volgens de advocaten dat de verklaringen die de getuigen bij de politie hebben afgelegd, gekleurd zijn. De verklaringen richten zich te zeer tegen de verdachte en zijn geen neutrale beschrijving van wat de getuigen zelf hebben gezien en waargenomen. Dat is in de verhoren ook terug te zien: er wordt gericht gevraagd naar en gesproken over de verdachte. Verder bevatten de verklaringen vaak vermoedens over het handelen van de verdachte; getuigen die vermoeden of zelfs zeker weten dat de verdachte ‘het’ gedaan heeft. Diverse getuigen zijn bovendien in 2017 en 2018 gehoord over gebeurtenissen uit 2016. Ook dat tijdsverloop maakt volgens de advocaten dat vraagtekens gezet moeten worden bij de betrouwbaarheid van de betreffende verklaringen. Als verklaringen van getuigen al voor het bewijs gebruikt kunnen worden, dan zou de rechtbank daar terughoudend en behoedzaam mee om moeten gaan. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voor getuigenbewijs gelden twee belangrijke uitgangspunten. Het eerste uitgangspunt is dat een verklaring van een getuige alleen voor het bewijs gebruikt kan worden als het gaat om eigen waarnemingen van de getuige (artikel 342 Sv). Vermoedens, conclusies en speculaties van een getuige zijn geen bewijsmiddel. Het tweede uitgangspunt is dat een verklaring alleen voor het bewijs gebruikt mag worden indien de verklaring betrouwbaar is te achten. Onbetrouwbaar bewijs is geen bewijs. Op grond van deze twee uitgangspunten moet naar de getuigenverklaringen in deze zaak worden gekeken. De advocaten hebben gelijk dat de getuigen zijn gehoord nadat in de media en binnen de verschillende instellingen de verdenking tegen de verdachte bekend was geworden. Dat kon in deze zaak ook niet anders. De verdachte was eind 2017 bij de politie in beeld gekomen. Hij zou insuline bij bewoners van [naam zorginstelling 1] hebben toegediend. Er moest onderzocht worden of dat ook gebeurd was in andere instellingen waar de verdachte had gewerkt. Het is inderdaad goed voorstelbaar dat getuigen met de wetenschap van die verdenking terugkijken naar de tijd dat zij met de verdachte hebben samengewerkt. Er wordt dan als het ware teruggekeken met een ‘donkere bril’ en het is mogelijk om achter alles iets te zoeken. Vermoedens van getuigen zijn echter geen bewijs en de rechtbank gebruikt vermoedens van getuigen dan ook niet. De getuigen in deze zaak hebben echter ook verklaard over hun eigen waarnemingen. Dat is wel bewijs. Wanneer in dit vonnis verklaringen van getuigen worden aangehaald, zal – als dat nodig is – worden uitgelegd waarom de rechtbank die verklaringen voldoende betrouwbaar acht. Er bestaat geen aanleiding op voorhand alle getuigenverklaringen uit te sluiten voor het bewijs. 6.2. Wat zijn hypoglykemieën? De onwelwordingen waar het in deze zaak om gaat zijn blijkens de rapporten van de deskundige Botter veroorzaakt door een medische situatie die hypoglykemie wordt genoemd. Voor een goed begrip beschrijft de rechtbank in deze paragraaf wat hypoglykemieën zijn en wat mogelijke oorzaken daarvan zijn. Eenvoudig gezegd is een hypoglykemie een tekort aan suiker (‘glucose’) in het bloed. Als zich dat voordoet, kan dit leiden tot hartritmestoornissen, moeheid, bleekheid, angst, zweten, hongergevoel, geïrriteerdheid en tintelingen rond de mond. In ernstige gevallen kan het leiden tot verwardheid, abnormaal gedrag, bewustzijnsverlies (zelfs coma’

  1. s)en uiteindelijk ook de dood. Er wordt gesproken van een hypoglykemie als de hoeveelheid suiker in het bloed (‘de bloedsuikerwaarde’) lager is dan 3,9 millimol per liter (hierna: mmol/liter). Onmiddellijke behandeling is vereist. Er zijn verschillende redenen waarom de bloedsuikerwaarde te laag kan zijn. Vaak is dit gerelateerd aan suikerziekte (‘diabetes’). Diabetes is een ziekte waarbij het lichaam herhaaldelijk te veel suiker in het bloed heeft (te veel suiker heet een hyperglykemie). Om dat te verlagen, kan insuline of orale bloedsuikerverlagende medicatie worden gebruikt. Als daarvan te veel wordt gebruikt, kan de bloedsuikerwaarde onder de 3,9 mmol/liter komen, wat dus te laag is (een hypoglykemie). Als een diabetespatiënt niet genoeg eet of te veel inspanning verricht, dan kan dat ook leiden tot een hypoglykemie. Hypoglykemie kan ook optreden zonder diabetes. De deskundige Botter beschrijft in zijn rapporten meerdere mogelijke oorzaken die los staan van diabetes, waaronder: - toediening van insuline of orale bloedsuikerverlagende medicatie aan een niet-diabetespatiënt; - bijwerkingen van andere medicatie dan insuline of orale bloedsuikerverlagende medicatie; - infecties, waarbij het in het algemeen gaat om ernstige sepsis (‘bloedvergiftiging’); - een insulinoom, een zeldzame tumor in de alvleesklier waardoor het lichaam te veel insuline aanmaakt. Hypoglykemieën zijn zeldzaam bij personen zonder diabetes. De rechtbank zal in de rest van dit vonnis veelal de aanduiding ‘onterechte toediening van insuline’ gebruiken. Daarmee wordt zowel de toediening van te veel of de verkeerde soort insuline aan een diabetespatiënt bedoeld, als de toediening van insuline aan iemand die dat niet hoeft te krijgen. 6.3. In welke instellingen spelen de zaken zich af en wat was daar de positie van de verdachte? De rechtbank schetst in deze paragraaf kort de verschillende instellingen waar het in deze zaak over gaat en de functie die de verdachte daar bekleedde. 6.3.1. [naam zorginstelling 2] De onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 5] , mevrouw [naam slachtoffer 6] en mevrouw [naam slachtoffer 3] hebben zich voorgedaan in [naam zorginstelling 2] . [naam zorginstelling 2] is een verpleeghuis in Rotterdam met 87 bewoners. Er zijn 39 plaatsen voor demente bewoners en er is een afdeling voor somatische bewoners. De verdachte heeft hier via de Studenten Flexpool van [naam vrijwilligersorganisatie] gewerkt vanaf 1 juni 2016 tot begin oktober 2016. Hij werkte in [naam zorginstelling 2] veelal op het niveau verzorgende IG (niveau 3), hoewel hij zijn diploma daarvoor niet had. In de praktijk werd bij [naam zorginstelling 2] toegelaten dat verzorgenden met niveau 2+ (helpende Zorg en Welzijn met bepaalde certificaten) medicatie uitdeelden. Collega’s van de verdachte bij [naam zorginstelling 2] dachten dat hij niveau 3 of – in een enkel geval – in ieder geval 2+ had. Vastgesteld kan daarmee worden dat de verdachte in [naam zorginstelling 2] toegang had tot insuline. 6.3.2. [naam zorginstelling 3] De onwelwordingen en het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 7] en de onwelwording van de heer [naam slachtoffer 4] vonden plaats in [naam zorginstelling 3] , een zorginstelling in Ridderkerk. Er kunnen in deze instelling 119 personen wonen en er werken drie teams. Team 2 verzorgt de dementerende ouderen, in totaal 32 bewoners. De verdachte liep in het kader van zijn opleiding stage bij [naam zorginstelling 3] op basis van een stageovereenkomst. Hij mocht er – in ieder geval onder toezicht – medicatie toedienen. Zijn stage is begonnen in april 2016 en is begin oktober 2016 beëindigd. [naam zorginstelling 3] beëindigde de stage vanwege het gedrag en de houding van de verdachte: hij was vaak te laat, weigerde werk dat hij minderwaardig vond (zoals het schoonmaken van po’
  2. s)en hij werd niet vertrouwd. De beëindiging van de stage hing niet samen met de hierna te bespreken onwelwordingen. 6.3.3. [naam zorginstelling 4] De onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 8] , mevrouw [naam slachtoffer 9] , mevrouw [naam slachtoffer 10] en mevrouw [naam slachtoffer 11] hebben zich voorgedaan in [naam zorginstelling 4] . [naam zorginstelling 4] is één van de locaties van [naam woonzorgorganisatie 2] en ligt in Ridderkerk. Het is een 24 uurs woonzorg locatie voor mensen met geheugenproblematiek waar maximaal 21 bewoners tegelijkertijd kunnen verblijven. De verdachte is per 30 januari 2017 bij [naam woonzorgorganisatie 2] in dienst getreden en is daar tot en met 5 oktober 2017 werkzaam geweest, voornamelijk op de locatie van [naam zorginstelling 4] . De eerste zeven maanden werkte hij op basis van een arbeidsovereenkomst voor gemiddeld 28-32 uur per week en daarna als oproepkracht op basis van een nul-uren contract. De verdachte werd aangenomen en ingezet als verzorgende IG niveau 3. Dit terwijl hij de benodigde diploma’s voor dit niveau niet had behaald. Binnen [naam zorginstelling 4] ging men ervan uit dat de verdachte bevoegd en bekwaam was om medicatie (waaronder insuline) toe te dienen en hij had hier dan ook toegang toe. 6.3.4. ’ [naam zorginstelling 1] De onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 2] en mevrouw [naam slachtoffer 1] hebben zich voorgedaan in [naam zorginstelling 1] . Dit is een locatie in Puttershoek van de organisatie [naam woonzorgorganisatie 1] . Hier wordt zorg verleend aan ouderen en gehandicapten. Onderdeel van het complex zijn negen groepswoningen voor psycho-geriatrische patiënten. De meesten van hen hebben een vorm van dementie. Het betreft kleinschalig groepswonen: zes bewoners wonen er samen als een soort gezin, er is een huiskamer en op de groep wordt gekookt en samen gegeten. Er is een vast team van medewerkers dat zorg verleent bij de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL). Iedere dag is er één medewerker in dienst, soms is daar een stagiair(
  3. e)bij. Twee medewerkers hebben zogeheten omloopdiensten en lopen rondes op alle groepen. Per 1 september 2017 was de verdachte in [naam zorginstelling 1] werkzaam als stagiair. De verdachte was met de zorginstelling een onderwijsovereenkomst aangegaan om via een Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) bij [naam woonzorgorganisatie 1] zijn opleiding tot Verzorgende IG niveau 3 alsnog af te ronden. Hij had daarvoor een contract ontvangen voor zes maanden van 27 uren per week. Gelet op de fase van zijn opleiding werd van hem verwacht dat hij – na een korte inwerkperiode – zelfstandig kon werken. Hij werd daarom niet boventallig ingeroosterd en werkte dus vaak als enige verzorgende op de groep, buiten de medewerkers die omloopdienst hadden. Mevrouw [naam slachtoffer 2] en mevrouw [naam slachtoffer 1] woonden op dezelfde groep, [naam woongroep] . Zoals alle bewoners hadden zij een eigen (slaap)kamer waar een camera aanwezig is die – na toestemming van de familie – voor hun veiligheid kan worden aangezet. Ingeschakeld neemt het camerasysteem beelden op wanneer er beweging wordt waargenomen door de camera. Zowel in het geval van mevrouw [naam slachtoffer 2] als in het geval van mevrouw [naam slachtoffer 1] stond de camera ten tijde van hun onwelwording ingeschakeld. De camerabeelden zijn ten behoeve van het politieonderzoek beschikbaar gesteld en bekeken. 6.4. Wat heeft de verdachte bekend en klopt dat? De rechtbank bespreekt in deze paragraaf de onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 1] , mevrouw [naam slachtoffer 2] en mevrouw [naam slachtoffer 3] in de volgorde waarin deze zaken aan het licht zijn gekomen. 6.4.1. De onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 1] Inleiding Mevrouw [naam slachtoffer 1] was in november 2017 100 jaar oud. Zij woonde sinds juni 2016 in [naam zorginstelling 1] . Zij woonde daar vanwege gevorderde Alzheimer-dementie. Ze gebruikte een rolstoel en was slechtziend en slechthorend. Ze leed niet aan suikerziekte. Uit het dossier blijkt dat in overleg met familieleden was besloten dat zij in een levensbedreigende toestand niet gereanimeerd zou worden en dat er geen ziekenhuisopname zou plaatsvinden. 1 tot en met 4 november 2017 Op 1 november 2017 had de verdachte dagdienst. Hij rapporteerde in het zorgdossier dat mevrouw [naam slachtoffer 1] een onrustige nacht had gehad en dat zij tijdens de ADL-verzorging nauwelijks aanspreekbaar was geweest en ook niet had gegeten. Zij had wel haar medicatie ingenomen. Hij schrijft dat zij om 11.00 uur nog steeds niet goed wekbaar was. Door de verdachte werd een te laag bloedsuikergehalte vastgesteld. De verdachte heeft de dienstdoende arts gebeld en haar verslag gedaan van de lage bloedsuikerwaarde en het feit dat mevrouw [naam slachtoffer 1] niet wakker te krijgen was. In opdracht van de arts heeft de verdachte per injectie glucagon toegediend. Dit had nagenoeg geen effect. Om 13.00 uur zou de bloedsuikerwaarde volgens de verdachte nog verder gedaald zijn naar 1,1 mmol/liter. Rond 14.00 uur heeft de verdachte met de waarnemend arts dr. [naam getuige 9] (hierna: de arts [naam getuige 9] ) gebeld. Hij heeft aan hem doorgegeven dat mevrouw [naam slachtoffer 1] een bloedsuikerwaarde had van 1,1 mmol/liter, dat dit probleem eerder die ochtend ook al speelde en dat zij toen glucagon had gekregen. De verdachte vroeg of hij het ‘zorgpad stervensbegeleiding’ mocht starten. De arts begreep niets van die vraag en besloot – na consultatie van de arts die de verdachte die ochtend eerder had gebeld – om de verpleegkundig specialist J.M. de Jonge te vragen direct naar mevrouw [naam slachtoffer 1] te gaan. Zelf besloot hij ook te gaan kijken. Beiden troffen mevrouw [naam slachtoffer 1] bewusteloos aan. In de daarop volgende uren is door hen getracht door middel van een groot aantal glucose injecties, gevolgd door een infuus met zout/glucose het bloedsuikergehalte van mevrouw [naam slachtoffer 1] omhoog te brengen. Steeds was sprake van een kortstondige stijging van de bloedsuikerwaarden, die vervolgens weer daalden naar een hypoglykemisch niveau. Gelet op de medische voorgeschiedenis van mevrouw [naam slachtoffer 1] kon de arts [naam getuige 9] deze hypoglykemieën niet verklaren. Hij consulteerde een internist uit het Maasstad Ziekenhuis die zijn vermoeden bevestigde dat alleen sprake zou kunnen zijn van een medicatiefout waarbij mevrouw [naam slachtoffer 1] per ongeluk insuline of een ander (oraal) bloedsuikerverlagend middel toegediend had gekregen. Na controle van haar medicatie en die van de andere bewoners werd echter een vergissing uitgesloten. Geen van de bewoners op de groep had diabetes en niemand gebruikte dus bloedsuikerverlagende middelen. Nadat haar bloedsuiker voor de derde keer die dag – ondanks grote hoeveelheden toegediende glucose – weer was gedaald, besloot de arts [naam getuige 9] dat mevrouw [naam slachtoffer 1] moest worden opgenomen in het Maasstad Ziekenhuis. Daar werden die nacht nog twee maal hypoglykemieën gemeten van 2,4 en 1,6 mmol/liter. Nadat de ambulance was weggereden, liet één van de aanwezige verzorgenden de arts weten dat zij geen goed gevoel had bij de onwelwording van mevrouw [naam slachtoffer 1] . Een vergissing was uitgesloten, want er was geen insuline op de afdeling en nog geen twee weken ervoor, op 20 oktober 2017, was een bewoonster van de groep overleden die ook een onverklaarbaar laag bloedsuiker had. Zij noemde daarbij de naam van mevrouw [naam slachtoffer 2] . Nadat de arts [naam getuige 9] in het dossier van mevrouw [naam slachtoffer 2] vergelijkbare en onverklaarbare hypoglykemieën had aangetroffen, heeft hij de arts in het Maasstad Ziekenhuis verzocht een buisje bloed van mevrouw [naam slachtoffer 1] voor nader onderzoek achter te houden vanwege een vermoeden dat sprake zou kunnen zijn van toediening van verkeerde medicijnen. Nadat zich op 2 november 2017 overdag in het Maasstad Ziekenhuis bij mevrouw [naam slachtoffer 1] geen hypoglykemieën hadden voorgedaan, werd zij ’s avonds uit het ziekenhuis ontslagen. De volgende ochtend, 3 november 2017 begon de verdachte om 07.00 uur aan zijn dagdienst. Hij verzorgde mevrouw [naam slachtoffer 1] en noteerde in het zorgdossier dat ze – nuchter – een bloedsuikerwaarde had van 6,6 mmol/liter, dat ze in de ochtend goed gegeten en gedronken had en goed aanspreekbaar was. Ze leek weer de oude. Om 10.30 uur was weer sprake van een hypoglykemie. Haar bloedsuikerwaarde was 2,1 mmol/liter en ze oogde suf. Net zoals twee dagen daarvoor was het niet gemakkelijk de bloedsuikerwaarden van mevrouw [naam slachtoffer 1] te normaliseren. De hypoglykemische episode duurde ondanks herhaalde toedieningen van glucagon en glucose met daarbij een infuus met een glucosehoudende vloeistof tot de vroege ochtend van 4 november 2017. Daarna zijn haar bloedsuikerwaarden normaal gebleven. Mevrouw [naam slachtoffer 1] heeft de onwelwordingen als gevolg van de toediening van insuline overleefd. Op 20 april 2018 is zij overleden. Zij was toen 101 jaar oud. De verklaring van de verdachte De verdachte heeft in de verhoren bij de politie op 18 en 27 november 2017 verklaard dat hij op 1 november 2017 bij mevrouw [naam slachtoffer 1] opzettelijk één keer insuline heeft ingespoten. Hij hoopte hiermee complimenten te krijgen. Hij had al snel effect gezien bij haar. Hij zag dat ze transpireerde en rood zag in haar gezicht. Hij had haar bloedsuiker gemeten en daarna een dokter gebeld. Hij had inderdaad complimenten gekregen dat hij snel en goed had gehandeld. In de avond van 2 november 2017 was ze uit het ziekenhuis gekomen en de volgende ochtend, 3 november 2017, had hij haar weer geprikt. Die keer was het niet om complimenten te krijgen, maar om te voorkomen dat men hem ervan verdacht de verkeerde medicatie te hebben gegeven. Hij had gemerkt dat de artsen gingen twijfelen. Ze hadden veel overleg gehad met elkaar en ze hadden hem vragen gesteld. Hij had bedacht dat als hij haar nog een keer insuline zou toedienen, het zou lijken dat de ontregelde bloedsuiker ergens anders vandaan kwam. Wat is te zien op de camerabeelden van 1 november 2017? De camerabeelden van 1 november 2017 bevestigen dat de verdachte om 08.09 uur in de kamer van mevrouw [naam slachtoffer 1] stond met een oranje/blauwe pen, die lijkt op een insulinepen. Om 10.41 uur werd mevrouw [naam slachtoffer 1] door de verdachte en een stagiaire uitgekleed en in bed gelegd. Zij leek nauwelijks bij te zijn en vertoonde nauwelijks een reactie. Rond 11.00 uur heeft hij haar bloedsuikerwaarde gemeten, zoals de verdachte ook in het zorgdossier heeft genoteerd. Op de camerabeelden is echter ook te zien dat de verdachte om 13.05 uur mevrouw [naam slachtoffer 1] nog een injectie geeft in haar buik. Deze beelden zijn bekeken door de eerdergenoemde arts [naam getuige 9] en door de forensisch arts KNMG en specialist ouderengeneeskunde dr. [naam getuige 11] (hierna: dr. [naam getuige 11] ). Beide artsen hebben de handelingen van de verdachte zoals deze te zien waren op de camerabeelden geduid als het geven van een injectie. De arts [naam getuige 9] heeft verklaard dat hij meent dezelfde insulinepen te zien die hij eerder op de beelden van 08.09 uur zag. Dr. [naam getuige 11] heeft verklaard dat over deze injectie niet is gerapporteerd in het zorgsysteem. Gelet op deze camerabeelden en de wijze waarop deze door twee artsen zijn geduid, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte op 1 november 2017 mevrouw [naam slachtoffer 1] om 13.05 uur een tweede keer heeft ingespoten met insuline. Het forensisch onderzoek De deskundige Botter heeft de onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 1] onderzocht. Hij heeft op 12 februari 2019 verslag gedaan van zijn bevindingen. Die laten zich voor zover hier van belang als volgt samenvatten. - In de periode 1 tot en met 4 november 2017 zijn bij mevrouw [naam slachtoffer 1] twee episoden van hypoglykemie en de bijbehorende klinische verschijnselen opgetreden die niet te verklaren zijn door haar pre-existente gezondheidstoestand, medicijngebruik of voedingspatroon. Ondanks therapeutische maatregelen traden uren durende dalingen van het bloedsuikergehalte op. In het ziekenhuis waar zij in de avond van 1 november 2017 werd opgenomen werd gericht laboratoriumonderzoek uitgevoerd naar de toediening van medicatie als mogelijke oorzaak van de hypoglykemie. In dit kader werden onder andere de insulinespiegel en het C-peptide gehalte bepaald. - Een verhoogd insulinegehalte kan onder andere worden veroorzaakt door een insulineproducerende tumor van de alvleesklier (insulinoom) of door injectie van insuline als medicament. Het C-peptide gehalte is daarbij een referentiewaarde voor de lichaamseigen insulineproductie. In het geval van mevrouw [naam slachtoffer 1] is het zeer onwaarschijnlijk dat sprake was van een insulinoom, omdat in dat geval perioden van hypoglykemie niet worden afgewisseld met perioden van normaal bloedsuikergehalte en dat was hier wel het geval. Bovendien betreft het een zeer zeldzame tumorsoort. In het bloed van mevrouw [naam slachtoffer 1] werd een sterk verhoogd insulinegehalte en een verlaagd gehalte C-peptide vastgesteld. Het verlaagde gehalte C-peptide impliceert dat de lichaamseigen insulineproductie laag was tijdens de hypoglykemie. De hoge insulinespiegel kan daarom niet anders worden verklaard dan door toediening van insuline. - Het hypoglykemisch incident dat op 1 november 2017 is opgetreden bij mevrouw [naam slachtoffer 1] was het gevolg van de toediening van (ook) langwerkende insuline. Het hypoglykemisch incident dat op 3 en 4 november 2017 is opgetreden is zeer waarschijnlijk het gevolg van één of meerdere toedieningen van één of meer bloedsuikerverlagende medicamenten, zoals (ook) langwerkende insuline(
  4. s)en/of orale bloedsuiker verlagende middelen. Ten behoeve van het forensisch onderzoek is het spijtmateriaal dat op verzoek van de arts [naam getuige 9] bij het Maasstad Ziekenhuis was bewaard, in beslag genomen. Naar dit materiaal is onderzoek gedaan door drs. R. van der Hulst, apotheker-toxicoloog, verbonden aan het NFI. Hij heeft op 20 augustus 2018 en op 4 januari 2019 verslag gedaan van zijn bevindingen. In de rapporten wordt gemeld dat in het serum van mevrouw [naam slachtoffer 1] een exogeen (gesynthetiseerde) insuline aspart is aangetoond. Dit behoort tot de categorie kortwerkende insuline. De onwelwording van mevrouw [naam slachtoffer 1] kan worden verklaard door de aangetoonde insuline aspart. De oorzaak van de onwelwording op 3 en 4 november 2017 Hoewel de deskundige Botter concludeert dat de onwelwording van 3 en 4 november 2017 zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door de toediening van bloedsuikerverlagende medicamenten, zoals (ook) langwerkende insuline(
  5. s)en/of orale bloedsuikerverlagende middelen, stelt de rechtbank vast dat ook deze onwelwording met zekerheid is veroorzaakt door de toediening van insuline. De rechtbank gaat hier vanuit op basis van de voornoemde bevindingen van de deskundige Botter in combinatie met de verklaring van de verdachte dat hij insuline heeft toegediend. Conclusies De rechtbank concludeert dat de verdachte niet twee keer opzettelijk insuline heeft toegediend bij mevrouw [naam slachtoffer 1] , zoals hij bij de politie heeft verklaard, maar drie keer (twee keer op 1 november 2017 en één keer op 3 november 2017). Als gevolg van deze toedieningen is mevrouw [naam slachtoffer 1] onwel geworden. 6.4.2. De onwelwording en het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 2] Inleiding De 90-jarige mevrouw [naam slachtoffer 2] had dementie en woonde sinds 2011 in [naam zorginstelling 1] . Zij leed niet aan diabetes. In overleg met familieleden was besloten dat zij in een levensbedreigende toestand niet gereanimeerd zou worden en dat er geen ziekenhuisopname zou plaatsvinden. In voorkomende gevallen zou ook niet langdurig vocht worden toegediend. Uit het zorg- en medisch dossier blijkt dat op 15 oktober 2017 bij mevrouw [naam slachtoffer 2] een longontsteking was geconstateerd, die werd behandeld met injecties antibiotica. Zij was enkele dagen bedlegerig geweest, ze had veel en diep geslapen en niet veel gegeten en gedronken. In de avond van 18 oktober 2017 leek zij aan de beterende hand. Zij had vla en fruit gegeten en limonade gedronken. De nachtdienst rapporteerde dat ze in de nacht beweeglijker was en zich duidelijk beter voelde. Ze gaf heldere antwoorden. 19 en 20 oktober 2017 De verdachte had op 19 oktober 2017 dienst van 07.00 tot 15.00 uur en heeft mevrouw [naam slachtoffer 2] in de ochtend verzorgd. Hij noteerde daarover later die dag aan het einde van zijn dienst om 15.13 uur in het zorgdossier: “mw. vanmorgen ADL verzorgd, was helder en hielp goed mee, geen orale medicatie gegeven”. De verdachte noteerde vervolgens dat hij haar om 12.00 uur eten en drinken had aangeboden en dat dit uit haar mond liep, want ze had ‘totaal geen slikfunctie’. Hij schreef verder in het zorgdossier dat mevrouw [naam slachtoffer 2] ‘in diepe slaap lijkt te zijn en niet reageert op aanspreken en aanraking. Zij lijkt achteruit te gaan en voelt klam aan’. Hij besloot zijn notitie met de opmerking dat mevrouw ‘voor nu comfortabel lijkt’. Om 15.00 uur werd de dienst van de verdachte overgenomen door een collega, [naam collega 1] . Hij deelde haar mee dat mevrouw [naam slachtoffer 2] in de ochtend nog aanspreekbaar was en dat zij toen had gegeten, maar dat zij sinds 13.00 uur in een coma was en niet meer reageerde op pijnprikkels. Zij zou klam hebben aangevoeld. De collega [naam collega 1] ondernam actie en waarschuwde de verpleeghuisarts. Om 16.36 uur onderzocht de arts mevrouw [naam slachtoffer 2] en hij constateerde dat haar longen ‘schoon klonken’. Vanwege een hangende mond dacht hij aan een CVA. Op aanwijzing van de arts werd getracht de bloedsuikerwaarde van mevrouw [naam slachtoffer 2] te meten. De waarde bleek onder de meetbare waarde van de glucosemeter te zijn. Ter behandeling van deze diepe hypoglykemie werd tweemaal glucagon toegediend en er werd geprobeerd via een maagsonde glucose toe te dienen. Na een kleine stijging daalde de bloedsuikerwaarde binnen een uur weer naar uiteindelijk 1,1 mmol/liter. Hierop werd besloten geen verdere behandeling van de hypoglykemie uit te voeren ‘gelet op de slechte prognose van de CVA’. Er werd gekozen voor het ‘zorgpad stervensfase’. De volgende dag, 20 oktober 2017, had de verdachte vanaf 15.00 uur avonddienst. Rond 17.00 uur is hij – na overleg met de behandelend arts – begonnen met de toediening van morfine. Mevrouw [naam slachtoffer 2] is die avond om 20.45 uur overleden. De verdachte heeft de familie hiervan in kennis gesteld. De verklaring van de verdachte De verdachte heeft in zijn verhoor van 18 november 2017 verklaard dat hij bij mevrouw [naam slachtoffer 2] insuline heeft ingespoten. Het was bij hem opgekomen toen hij die ochtend bij aankomst een kopje thee had gedronken. Hij was bij het begin van zijn dienst naar haar kamer gegaan. Hij had haar in bed aangetroffen en hij had gekeken of ze al wakker was. Daarna had hij, zo rond 07.30-08.00 uur, in haar buik insuline gespoten. De insulinepen, een blauw/oranjekleurige pen van het merk Novorapid, had hij een tijdje daarvoor uit de medicijnen koelkast gehaald en in zijn rugzak gehouden. In een later verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij de insulinepen had meegenomen toen hij nog bij [naam zorginstelling 4] in Ridderkerk werkte. Hij had het gedaan, zo verklaarde hij tegenover de rechercheurs van de politie, voor de spanning op zijn werk. Hij wilde laten zien dat hij zo’n incident goed kon afhandelen en hij hoopte er complimenten voor te krijgen. Hij wist dat mevrouw [naam slachtoffer 2] herstellende was van een longontsteking en dat ze geen diabetes had. Tijdens zijn dienst had hij afgewacht of ze zou gaan transpireren, rood zou gaan zien en klam zou aanvoelen. Hij wist dat dit de eerste verschijnselen van een hypoglykemie zijn. Maar tijdens zijn dienst was dat niet gebeurd en hij had naar zijn idee dus geen bloedsuiker hoeven te meten en een arts hoeven te waarschuwen. Ze was steeds diep in slaap geweest en hij had niet goed het verschil kunnen zien met een coma. Toen hij de volgende dag in dienst kwam was het zorgpad stervensbegeleiding gestart. Hij had gehoord dat ze een CVA had gehad. Mevrouw [naam slachtoffer 2] was nog tijdens zijn dienst overleden. Wat is te zien op de camerabeelden? De camerabeelden van 19 oktober 2017 bevestigen de verklaring van de verdachte dat hij op 19 oktober 2017 vrijwel direct nadat hij in dienst was gekomen insuline heeft toegediend bij mevrouw [naam slachtoffer 2] . Op de beelden is te zien dat hij omstreeks 07.22 uur handelingen verrichtte bij de heup en buik van mevrouw [naam slachtoffer 2] . In de daarop volgende uren liep hij vaak de kamer van mevrouw [naam slachtoffer 2] in. Steeds liep hij naar haar bed, boog zich over haar heen en keek aandachtig in haar gezicht. Op het beeld van 11.15 uur is te zien dat de verdachte mevrouw [naam slachtoffer 2] weer een injectie toediende en daarna de buikhuid masseerde met een handdoek. Deze beelden zijn bekeken door de behandelend arts van mevrouw [naam slachtoffer 2] , dr. [naam getuige 10] en door dr. [naam getuige 11] . Beide artsen hebben de handelingen van de verdachte zoals deze te zien waren op de camerabeelden geduid als het geven van een injectie. Dr. [naam getuige 10] heeft daaraan toegevoegd dat hij zich geen enkele medische handeling kan voorstellen die hier verricht zou moeten worden. Dr. [naam getuige 11] heeft verklaard dat over deze injectie niet is gerapporteerd in het zorgsysteem. Gelet op deze camerabeelden en de wijze waarop deze door twee artsen zijn geduid, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte mevrouw [naam slachtoffer 2] om 11:15 uur een tweede keer heeft ingespoten met insuline, kennelijk omdat hij niet snel genoeg de uiterlijke verschijnselen van een hypoglykemie bij haar zag. Het forensisch onderzoek De deskundige Botter heeft de onwelwording en het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 2] onderzocht. Hij heeft op 17 december 2018 verslag gedaan van zijn bevindingen. Die laten zich als volgt samenvatten. - Op 19 oktober 2017 zijn bij mevrouw [naam slachtoffer 2] een ernstige hypoglykemie en bijbehorende klinische verschijnselen vastgesteld. Deze hypoglykemie is niet te verklaren door haar pre-existente gezondheidstoestand, medicijngebruik of voedingspatroon. De oorzaak is meest waarschijnlijk het gevolg van de toediening van bloedsuikerverlagende medicatie (insuline of oraal in te nemen bloedsuikerverlagende medicatie). - Andere mogelijke oorzaken voor de hypoglykemie worden niet waarschijnlijk geacht. Weliswaar was bij mevrouw [naam slachtoffer 2] sprake van een infectie aan de longen, maar hiervoor werd zij al vier dagen met een antibioticum behandeld. Zij had alweer heldere perioden gekend en bij lichamelijk onderzoek op 19 oktober 2017 was gebleken dat haar longen ‘schoon’ waren. Uit dit klinische beeld kan worden geconcludeerd dat van een ernstige sepsis (‘bloedvergiftiging’) die het bloedsuikergehalte kan verlagen waarschijnlijk geen sprake is geweest. Een insulinoom als oorzaak van de hypoglykemie wordt evenmin waarschijnlijk geacht. Dit betreft immers een zeldzaam voorkomende aandoening, waar het ziektebeloop in het geval van mevrouw [naam slachtoffer 2] niet passend bij is. - Het bestaan (en zeker het langduriger bestaan) van een ernstige hypoglykemie leidt tot onwelwording en coma, waarbij ook verschijnselen kunnen optreden die een beroerte (CVA) suggereren. Bij mevrouw [naam slachtoffer 2] werd op grond van het klinische beeld geconcludeerd dat er mogelijk sprake was van een beroerte. De aanname dat hiervan sprake was heeft geleid tot voortijdige beëindiging van de behandeling van de hypoglykemie en het instellen van abstinerend beleid. In dit kader kwam mevrouw [naam slachtoffer 2] de dag erna te overlijden. Op last van de officier van justitie is op 20 november 2017 het lichaam van mevrouw [naam slachtoffer 2] opgegraven ten behoeve van sectie en toxicologisch onderzoek. Prof. dr. B. Kubat, arts en patholoog, verbonden aan het NFI (hierna: de deskundige Kubat) heeft op 18 oktober 2018 verslag gedaan van de bevindingen naar wat de oorzaak van de dood is geweest. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt samen te vatten. - Het toxicologisch onderzoek toonde onder meer de aanwezigheid van insuline aspart aan in het lichaam. - Bij sectie zijn in totaal elf puntvormige huidperforaties aan de buik en beide bovenbenen vastgesteld. Deze huidperforaties zijn ontstaan als gevolg van prikken met een puntig voorwerp zoals bijvoorbeeld door het injecteren van stoffen kunnen zijn ontstaan. Het toxicologisch onderzoek toonde in vrijwel alle huiddelen insuline aspart aan. Dit wijst erop dat sprake was van blootstelling aan insuline in het algemeen, het bewijst niet dat juist op deze plaatsen insuline werd geïnjecteerd. - Er is bij de sectie geen aanwijzing verkregen voor een ziekelijke afwijking die het overlijden zou kunnen verklaren. Ook waren er geen afwijkingen (tumoren) die het lage bloedglucosegehalte gemeten voorafgaande aan het overlijden zouden kunnen verklaren. - Insuline verlaagt het bloedsuiker. Te lage bloedsuiker (hypoglykemie) is een levensbedreigende en, indien niet behandeld, dodelijke situatie omdat de weefsels geen energie meer kunnen aanmaken uit de (ontbrekende) suiker. Dit leidt onder meer tot beschadiging van de weefsels, bijvoorbeeld de hersenen en het hart en tot verstoring van lichaamsfuncties. Door de verstoring van de hersenfuncties kan een beeld van een herseninfarct (beroerte) worden nagebootst. Het kan ook leiden tot een herseninfarct. Het is wegens de postmortale veranderingen niet mogelijk na te gaan of er sprake was van een hart- en/of herseninfarct als verwikkeling van een lage bloedsuiker. - Een hypoglykemie kon in dit geval niet worden aangetoond in het veiliggestelde materiaal. Er kan echter wel worden gesteld dat gelet op de aanwezigheid van insuline in het lichaamsmateriaal en het ontbreken van een medische noodzaak voor toediening van insuline er sprake moet zijn geweest van een hypoglykemie. De gevolgen/verwikkelingen van de hypoglykemie kunnen het overlijden volledig verklaren. Het verweer van de verdediging De rechtbank bespreekt op dit punt van het vonnis alleen het verweer van de advocaten dat niet vast staat dat de toediening van insuline heeft geleid tot de hiervoor beschreven hypoglykemieën en uiteindelijk het overlijden. De advocaten stellen – zo begrijpt de rechtbank het verweer – dat niet uit te sluiten is dat een longontsteking en niet de insuline oorzaak is van de hypoglykemieën en het uiteindelijke overlijden. Zij voeren hiertoe het volgende aan. Weliswaar concludeert de deskundige Kubat dat de hypoglykemieën het overlijden volledig kunnen verklaren. Echter, deze conclusie is onvoldoende onderbouwd omdat in het geval van mevrouw [naam slachtoffer 2] uit het medische dossier is gebleken dat zij vlak voor de periode van de ten laste gelegde feiten een longontsteking had en hier wordt in het rapport geen rekening mee gehouden. Dat is, zo stelt de verdediging, onbegrijpelijk want dezelfde deskundige Kubat schrijft in een ander rapport ”Het is bekend dat bij bejaarden een lage bloedsuiker kan ontstaan door een infectie en in sommige gevallen zeer laag kan zijn. Het is ook bekend dat met name oude(
  6. re)en demente patiënten geen klachten hoeven te uiten/hebben in geval van een infectie.” Het oordeel van de rechtbank De rechtbank volgt de advocaten niet in hun betoog dat in het geval van mevrouw [naam slachtoffer 2] de hypoglykemie (mogelijk) was veroorzaakt door een infectie, meer specifiek een longontsteking, die daardoor als doodsoorzaak in aanmerking komt. Naar het oordeel van de rechtbank berust het verweer van de verdediging op dit punt op een onjuiste lezing van de bevindingen en de conclusie in het sectierapport. De conclusie van de deskundige Kubat dat het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 2] te verklaren is door de gevolgen/verwikkelingen van een te laag bloedsuiker als gevolg van de toediening van insuline, is gebaseerd op de bevindingen dat insuline is aangetroffen in het onderzochte lichaamsmateriaal van mevrouw [naam slachtoffer 2] . Zij was immers niet bekend met diabetes en er bestond daarom ook geen medische noodzaak voor de toediening van insuline. Daarnaast zijn bij de sectie geen aanwijzingen aangetroffen voor een ziekelijke afwijking die het overlijden zou kunnen verklaren. Nu bij de sectie ook onderzoek is gedaan naar de longen gaat de rechtbank ervan uit dat in het sectierapport eveneens wordt uitgesloten dat mevrouw [naam slachtoffer 2] is overleden aan de gevolgen van een longontsteking. De bevindingen van de deskundige Kubat zijn als het gaat om de oorzaak van de hypoglykemie ook in overeenstemming met de bevindingen van de deskundige Botter na beschouwing van het medische dossier van mevrouw [naam slachtoffer 2] . Vooropgesteld dat de ontregeling van de bloedsuikerwaarden in het algemeen slechts bij ernstige infecties optreedt zoals een sepsis, stelt hij immers dat het klinische beeld van mevrouw [naam slachtoffer 2] op de dag van de hypoglykemie juist een verbetering van haar algehele toestand liet zien. Dit betekent in zijn visie dat geen sprake kan zijn geweest van een sepsis en dat de lage bloedsuikerwaarden daardoor ook niet kunnen zijn ontstaan. De oorzaak van de onwelwording en het overlijden Al met al ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de deskundigen Botter en Kubat. Hoewel de deskundige Botter concludeert dat de onwelwording van 19 en 20 oktober 2017 meest waarschijnlijk het gevolg was van de toediening van bloedsuikerverlagende medicatie (insuline of oraal in de nemen bloedsuikerverlagende medicatie), stelt de rechtbank vast dat de onwelwording met zekerheid is veroorzaakt door de toediening van insuline en dat mevrouw [naam slachtoffer 2] is overleden aan de gevolgen van de onwelwording. De rechtbank gaat hier vanuit op basis van de voornoemde bevindingen van de deskundigen Botter en Kubat, in combinatie met de verklaring van de verdachte dat hij insuline heeft toegediend. Conclusies De rechtbank concludeert dat de verdachte op 19 oktober 2017 niet één keer opzettelijk insuline heeft toegediend bij mevrouw [naam slachtoffer 2] , zoals hij bij de politie heeft verklaard, maar twee keer. Als gevolg van deze toedieningen is mevrouw [naam slachtoffer 2] onwel geworden en (uiteindelijk) overleden. 6.4.3. De onwelwording van mevrouw [naam slachtoffer 3] Inleiding Mevrouw [naam slachtoffer 3] was in september 2016 91 jaar oud. Zij was dement en was voor het overige tamelijk gezond. Zij gebruikte weinig medicatie en was geen diabeet. Zij had op 21 en 22 september 2016 hypoglykemieën. De verdachte heeft bij de politie bekend insuline bij haar te hebben toegediend. Hij zegt dat dit een vergissing was en dat hij per abuis de insuline bestemd voor mevrouw [naam slachtoffer 5] heeft toegediend aan mevrouw [naam slachtoffer 3] . De rechtbank beschrijft hierna eerst de gebeurtenissen uit september 2016 en de bevindingen van de deskundige Botter daarover. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of het inderdaad een vergissing was. De onwelwordingen op 21 en 22 september 2016 en de bevindingen van de deskundige Botter daarover Mevrouw [naam slachtoffer 3] is blijkens het zorgdossier in de ochtend van 21 september 2016 onwel geworden. Ze vertoonde onbegrepen gedrag (gillen zonder reden). Nadat er die nacht meerdere meldingen waren van een bewegingssensor is in het zorgdossier geregistreerd dat de bloedsuikerwaarden om (circa) 08.20 uur en 08.30 uur 1,7 en 1,6 mmol/liter waren. Haar bloedsuikerwaarden zijn die dag vaker gemeten. Overdag waren de meeste gemeten waarden hoger dan 3,9 mmol/liter. Wel was mevrouw [naam slachtoffer 3] onrustig, schreeuwde ze en gedroeg ze zich verward. In de loop van de avond is daarom besloten haar in het Ikazia Ziekenhuis te laten onderzoeken. In de ambulance en later in het ziekenhuis zijn vervolgens meerdere hypoglykemieën vastgesteld, tot in de vroege ochtend van 22 september 2016. Op 23 september 2016 is mevrouw [naam slachtoffer 3] uit het ziekenhuis terug gekomen in [naam zorginstelling 2] . Zij heeft de hypoglykemieën overleefd. Het ziekenhuis heeft vastgesteld dat de hypoglykemieën werden veroorzaakt door toediening van insuline. De deskundige Botter heeft de onwelwordingen onderzocht. Zijn bevindingen laten zich als volgt samenvatten. - Bij mevrouw [naam slachtoffer 3] zijn op 21 en 22 september 2016 gedurende maximaal circa 18 uren, meerdere episoden van hypoglykemie vastgesteld en werden daarbij passende klinische verschijnselen waargenomen. Ervoor en erna is dit niet (meer) voorgekomen. Dit incident is daarom aan te merken als een bijzondere gebeurtenis, aangezien patiënte niet aan suikerziekte leed en de hypoglykemie niet verklaard kan worden uit de medische voorgeschiedenis en de voorgeschreven medicatie. - De deskundige heeft gekeken of ziekelijke oorzaken – ernstige aandoeningen van de alvleesklier, (insulinoom), lever of bijnieren – oorzaak van de hypoglykemieën konden zijn. Hij beschrijft dat dergelijke aandoeningen hypoglykemieën blijven veroorzaken zolang er geen adequate therapie is ingesteld. Uit het eenmalige optreden van de hypoglykemie wordt geconcludeerd dat van dergelijke aandoeningen geen sprake is geweest. - De deskundige Botter concludeert, mede op basis van het onderzoek van het Ikazia Ziekenhuis, dat de hypoglykemieën zijn veroorzaakt door toediening van insuline. De verdediging heeft niet betwist dat toediening van insuline de oorzaak van de hypoglykemieën was. De rechtbank volgt de vaststellingen van het Ikazia Ziekenhuis en de deskundige Botter en concludeert dat de hypoglykemieën op 21 en 22 september 2016 zijn veroorzaakt door toediening van insuline. Was het een vergissing of een opzettelijke toediening van insuline? De rechtbank stelt vast dat de verdachte tegen het einde van de avonddienst van 20 september 2016 insuline aan mevrouw [naam slachtoffer 3] heeft toegediend. De rechtbank plaatst de toediening op dit tijdstip op basis van de eigen verklaring van de verdachte en de verklaring van de getuige [naam getuige 1] . Deze getuige verklaart dat zij die avond dienst had met de verdachte en beschrijft hoe zij de insuline voor mevrouw [naam slachtoffer 5] had voorbereid en dat de verdachte aanbood om die te gaan toedienen voor het einde van zijn dienst. Toen zij na een paar minuten terugkwam op de afdeling, kwam de verdachte volgens haar uit de kamer van mevrouw [naam slachtoffer 5] . Kijkend naar de verklaring van de verdachte over de door hem gestelde vergissing en de verklaring van de getuige [naam getuige 1] , dan zitten er verschillen in de gang van zaken, maar het is wel duidelijk dat beiden praten over dezelfde avond en dat de verdachte dus in de avonddienst van 20 september 2016 insuline heeft toegediend aan mevrouw [naam slachtoffer 3] . Dit was dus de avond voordat de hypoglykemieën werden vastgesteld. Wanneer in meer detail wordt gekeken naar de verklaring van de verdachte, dan valt het volgende op. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij denkt de vergissing in de haast gemaakt te hebben en de vergissing te hebben ontdekt toen hij tijdens een controle merkte dat mevrouw [naam slachtoffer 3] zich agressief gedroeg. Toen heeft hij de hoofdverpleegkundige erbij gehaald en samen hebben ze de arts gebeld. Nadat hij dit had ontdekt, heeft hij niet meer gekeken naar mevrouw [naam slachtoffer 5] , zo verklaarde hij bij de politie. Op zitting heeft de verdachte verklaard bij zijn politieverklaring te blijven en heeft hij geen verdere vragen beantwoord, waaronder de cruciale vraag hoe deze vergissing heeft kunnen plaatsvinden. In aanvulling op de verklaring van de verdachte heeft de verdediging bij pleidooi geopperd dat vermoeidheid aan het einde van de dienst mogelijk een rol heeft gespeeld. De rechtbank is van oordeel dat een vergissing uitgesloten moet worden geacht op grond van de volgende feiten en omstandigheden. - Allereerst verwijst de rechtbank naar de hiervoor al aangehaalde opmerking van de getuige [naam getuige 1] dat zij gezien had dat de verdachte uit de kamer van mevrouw [naam slachtoffer 5] kwam. Zij heeft verklaard dat zij toen de insulinepen van de verdachte heeft overgenomen. De verklaring van de verdachte komt er op neer dat hij mevrouw [naam slachtoffer 5] geen insuline heeft toegediend en niet meer naar haar gekeken heeft. Dat wordt dus tegengesproken door de getuige [naam getuige 1] . Verder heeft de getuige verklaard dat het een rustige dienst was. Dat laatste sluit vergissingen niet uit, maar maakt de kans daarop wel kleiner. - De getuige [naam getuige 1] en de verdachte hebben beiden gezegd dat zij zelf de insuline hebben klaar gemaakt voor toediening (lees: uit de medicijnkar gehaald, van een naald voorzien en opgedraaid tot het juiste aantal toe te dienen eenheden). De verklaring van de getuige [naam getuige 1] dat zij de insuline heeft klaargemaakt en de verdachte vervolgens haar heeft gecontroleerd, vindt bevestiging in de wijze waarop de medicijnlijst is afgetekend. De verdachte en de getuige verklaarden immers beiden dat de getuige [naam getuige 1] als eerste heeft getekend en dat de verdachte heeft getekend op de plek van de controleparaaf. De verklaring van de verdachte dat hij de insuline heeft voorbereid, wordt door de wijze van ondertekening van de medicijnlijst tegengesproken. - De politie heeft diverse medewerkers van [naam zorginstelling 2] gevraagd of mevrouw [naam slachtoffer 5] en mevrouw [naam slachtoffer 3] op elkaar leken. Getuigen [naam getuige 2] , [naam getuige 1] , [naam getuige 3] en [naam getuige 4] hebben verklaard dat een vergissing hen heel onaannemelijk voorkomt. De beide dames lijken niet op elkaar: ze zien er anders uit en gedragen zich anders. Ook liggen hun kamers niet bij elkaar. De getuige [naam getuige 4] zei ook: de verdachte kende de bewoners allemaal bij naam en gezicht en kende hun kamernummers. Ook de verdachte zelf heeft in 2016, toen [naam zorginstelling 2] de onwelwording van mevrouw [naam slachtoffer 3] onderzocht, gezegd dat hij de dames goed kent en uit elkaar kan houden. De rechtbank stelt vast dat de verdachte sinds begin juni 2016 bij [naam zorginstelling 2] werkte en dat hij er alleen al in september 2016 96 uren heeft gewerkt. Al deze omstandigheden maken het onaannemelijk dat de verdachte de beide dames niet uit elkaar kon houden. - De getuige [naam getuige 4] heeft ook verklaard dat ze op diverse momenten de verdachte insuline heeft zien toedienen bij mevrouw [naam slachtoffer 12] en bij mevrouw [naam slachtoffer 5] . Kennelijk wist de verdachte dus dat mevrouw [naam slachtoffer 5] degene was die insuline nodig had en had hij dit ook al meerdere keren bij haar toegediend. - In de lezing van de verdachte heeft mevrouw [naam slachtoffer 5] haar voorgeschreven insuline in de avond van 20 september 2016 niet gehad. De bloedsuikerwaarden van mevrouw [naam slachtoffer 5] zijn op 21 september 2016 gedurende de dag meerdere malen vastgesteld (er is een dagcurve bepaald). Die waarden wijken niet in belangrijke mate af van eerdere dagcurves. Dit is een aanwijzing dat zij op 20 september 2016 haar gebruikelijke insuline heeft gehad. - De verdachte heeft in 2016 verklaard dat hij mevrouw [naam slachtoffer 3] geen insuline heeft toegediend. Pas bij de politie zei hij in 2017 het wel gedaan te hebben. Beide verklaringen sluiten elkaar uit. Al met al staat voor de rechtbank boven gerede twijfel vast dat de verdachte niet per abuis insuline aan mevrouw [naam slachtoffer 3] heeft toegediend. De hiervoor geschetste omstandigheden maken dit onaannemelijk. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte bewust, dus opzettelijk insuline heeft toegediend bij mevrouw [naam slachtoffer 3] . Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de getuige [naam getuige 1] wel als betrouwbaar kan worden gezien. Uit het dossier blijkt dat [naam zorginstelling 2] bij de (toenmalige) Inspectie Gezondheidszorg een zogeheten calamiteitenmelding heeft gedaan. De aanleiding hiervoor was het bericht van het Ikazia Ziekenhuis dat de hypoglykemieën waren veroorzaakt door insuline. Men dacht aan een medicatiefout en in het interne onderzoek dat hierna is ingesteld zijn zowel de verdachte als de getuige [naam getuige 1] gehoord. De getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat zij naar aanleiding hiervan destijds met de verdachte de dienst had doorgenomen en dat zij zich toen allebei niet konden voorstellen dat ze een fout hadden gemaakt. De getuige [naam getuige 1] verklaarde dus niet in januari 2018 bij de politie over een dienst uit september 2016 waar niets bijzonders is gebeurd en waarvan je niet zou verwachten dat ze zich iets kan herinneren. Hoewel het volgens haar een rustige dienst was, is er wel degelijk iets geweest dat voor haar opvallend genoeg was om te onthouden, namelijk het vermoeden van een gemaakte fout, het nagesprek hierover en het interne onderzoek naar aanleiding van de melding bij de inspectie. De verdediging heeft betoogd dat de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, inhoudende dat de toediening van insuline bij mevrouw [naam slachtoffer 3] een vergissing is geweest, geloofwaardig moet worden geacht. Hij heeft immers in diezelfde verklaring bekend dat hij bij twee andere personen wel opzettelijk insuline heeft toegediend. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De verdachte kon de toediening van insuline aan mevrouw [naam slachtoffer 2] en mevrouw [naam slachtoffer 1] moeilijk ontkennen. Deze toedieningen waren vastgelegd op camerabeelden en dat wist de verdachte inmiddels. Wat deze zaken verder anders maakt dan de zaak van mevrouw [naam slachtoffer 3] , is dat in deze zaken een vergissing uit te sluiten is: op de afdeling van [naam zorginstelling 1] waar zij verbleven, waren geen bewoners die insuline gebruikte, sterker nog, op die afdeling was geen insuline aanwezig. Conclusie De slotconclusie ten aanzien van mevrouw [naam slachtoffer 3] is dat zij onwel geworden is als gevolg van de opzettelijke toediening van insuline door de verdachte. 6.5. Zijn in de zaken die de verdachte ontkent de onwelwordingen ook veroorzaakt door de toediening van insuline en was de verdachte in de gelegenheid daartoe? 6.5.1. De onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 5] Mevrouw [naam slachtoffer 5] verbleef in [naam zorginstelling 2] . Zij was in juni en juli 2016 91 jaar oud, ze was dement en was volledig afhankelijk van de verzorging. Haar medische voorgeschiedenis omvat onder meer een beroerte in 1996, een hartinfarct, verminderde werking van de schildklier en reeds lang bestaande suikerziekte waarvoor zij insuline gebruikte. De gezondheidstoestand tijdens het verblijf in [naam zorginstelling 2] werd onder meer gecompliceerd door herhaalde urineweginfecties (blaasontstekingen), breuk van de rechter heup (twee keer), alsmede door breuken van de eerste en tweede halswervel en het bekken. Op 30 juni 2016, 1 juli 2016 en 2 juli 2016 is mevrouw [naam slachtoffer 5] onwel geworden. Op de eerste twee dagen van de onwelwordingen had de verdachte dienst op de etage waar mevrouw [naam slachtoffer 5] verbleef (30 juni en 1 juli 2016 van 14.30 tot 23.00 uur). Op 30 juni 2016 kreeg mevrouw [naam slachtoffer 5] blijkens het zorgdossier in de avond enkele uren lang een hypoglykemie. Daarna ging het enkele uren goed en in de ochtend van 1 juli 2016 is weer een hypoglykemie vastgesteld. Gedurende de dag is de bloedsuikerwaarde enkele keren gemeten en die was toen goed. In de avond van 1 juli 2016 is gedurende 45 minuten weer een hypoglykemie vastgesteld, daarna ging het even goed en enkele uren later werd weer een te lage bloedsuikerwaarde gemeten. Mevrouw [naam slachtoffer 5] heeft de onwelwordingen overleefd. De deskundige Botter heeft de onwelwordingen onderzocht. Zijn bevindingen laten zich als volgt samenvatten. - Hij heeft vastgesteld dat het bloedsuikergehalte van mevrouw [naam slachtoffer 5] veelvuldig werd gemeten. In de jaren 2015 tot en met 2017 waren, met uitzondering van de incidenten in juni en juli 2016, de laagst gemeten glucoseconcentratie 4,7 mmol/liter en de hoogste waarde 17,8 mmol/liter. Bij haar was vrijwel altijd sprake van een hyperglykemie. Daarbij waren de HbA1c-waarden – de parameter voor de gemiddelde bloedsuikerwaarden in de voorafgaande weken – steeds binnen acceptabele normen. De deskundige Botter concludeert op basis daarvan dat met de voorgeschreven maatregelen en geneesmiddelen sprake was van een goede controle over de suikerstofwisseling. - De hypoglykemieën in de avond van 30 juni 2016 en in de vroege ochtend van 1 juli 2016 zijn gezamenlijk goed verklaarbaar door overdosering van een combinatiepreparaat met zowel kortwerkende insuline als langwerkende insuline (zoals bijvoorbeeld Novomix). Toediening van langwerkende orale bloedsuikerverlagende middelen (niet zijnde metformine) is echter niet uit te sluiten. Naar de huidige stand van wetenschap zijn er geen andere verklaringen voor deze hypoglykemieën. Voor de hypoglykemieën in de avond/nacht van 1 op 2 juli 2016 geldt hetzelfde. - De deskundige Botter heeft gekeken naar mogelijke andere oorzaken van de hypoglykemieën. Nierinsufficiëntie is geen aannemelijke oorzaak vanwege eerdere nierfunctiebepalingen, het ontbreken van andere passende klinische verschijnselen en het acute ontstaan van de hypoglykemieën. Een hypoglykemie als gevolg van een urineweginfectie kan blijkens het rapport van de deskundige Botter redelijkerwijs als oorzaak van de onwelwordingen uitgesloten worden. Hij schrijft dat een hypoglykemie veroorzaakt kan worden door een infectie, maar dan is eigenlijk altijd sprake van een ernstige sepsis (‘bloedvergiftiging’), hetgeen in dit geval volgens de deskundige niet aan de orde was. Bovendien had mevrouw [naam slachtoffer 5] vaker urineweginfecties en dat leidde niet tot hypoglykemieën. Verder heeft de deskundige Botter in zijn nadere beantwoording bij de rechter-commissaris uitgelegd dat ook een insulinoom – een tumor waardoor het lichaam te veel insuline aanmaakt – geen verklaring is voor de wisselende perioden van hypoglykemieën en normale waarden: bij insulinomen is er sprake van voortdurende hypoglykemieën. - De plotseling opgetreden diepe hypoglykemieën dienen te worden aangemerkt als bijzondere en onbegrepen gebeurtenissen, waarvan de oorzaak onverwijld onderzocht had moeten worden. De daartoe uitgevoerde onderzoeken zijn niet adequaat dan wel met veel vertraging uitgevoerd. De verdediging heeft de bevindingen van de deskundige Botter betwist. Daartoe is het volgende aangevoerd. Uit de getuigenverklaring van [naam getuige 2] bleek dat de medicatie wel eens wisselde. De insuline was anderhalf jaar voor de onwelwordingen al een keer gehalveerd, werd gestaakt op 1 juli 2016 en is in september 2017 beëindigd. De insulinebehoefte van mevrouw [naam slachtoffer 5] was dus kennelijk onderhevig aan heftige veranderingen. Daar heeft de deskundige Botter geen rekening mee gehouden. Bovendien schrijft de deskundige Botter zelf dat het destijds uitgevoerde onderzoek gebrekkig was en dat beïnvloedt volgens de verdediging wat de deskundige Botter thans nog kan vaststellen naar de huidige stand van de wetenschap. Er kan bovendien niet vastgesteld worden dat in de avond van 1 juli 2016 – toen de instructie gegeven was om geen insuline meer toe te dienen – toch per abuis insuline is toegediend doordat de instructie van de huisarts niet was doorgekomen. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar conclusie dat de insulinebehoefte van mevrouw [naam slachtoffer 5] heftig kon veranderen en dat dat een mogelijke, voldoende plausibele oorzaak van de hier besproken onwelwordingen / hypoglykemieën was. De deskundige Botter beschrijft in bijlage 1 bij zijn rapport de zijns inziens relevante medische geschiedenis van mevrouw [naam slachtoffer 5] sinds 2009. Hij beschrijft onder meer allerlei wijzigingen van de medicatie in het verloop van de tijd, inclusief – in de woorden van de deskundige Botter – een forse verlaging van de insuline in het voorjaar van 2015 en het staken van de insuline per 1 september 2017. Dat de medicatie (frequent) werd aangepast, was dus aan de deskundige Botter bekend en hij schrijft op basis van de vele bloedsuikerwaarde-bepalingen dat er sprake was van een goede controle van de bloedsuikerwaarde. Bovendien – zo stelt de rechtbank vast – blijkt uit het rapport van de deskundige Botter dat er op 21 en 26 juni 2016 – dus enkele dagen voor de onwelwordingen – dagcurves bepaald zijn bij mevrouw [naam slachtoffer 5] en dat daar normaal te achten waarden zijn gemeten. Daarmee komt het betoog van de verdediging er feitelijk op neer dat niet uit te sluiten is dat de insulinebehoefte in de periode 26 juni – 30 juni 2016 plotseling gewijzigd is. Afgezet tegen de onderbouwde conclusie van de deskundige Botter dat mevrouw goed op de insuline was ingesteld, is dat niet aannemelijk en kan hieraan voorbij worden gegaan als uitleg voor de onwelwordingen. Het betoog van de verdediging dat niet uit te sluiten valt dat er in de avond van 1 juli 2016 in strijd met de instructie van de huisarts insuline is toegediend, doet evenmin af aan de bevindingen van de deskundige Botter. Hij schrijft immers dat de onwelwordingen in de avond/nacht van 1 juli 2016 op 2 juli 2016 dezelfde oorzaken hebben als die van de nacht ervoor, dus een overdosering van een combinatiepreparaat of – niet geheel uit te sluiten – mogelijk orale bloedsuikerverlagende medicatie. Daarbij merkt de rechtbank op dat het redelijk vergezocht zou zijn dat er

(1)op 30 juni 2016 per abuis een overdosis is gegeven,
(2)er op 1 juli 2016 ondanks de instructies van de huisarts per abuis doorgegaan zou zijn met de reguliere insuline toediening en
(3)daarbij dan vervolgens wederom en nog steeds per abuis een overdosis zou zijn gegeven. Een dergelijke gang van zaken past meer bij een opzettelijke toediening van te veel bloedsuikerverlagende medicatie dan bij vergissingen. Ten slotte volgt de rechtbank de verdediging ook niet in het betoog dat het onderzoek van de deskundige Botter onvoldoende basis heeft nu de deskundige zelf heeft vastgesteld dat het destijds (in 2016) uitgevoerde onderzoek onder de maat was. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor in § 6.1.1 is overwogen over de bruikbaarheid van het onderzoek van Botter. De rechtbank rondt de beoordeling van de onwelwordingen van 30 juni, 1 juli en 2 juli 2016 af. De rechtbank neemt de hiervoor weergegeven conclusies van de deskundige Botter over. De rechtbank gaat er daarom op basis van het zaaksdossier van mevrouw [naam slachtoffer 5] vanuit dat haar onwelwordingen bij de huidige stand van de wetenschap niet anders verklaard kunnen worden dan door een overdosis insuline of – maar dat is niet heel waarschijnlijk – door oraal toegediende bloedsuikerverlagende medicatie. De verdachte had dienst op de relevante momenten dat deze medicatie werd toegediend en daarmee dus de gelegenheid om dit te doen. 6.5.2. De onwelwording en het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 6] Mevrouw [naam slachtoffer 6] verbleef eveneens in [naam zorginstelling 2] . Zij was in september 2016 79 jaar en had Alzheimer dementie. Tevens had zij een hersenbeschadiging. Zij had diabetes, maar kreeg daarvoor geen medicatie. Mevrouw [naam slachtoffer 6] is op 11 september 2016 onwel geworden. Die dag en de dagen ervoor was ze vermoeid en rustig en de getuige [naam getuige 5] zegt dat ze dachten dat het niet goed met haar ging. Ze was op 10 september 2016 gevallen en had daarbij een hoofdwond opgelopen. Op 11 september 2016 is ze om circa 19.00 uur naar bed gegaan vanwege vermoeidheid. Haar bloedsuikerwaarde is die avond en nacht meerdere keren gecontroleerd. Bij het naar bed gaan en enige tijd daarna was de bloedsuikerwaarde nog goed, maar gedurende de nacht (vanaf 23.00 uur en daarna) is een hypoglykemie vastgesteld. Er is glucose en glucagon toegediend, maar dat hielp niet. Ze was enige tijd comateus. Om 02.30 uur was ze in een diepe hypoglykemie en kon ze niet meer behandeld worden omdat er in [naam zorginstelling 2] toen geen glucagon en glucose voor injectie meer was. Om 03.00 uur werd in het zorgdossier genoteerd dat ze verder wegzakte. Er is een ambulance bijgeroepen en die heeft glucose gebracht. Bij de komst van de ambulance (rond 03.30 uur) is de bloedsuikerwaarde nagekeken en mevrouw had ook toen nog een hypoglykemie. Enige tijd later was de bloedsuikerwaarde hersteld, maar in de vroege ochtend van 12 september 2016 zijn er volgens het zorgdossier weer enkele keren te lage bloedsuikerwaarden gemeten. Gedurende de dag van 12 september 2016 is de bloedsuikerwaarde blijkens het zorgdossier grotendeels weer hersteld. Ze viel gedurende de dag meerdere keren weg. Uiteindelijk is mevrouw [naam slachtoffer 6] rond 21.00 uur door de verdachte overleden aangetroffen in bed. De verdachte had op 11 en 12 september 2016 dienst van 15.00 tot 23.00 uur op de etage waar mevrouw [naam slachtoffer 6] verbleef. De deskundige Botter heeft de onwelwordingen en het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 6] onderzocht. Zijn bevindingen laten zich als volgt samenvatten. - Op 11 en 12 september 2016 zijn bij mevrouw [naam slachtoffer 6] een circa 12 uren durende episode van zeer lage bloedsuikerwaarden en de bijbehorende klinische verschijnselen vastgesteld die niet te verklaren zijn uit haar pre-existente gezondheidstoestand, haar medicijngebruik en haar voedingspatroon. Dit is in dit kader bezien alleen te verklaren door toediening van één of meer bloedsuikerverlagend(
  1. e)medicament(en), zoals insuline(
  2. s)en/of orale bloedsuikerverlagende middelen. Gezien de lange duur van optreden van de hypoglykemieën zal daarbij sprake zijn geweest van toediening van (onder andere) een langwerkend bloedsuikerverlagend medicament. - De deskundige Botter heeft gekeken naar mogelijke andere oorzaken van de hypoglykemieën. Een insulinoom als oorzaak wordt uitgesloten, omdat bij een insulinoom perioden van hypoglykemie niet worden afgewisseld met perioden van normale bloedsuikerwaarden. Bovendien is een insulinoom zeldzaam. De deskundige Botter heeft ook gekeken of de val van 10 september 2016 een rol gespeeld kan hebben bij de hypoglykemieën. Hij stelt vast dat het dossier geen verschijnselen beschrijft die evident passen bij inwendig hoofdletsel, maar er zijn wel enkele aspecifieke symptomen (vermoeidheid, rustig, slaperig, tweemaal overgeven). Die symptomen kunnen passen bij een hypoglykemie, maar passen ook bij een subduraal hematoom (een bloeding onder het harde hersenvlies). Een dergelijke inwendige bloeding kan niet worden uitgesloten. Als een dergelijke inwendige bloeding heeft bestaan, dan kan dit niet de oorzaak van de hypoglykemieën zijn. - De deskundige Botter kan de doodsoorzaak niet met zekerheid vaststellen. Er zijn in de loop van 12 september 2016 bloedsuikerwaarden bepaald tot twee uur voor haar overlijden. In de middag en de avond is geen hypoglykemie vastgesteld. Het is niet uitgesloten dat er daarna – dus in de laatste twee uur voor haar overlijden – alsnog een hypoglykemie is geweest, maar dat staat niet vast. Als er een subduraal hematoom is geweest, dan is niet uit te sluiten dat dat (mede) de doodsoorzaak was. De verdediging heeft de bevindingen van de deskundige Botter betwist. Daartoe is het volgende aangevoerd. Mevrouw [naam slachtoffer 6] wordt op 29 juli 2016 voor het eerst gediagnosticeerd met diabetes, terwijl de medische voorgeschiedenis ook al een diagnose diabetes mellitus type 2 liet zien sinds 2012 dan wel sinds 2010. Het rapport noch het overige dossier toont informatie met betrekking tot de vraag of mevrouw recent nog was gecontroleerd ter zake de noodzakelijkheid van enige medicatietoediening voor de vastgestelde diabetes. Hierdoor was geen actuele informatie beschikbaar over haar diabetes diagnose. Bovendien blijkt uit de tijdlijn dat mevrouw heeft gebraakt, hetgeen haar voedingsinname die dag slecht kan hebben beïnvloed. Verder is het volgens de verdediging de vraag welke invloed de diabetes heeft gehad op de bloedsuikerwaarden. Bij diabetes type 2 maakt het lichaam in eerste instantie meer insuline aan, daar het lichaam ongevoelig lijkt voor insuline, althans hier niet goed op lijkt te reageren. De verdediging verwijst in dat verband naar de website van het diabetesfonds. Dit alternatief is door de deskundige Botter onvoldoende meegewogen. Tenslotte heeft de verdediging vraagtekens gesteld bij de metingen van bloedsuikerwaarde in de ochtend van 12 september 2016: er worden zeer lage waarden genoteerd met de mededeling dat mevrouw [naam slachtoffer 6] helder was, terwijl de deskundige Botter zelf aangeeft dat dergelijke waarden niet verenigbaar zijn met een normaal bewustzijn. Kortom, volgens de verdediging is het onvoldoende zeker dat er insuline is toegediend. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar conclusie dat er geen actuele informatie beschikbaar is over de diabetes van mevrouw [naam slachtoffer 6] en dat op grond daarvan onvoldoende zeker is dat de natuurlijke aanmaak van insuline een rol van betekenis heeft gespeeld. De onwelwordingen vonden plaats in de nacht van 11 op 12 september 2016 en de diagnose diabetes is van eind juli 2016, dus anderhalve maand eerder. Uit het dossier blijkt dat de bloedsuikerwaarden normaal waren op 28 juli, 10 september en 11 september 2016 (tot in de loop van de avond). De deskundige Botter en de door hem geraadpleegde prof. dr. Bilo zagen geen aanleiding om de stand van de diagnose diabetes en de natuurlijke aanmaak van insuline als mogelijke oorzaak mee te nemen. Gebleken is inderdaad dat mevrouw heeft overgegeven. Het is voor de rechtbank niet duidelijk of dat heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de vaststelling in de late avond van 11 september 2016 dat er een hypoglykemie was. In het zorgdossier (in de samenvatting van de deskundige Botter, p. 3 e.v. van zijn rapport) stond vermeld op 10 september 2016 dat geen sprake was van bewustzijnsdaling, misselijkheid of braken. Verder vermeldde het zorgdossier dat er is overgegeven op 11 september 2016 na de vaststelling van de hypoglykemie en vermeldde het dossier toediening van medicatie tegen overgeven op 12 september 2016. Ook vermeldde het zorgdossier op 12 september 2016 dat mevrouw twee keer heeft gebraakt na het oplopen van hoofdletsel, maar overigens wel normaal at. Het is dus maar de vraag of mevrouw [naam slachtoffer 6] heeft overgegeven voorafgaand aan de hypoglykemieën en of het braken daarvan dus een oorzaak kan zijn. Feit is in ieder geval dat de deskundige Botter in het braken geen aanleiding heeft gezien om gebrek aan voeding als aannemelijke oorzaak van de hypoglykemie te beschouwen. Ook prof. dr. Bilo heeft hierover geen opmerkingen gemaakt. De rechtbank merkt over deze drie hiervoor besproken punten – de door de verdediging gestelde relevantie van de actuele stand van zaken van de diagnose, eigen aanmaak van insuline en de invloed van het braken – nog het volgende op. Dit zijn onderwerpen die de verdediging in een tegenonderzoek aan de orde had kunnen stellen of die minst genomen door haar aan de deskudige Botter hadden kunnen worden voorgelegd. Dit heeft de verdediging nagelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding om op basis van speculaties af te wijken van het rapport van de deskundige Botter dat zij – zoals in § 6.1.1 reeds is toegelicht – juist en betrouwbaar acht. De rechtbank volgt de verdediging wel in de vaststelling – die ook door de deskundige Botter wordt onderschreven – dat de bloedsuikerwaarden die vastgesteld zijn op 12 september 2016 om 05.45 en 06.30 uur niet verenigbaar zijn met een helder bewustzijn, zoals in het zorgdossier staat vermeld. De vraag is inderdaad of die waarden juist zijn of dat mevrouw toen mogelijk toch niet bij bewustzijn was. Die vraag doet echter niet af aan het feit dat uit het dossier met voldoende zekerheid valt af te leiden dat er ook eerder in de nacht van 11 op 12 september 2016 hypoglykemieën en symptomen daarvan zijn vastgesteld. Dat gebeurde ook na aankomst van de ambulance, toen is de bloedsuikerwaarde gemeten met vrijwel zeker een meter van de ambulance. Vervolgens zijn er na 06.30 uur nog twee keer te lage bloedsuikerwaarden gemeten (twee keer 3,5 mmol/liter, als onderdeel van de dagcurve). Er kunnen dus terecht vragen gesteld worden bij de waarden van 05.45 en 06.30 uur, maar daarvoor en daarna zijn meerdere keren hypoglykemieën vastgesteld. De rechtbank gaat uit van de juistheid van die andere metingen. Dat betekent dat de rechtbank er vanuit gaat dat er gedurende een periode van circa 12 uur sprake was van perioden met hypoglykemie en perioden met goede bloedsuikerwaarden. Anders gezegd: de vraagtekens over deze twee metingen doen niet af aan de conclusies van de deskundige Botter. De rechtbank rondt de beoordeling van de onwelwordingen van 11 en 12 september 2016 af. De rechtbank neemt de hiervoor weergegeven conclusies van de deskundige Botter over. De rechtbank gaat er daarom op basis van het zaaksdossier van mevrouw [naam slachtoffer 6] vanuit dat de onwelwordingen in de nacht van 11 op 12 september 2016 alleen zijn te verklaren door toediening van bloedsuikerverlagende medicatie (insuline of orale medicatie). De verdachte had toen dienst en daarmee dus de gelegenheid om dit te doen. 6.5.3. De onwelwordingen en het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 7] Mevrouw [naam slachtoffer 7] verbleef sinds 2 augustus 2013 in [naam zorginstelling 3] . In september 2016 was zij 84 jaar. Haar algemene toestand was in de periode 2013 tot haar overlijden op 28 september 2013 geleidelijk achteruit gegaan. Ze was niet bekend met suikerziekte en werd daar (dus) niet voor behandeld. Wel was zij dement. Op 26 september 2016 werd mevrouw [naam slachtoffer 7] plotseling onwel. Dit werd rond 09.00 uur gezien door de huiskamerassistent van de woning. De verdachte heeft toen de arts gebeld. Nadat bijkens het zorgdossier in de ochtend rond 09.30 uur een bloedsuikerwaarde van 11,3 mmol/liter was gemeten, is rond 15.00 uur een hypoglykemie vastgesteld. Er is glucose toegediend en mevrouw heeft wat gegeten. In de avond van 26 september 2016 en in de ochtend van 27 september 2016 waren de bloedsuikerwaarden positief, maar rond 10.00 uur was mevrouw [naam slachtoffer 7] weer klam en niet aanspreekbaar. Ze had de volgende ochtend (27 september 2016) om 10.48 uur een bloedsuikerwaarde 1,0 mmol/liter. Er is toen besloten om geen medicatie meer toe te dienen. Wel is er morfine toegediend in het kader van het zorgpad (palliatieve zorg). Mevrouw [naam slachtoffer 7] is op 28 september 2016 overleden. De verdachte had op 26 en 27 september 2016 dagdienst. Voor 26 september 2016 blijkt dit uit het zorgleefplan, waarin de naam van de verdachte wordt genoemd in een registratie van 15.02 uur en uit de verklaringen van meerdere getuigen dat de verdachte die dag dienst had. Voor 27 september 2016 blijkt dit uit een opgave van [naam zorginstelling 3] , de registraties in het zorgdossier met het account [naam account] en de verklaring van de getuige [naam getuige 6] dat ze op 27 september 2016 instructies had gegeven dat de verdachte niet meer bij mevrouw [naam slachtoffer 7] mocht komen en dat ze later had gehoord dat hij dit toch had geprobeerd. De deskundige Botter heeft de onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 7] onderzocht. Zijn bevindingen laten zich als volgt samenvatten. - In de middag van 26 september 2016 werd bij mevrouw [naam slachtoffer 7] een ernstige hypoglykemie en bijbehorende klinische verschijnselen vastgesteld. Gezien de mogelijke oorzaken van hypoglykemie bij mensen zonder diabetes kan worden geconcludeerd dat deze hypoglykemie niet te verklaren was door haar pre-existente gezondheidstoestand, medicijngebruik of voedingspatroon. - De deskundige Botter heeft gekeken naar mogelijke oorzaken van de hypoglykemieën van 26 september 2016. In dit verband heeft hij gekeken naar: I. toediening van bloedsuikerverlagende medicatie (insuline of oraal in te nemen bloedsuikerverlagende medicatie); II. een ernstige infectieziekte; II. een verhoogde insulinespiegel veroorzaakt door een insuline-producerende tumor van de alvleesklier (insulinoom). - De deskundige Botter stelt dat een hypoglykemie door een infectie kan worden veroorzaakt, maar dat het in het algemeen dan gaat om een ernstige sepsis (bloedvergiftiging). Daarvoor waren geen aanwijzingen. Ook een insulinoom sluit hij uit. Een insulinoom is een zeldzame tumor en het ziektebeeld past niet bij een insulinoom. De deskundige Botter concludeert dat de hypoglykemie die op 26 september 2016 is vastgesteld bij mevrouw [naam slachtoffer 7] meest waarschijnlijk het gevolg is van de toediening van bloedsuikerverlagende medicatie (insuline of oraal in te nemen bloedsuikerverlagende medicatie). Hij kan geen uitspraak doen over de vraag welk soort bloedsuikerverlagend middel is toegediend. Toediening van de medicatie zal hebben plaatsgevonden op 26 september 2016 tussen circa 11.30 uur en 15.00 uur. Het glucosebeloop suggereert dat het het meest waarschijnlijk is, dat er een insulinepreparaat met een snelle werkingsduur is toegediend. - Op 27 september 2016 is nogmaals een hypoglykemie vastgesteld. Ook hiervoor geldt dat toediening van een bloedsuikerverlagende medicatie de meest waarschijnlijke oorzaak is. - Er zijn geen aanwijzingen dat de onwelwordingen het gevolg waren van een andere stof of een ernstige ziekte. - De deskundige Botter concludeert dat de behandeling van de onwelwordingen niet conform het protocol heeft plaatsgevonden. Het is volgens hem zeer waarschijnlijk dat op 27 september 2016 de hypoglykemie op eenvoudige wijze hersteld had kunnen worden. - Op 27 september 2016 werd na opnieuw vaststellen van een diepe hypoglykemie besloten om mevrouw [naam slachtoffer 7] hiervoor niet meer te behandelen. Er werd een abstinerend beleid gekozen en mevrouw [naam slachtoffer 7] kwam binnen 14 uur te overlijden. Het overlijden is waarschijnlijk (mede) het gevolg van een hypoglykemie (door toediening van bloedsuikerverlagende medicatie) en van het gekozen beleid om deze hypoglykemie niet meer te behandelen. In het kader van het politieonderzoek is het lichaam van mevrouw [naam slachtoffer 7] op 11 januari 2018 opgegraven en vervolgens nader onderzocht. Het pathologisch rapport van de deskundige Kubat meldt dat als gevolg van het tijdsverloop – het lichaam was ruim vijftien maanden begraven geweest – niet vastgesteld kon worden of mevrouw [naam slachtoffer 7] infecties had ten tijde van haar overlijden en/of dat insuline oorzaak was van de lage bloedsuikerwaarden. De deskundige Kubat schrijft dat bij bejaarden een lage bloedsuiker kan ontstaan door een infectie en dat het ook bekend is dat met name oudere en demente patiënten geen klachten hoeven te hebben van een infectie. Verder schrijft de deskundige Kubat dat op grond van de verkregen informatie ten aanzien van de bloedsuikermeting kan worden gesteld dat het zeer waarschijnlijk is dat het overlijden wordt verklaard door verwikkelingen van de lage bloedsuikerspiegel. Ook bij toxicologisch onderzoek kon geen insuline worden aangetoond. In het rapport dat is opgesteld naar aanleiding van toxicologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 7] als gevolg van geneesmiddelen, drugs en/of insuline niet kan worden geconcludeerd of uitgesloten. De verdediging heeft de bevindingen van de deskundige Botter betwist. Daartoe is het volgende aangevoerd. Op grond van de bevindingen van de deskundige Kubat staat niet vast dat insuline is toegediend, nu zij een infectie niet uitsluit. De deskundige Botter doet dat wel, maar daarover bestaat dus geen eenduidigheid. Bovendien zijn op het lichaam van mevrouw [naam slachtoffer 7] geen verdachte injectieplekken gevonden, terwijl die in het geval van toediening van insuline wel verwacht hadden mogen worden. Deze verweren slagen niet. Het is juist dat de deskundige Kubat schrijft dat bij bejaarden een lage bloedsuiker kan ontstaan door een infectie en dat het ook bekend is dat met name oudere en demente patiënten geen klachten hoeven te hebben van een infectie. Net als de deskundige Kubat onderkent ook de deskundige Botter blijkens zijn rapport dat een infectie een hypoglykemie kan veroorzaken. Echter, hij voegt daaraan toe dat het dan in het algemeen gaat om een ernstige sepsis, een bloedvergiftiging, en hij schrijft dat daar geen aanwijzingen voor zijn. Omdat de bevindingen van de deskundige Botter zijn voorgelegd en becommentarieerd door prof. dr. Bilo – hoogleraar inwendige geneeskunde en tot 1 mei 2018 als internist gespecialiseerd in diabetes in het Isala ziekenhuis – hecht de rechtbank meer betekenis toe aan de specifieke conclusies van de deskundige Botter dan aan de meer algemene opmerking van de deskundige Kubat. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de opmerking van de deskundige Kubat niet gekwantificeerd is, in de zin dat de zij iets zegt over de waarschijnlijkheid dat een infectie een rol zou hebben gespeeld. De deskundige Botter doet dat (impliciet) wel. Hij stelt dat hypoglykemieën bij een niet-diabetes patiënt – zoals mevrouw [naam slachtoffer 7] – zeldzaam zijn, hij weegt de verschillende mogelijke oorzaken daarvan en concludeert dat toediening van bloedsuikerverlagende medicatie de meest waarschijnlijke oorzaak is. De rechtbank stelt hierbij nog vast dat de verdediging niet heeft gevraagd om een tegenonderzoek en de bevindingen van de deskundige Kubat evenmin heeft laten voorleggen aan de deskundige Botter. Dit alles maakt dat de rechtbank kiest voor de meer op het geval van mevrouw [naam slachtoffer 7] toegesneden uitleg van de deskundige Botter en zich hiermee voldoende voorgelicht acht. Over de gestelde afwezigheid van verdachte injectieplekken kan de rechtbank kort zijn. Het lichaam van mevrouw [naam slachtoffer 7] heeft ruim vijftien maanden begraven gelegen in een vochtige omgeving voordat er sectie op plaatsvond. De deskundige Kubat schrijft dat het lichaam in vergaande staat van ontbinding was. Het is dan ook speculatief dat verdachte injectieplekken nog aangetroffen konden worden. Vragen hierover aan de deskundige Kubat zijn door de verdediging niet gesteld. De rechtbank rondt de bespreking van de onwelwordingen af. De rechtbank neemt de hiervoor weergegeven conclusies van de deskundige Botter over. De rechtbank gaat er daarom op basis van het zaaksdossier van mevrouw [naam slachtoffer 7] vanuit dat de hypoglyekmieën bij mevrouw [naam slachtoffer 7] meest waarschijnlijk het gevolg zijn van de toediening van bloedsuikerverlagende medicatie (insuline of oraal in te nemen bloedsuikerverlagende medicatie). Verder gaat de rechtbank ervan uit dat het overlijden waarschijnlijk (mede) het gevolg is van een hypoglykemie en van het gekozen beleid om deze hypoglykemie niet meer te behandelen. 6.5.4. De onwelwording van de heer [naam slachtoffer 4] Net als mevrouw [naam slachtoffer 7] verbleef de heer [naam slachtoffer 4] in [naam zorginstelling 3] . Hij was in oktober 2016 73 jaar, had een slecht hart en leed aan dementie. Hij was niet bekend met diabetes en werd daarvoor (dus) ook niet behandeld. Op 3 oktober 2016 werd de heer [naam slachtoffer 4] kort na het ontbijt plotseling onwel. Hij was diep comateus en hij had een hypoglykemie. Na toediening van glucose vond eerst een beperkt herstel plaats, maar later op de dag had hij opnieuw een sterk verlaagde bloedsuikerwaarde. Er werd rekening gehouden met een spoedig overlijden en zijn familie is daarvan op de hoogte gesteld. In de loop van de dag is hij echter toch hersteld en hij heeft de onwelwording overleefd. Er heeft in 2016 een bloedonderzoek plaatsgevonden, omdat de onwelwording niet logisch kon worden verklaard. De verdachte werkte op 3 oktober 2016 bij [naam zorginstelling 3] . Hij had die dag dienst en is degene die de onwelwording van de heer [naam slachtoffer 4] heeft ontdekt. De deskundige Botter heeft ook deze onwelwording onderzocht. Hij heeft daarbij niet alleen prof. dr. Bilo geraadpleegd, maar ook een cardioloog, prof. dr. Peters. Zijn bevindingen laten zich als volgt samenvatten. - De bloedsuikerwaarde die in de ochtend van 3 oktober 2016 bij de heer [naam slachtoffer 4] is vastgesteld, moet als onverwacht en sterk afwijkend worden gezien. Deze was destijds – zo begrijpt de rechtbank het rapport van de deskundige Botter – klinisch onverklaarbaar. - De verschillende zeer lage bloedsuikerwaarden van 3 oktober 2016 zijn niet te verklaren uit de pre-existente gezondheidstoestand, het medicijngebruik of het voedingspatroon van de heer [naam slachtoffer 4] . Na oktober 2016 zijn geen afwijkende bloedsuikerwaarden meer bij hem vastgesteld. - Naar de huidige stand van wetenschap en op basis van de uitgevoerde onderzoeken zijn de gemeten lage bloedsuikerwaarden alleen te verklaren door toediening van insuline. Als gevolg van die lage bloedsuikerwaarden zijn vervolgens ook complicaties ontstaan met het hart. Er was een zuurstoftekort in de hartspier en het is aannemelijk dat dit de ernst van de situatie destijds heeft versterkt. Gelet op het verloop van de bloedsuikerwaarden op 3 oktober 2016 kan er sprake zijn van een eenmalige toediening van insuline in een hoge dosis of er kan meerdere keren insuline zijn toegediend. - Er zijn ECG-afwijkingen vastgesteld door de behandelend arts op 3 oktober 2016. Die werden aanvankelijk door de behandelend arts en een geconsulteerd cardioloog uitgelegd als het gevolg van een hartinfarct. Op 4 oktober 2016 liet de ECG geen afwijkingen meer zien, de hartafwijkingen werden geduid als een complicatie van de hypoglykemie. Prof. dr. Peters heeft nader onderzoek gedaan naar de hartafwijkingen. Hij stelt vast dat de ECG’s van 3 oktober 2016 afwijkingen vertonen die passen bij een ernstig zuurstoftekort in de hartspier en dat dit de dag erna was hersteld. Prof. dr. Peters heeft verder aangegeven dat een ernstig verlaagde bloedsuiker kan leiden tot functiestoornissen van de hartspier met ECG-veranderingen die passen bij zuurstofgebrek. Dat kan ook leiden tot een hartinfarct. Een hartinfarct kan leiden tot een coma als de bloedsomloop daardoor tekortschiet, maar als de bloedsomloop ten tijde van de coma normaal is, dan kan dit de coma niet verklaren en is het lage bloedsuikergehalte veel waarschijnlijker de oorzaak van de coma. De deskundige Botter concludeert dat het sterk verlaagde bloedsuikergehalte meest waarschijnlijk de oorzaak was van het zuurstoftekort. - De ernstige hart- en bloedvatproblemen van de heer [naam slachtoffer 4] maakten dat een ontregeling van de stofwisseling door een laag bloedsuikergehalte een verhoogd risico op ernstige complicaties met zich bracht. Daarbij kan worden gedacht aan hartritmestoornissen, een hartinfarct en/of hartfalen. Dat is ook gebeurd in dit geval en de kans op overlijden was aanzienlijk. - De uitgevoerde diagnose en behandeling wijken sterk af van de geldende behandelingsprotocollen. Er is te lang gewacht met toediening van medicatie en er is onvoldoende medicatie toegediend. Ondanks onduidelijkheid over de oorzaak van de hypoglykemie is er besloten tot een abstinerend beleid waarbij aangenomen werd dat het overlijden spoedig te verwachten viel. Door de inadequate behandeling is de heer [naam slachtoffer 4] blootgesteld geweest aan een onnodig langdurige hypoglykemie met dientengevolge een verhoogd risico op ernstige mogelijk fatale complicaties. De verdediging heeft de bevindingen van de deskundige Botter betwist. Aangevoerd is dat in 2016 onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de onwelwordingen. Dat moet meegewogen worden bij de vraag wat naar ‘de huidige stand van de wetenschap’ nog kan worden vastgesteld. Zoals door het hof Arnhem-Leeuwarden is overwogen in zijn arrest van 14 april 2010 in de zaak Lucia de B., dient in een geval waar geen medische evidentie is, extra kritisch gekeken te worden naar de wel beschikbare onderzoeksresultaten. De verdediging stelt dat niet vastgesteld kan worden dat het overige onderzoek die verzwaarde test doorstaat. De deskundige Botter concludeert immers dat het uitgevoerde bloedonderzoek uit 2016 geen bruikbare informatie oplevert nu de bloedafname van de heer [naam slachtoffer 4] te laat heeft plaatsgevonden. Daarnaast bestond er tijdens het onderzoek ook nog onduidelijkheid over de mogelijke invloed van een myocardinfarct. De rechtbank gaat aan deze verweren voorbij. Uit de toelichting van de deskundige Botter blijkt dat het bloed in 2016 te laat is afgenomen om toediening van insuline vast te stellen, maar laat het bloedonderzoek wel toe uit te sluiten dat orale bloedsuikerverlagende medicatie is toegediend. De deskundige Botter legt op navolgbare wijze uit waarom hij ondanks deze beperking toch kan concluderen dat insuline is toegediend. Zijn uitleg komt er op neer dat hij andere mogelijke oorzaken heeft uitgesloten. Dit heeft hij ook zo uitgelegd in zijn schriftelijke beantwoording van vragen van de verdediging. De verdediging maakt niet concreet waarom deze benadering van de deskundige Botter (mogelijk) niet juist is. De enkele opmerking dat extra kritisch naar het bewijs moet worden gekeken is hiertoe onvoldoende. Met betrekking tot de hartproblemen wijst de rechtbank op het feit dat de deskundige Botter een cardioloog heeft geraadpleegd. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom dat onderzoek tekort zou schieten. De verdediging maakt haar bezwaren ook op dit punt niet voldoende concreet. De slotsom is dat de rechtbank de conclusies van de deskundige Botter overneemt. De rechtbank stelt daarom vast dat naar de huidige stand van wetenschap en op basis van de uitgevoerde onderzoeken het niet anders kan dan dat de hypoglykemieën bij de heer [naam slachtoffer 4] zijn veroorzaakt door de toediening van insuline. 6.5.5. De onwelwordingen en het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 8] Standpunt van de verdediging ten aanzien van alle zaken in [naam zorginstelling 4] In alle zaken die betrekking hebben op [naam zorginstelling 4] heeft de verdediging in het algemeen gewezen op de werkwijze en werkmores in [naam zorginstelling 4] en de bevindingen uit de Onderzoeksrapporten Calamiteit [naam zorginstelling 4] . De advocaten hebben gesteld dat het als gevolg van de werkwijze en omstandigheden binnen [naam zorginstelling 4] niet mogelijk is om tot de conclusie te komen dat alle gehanteerde rapportages juist zijn waardoor niet onomstotelijk vaststaat wat de medicatie toediening is geweest op specifieke momenten bij specifieke patiënten. Daarnaast heeft dit tot gevolg dat ook niet zonder twijfel kan worden vastgesteld welk personeelslid wat heeft gedaan bij welke patiënt, aldus de advocaten. Voor zover de verdediging deze algemene stellingen nader heeft uitgewerkt in een duidelijk, door argumenten onderbouwd en op een specifieke zaak van toepassing zijnd verweer zal hierop bij de bespreking van de zaken uit [naam zorginstelling 4] worden ingegaan. Voor het overige laat de rechtbank deze punten onbesproken bij gebreke aan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Inleiding Mevrouw [naam slachtoffer 8] leed aan Alzheimer-dementie en was in dat kader sinds 5 september 2016 opgenomen in [naam zorginstelling 4] . Zij had verder een redelijk goede algemene lichamelijke gezondheid en zij leed niet aan suikerziekte. In februari 2017 was mevrouw [naam slachtoffer 8] 73 jaar oud. De onwelwording op 17 februari 2017 Op 17 februari 2017 had mevrouw [naam slachtoffer 8] overdag actief meegedaan aan activiteiten en er was geen sprake van ziekte. Om 15.00 uur begon de verdachte met zijn avonddienst. Hij had dienst samen met collega [naam collega 2] , een helpende niveau 2. De verdachte heeft gerapporteerd dat mevrouw [naam slachtoffer 8] rond 16.30 uur plotseling onwel werd en niet meer aanspreekbaar was. Haar toestand bleek verklaarbaar door een zeer laag bloedsuikergehalte (1,2 mmol/liter). Ter behandeling werd een injectie glucagon gegeven en zij kreeg suikerrijke jam en siroop toegediend. Besloten werd mevrouw te laten onderzoeken in het Maasstad Ziekenhuis, omdat rond 17.15 uur nog steeds sprake was van een sterk verlaagd bloedsuikergehalte (1,1 mmol/liter). Bij aankomst in het ziekenhuis rond 18.10 uur was nog sprake van een verlaagd bewustzijn en een enigszins verlaagd bloedsuikergehalte (18.37 uur: 4,4 mmol/liter, om 19.45 uur 4,0 mmol/liter). Zij werd opgenomen ter observatie. De volgende ochtend waren de bloedsuikergehalten weer normaal en werd mevrouw ontslagen uit het ziekenhuis. Terug in [naam zorginstelling 4] bleek mevrouw [naam slachtoffer 8] goed te zijn hersteld. De deskundige Botter heeft in zijn rapport over mevrouw [naam slachtoffer 8] gemeld dat op 17 februari 2017 bij haar een urenlang durende hypoglykemie en de bijbehorende klinische verschijnselen zijn vastgesteld die niet te verklaren zijn door haar pre-existente gezondheidstoestand, medicijngebruik of voedingspatroon. Na afweging van mogelijke oorzaken voor deze hypoglykemie heeft de deskundige Botter geconcludeerd dat de toediening van één of meer bloedsuikerverlagend(
  3. e)medicament(en), zoals insuline(
  4. s)en/of orale bloedsuikerverlagende middelen de meest waarschijnlijke oorzaak is van de hypoglykemie op 17 februari 2017. Een andere oorzaak kan niet met zekerheid worden uitgesloten, maar is zeer onwaarschijnlijk. Eén van de mogelijke oorzaken die de deskundige heeft onderzocht is een insulineproducerende tumor (insulinoom). In het ziekenhuis is op 18 februari 2017 bloedonderzoek gedaan naar de spiegels van C-peptide en insuline bij mevrouw. Een te hoog C-peptidegehalte kan duiden op een insulinoom. De deskundige Botter concludeert dat een insulinoom als oorzaak van deze hypoglykemie zeer onwaarschijnlijk is. Bij een insulinoom worden perioden van hypoglykemie namelijk niet afgewisseld met perioden met normaal bloedsuikergehalte en dat was bij mevrouw wel het geval. Bovendien betreft het een zeldzaam voorkomende tumorsoort. De verdediging heeft gesteld dat het onderzoek naar dit hypoglykemisch incident onjuist dan wel onvolledig is geweest, omdat onderzoek aan bloed heeft plaatsgevonden dat een dag na het incident is afgenomen. Dat laatste is juist, maar uit het rapport van de deskundige Botter blijkt dat hij tot zijn conclusies is gekomen zonder gebruik te maken van de resultaten van dat bloedonderzoek. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor in § 6.1.1. over de rapporten van de deskundige Botter is overwogen. Het verweer slaagt niet. De onwelwording op 18 februari 2017 Op 18 februari 2017 is mevrouw [naam slachtoffer 8] rond 14.00 uur teruggekomen vanuit het ziekenhuis in [naam zorginstelling 4] en zij bleek volledig hersteld. Zij liep rond over de afdeling en uitte geen klachten. Om 15.00 uur startte de avonddienst van de verdachte. Hij had dienst samen met collega [naam collega 3] , een helpende niveau 2. De verdachte heeft gerapporteerd dat mevrouw [naam slachtoffer 8] rond 16.30 uur zou hebben aangegeven zich niet lekker te voelen. Haar bloedsuikergehalte werd gemeten en bleek normaal te zijn (5,2 mmol/liter). Preventief werd haar 125 cc suikerrijke stroop gegeven. Volgens de rapportage van de verdachte kwam hij een half uur later terug op haar kamer en had zij een sterk verlaagd bewustzijn, stuiptrekkingen en een onregelmatige ademhaling. Het glucosegehalte bleek toen sterk verlaagd: 1,0 mmol/liter. Zij werd na overleg met de huisarts opnieuw naar het Maasstad Ziekenhuis gebracht. In de ambulance werd een glucosegehalte gemeten van 7,2 mmol/liter. Toch bleef sprake van een sterk verlaagd bewustzijn, ook in het ziekenhuis nog. Uit de laboratoriumuitslagen van het ziekenhuis blijkt dat om 18.57 uur weer sprake was van een sterk verlaagd bloedsuikergehalte (1,4 mmol/liter). Acht minuten later werd echter een normale spiegel gemeten (5,1 mmol/liter). In de nacht werd om 02.25 uur ook een normale spiegel gemeten (5,2 mmol/liter). De deskundige Botter heeft gerapporteerd dat op 18 februari 2017 bij mevrouw [naam slachtoffer 8] voor de tweede keer een hypoglykemie en de bijbehorende klinische verschijnselen zijn vastgesteld die niet te verklaren zijn door haar pre-existente gezondheidstoestand, medicijngebruik of voedingspatroon. Na afweging van de mogelijke oorzaken voor de hypoglykemie komt de deskundige tot de conclusie dat de toediening van één of meer bloedsuikerverlagend(
  5. e)medicament(en), zoals insuline(
  6. s)en/of orale bloedsuikerverlagende middelen, zeer waarschijnlijk de oorzaak is van de hypoglykemie op 18 februari 2017. Een andere oorzaak kan niet met volledige zekerheid worden uitgesloten, maar is zeer onwaarschijnlijk. De onwelwording op 19 februari 2017 Op 19 februari 2017 startte om 15.00 uur wederom de avonddienst van de verdachte die hij had samen met collega [naam collega 3] . De verdachte heeft gerapporteerd dat mevrouw [naam slachtoffer 8] rond 17.00 uur was teruggekomen uit het ziekenhuis en weer helemaal de oude leek te zijn. Zij wandelde over de afdeling en at een broodmaaltijd. Om 19.45 uur vertoonde zij opnieuw een verlaagd bewustzijn met bleekheid en hevig transpireren. Het gemeten bloedsuikergehalte was op dat moment 0,2 mmol/liter. Blijkens de rapportage van de verdachte werd in overleg en op nadrukkelijk verzoek van de familie gestart met het ‘comfort care beleid’. Dit hield in dat een palliatief beleid werd ingesteld. Uit het rapport van de deskundige Botter volgt dat op 19 februari 2017 bij mevrouw [naam slachtoffer 8] voor de derde keer een ernstige hypoglykemie en de bijbehorende klinische verschijnselen zijn vastgesteld die niet te verklaren zijn door haar pre-existente gezondheidstoestand, medicijngebruik of voedingspatroon. Na onderzoek naar mogelijke oorzaken voor deze hypoglykemie komt de deskundige weer tot de conclusie dat de toediening van één of meer bloedsuikerverlagend(
  7. e)medicament(en), zoals insuline(
  8. s)en/of orale bloedsuikerverlagende middelen, zeer waarschijnlijk de oorzaak is van de hypoglykemie op 19 februari 2017. Een andere oorzaak kan niet met volledige zekerheid worden uitgesloten, maar is zeer onwaarschijnlijk. Het overlijden op 25 februari 2017 Na het ingaan van het palliatieve beleid in de avond van 19 februari 2017 zijn bij mevrouw [naam slachtoffer 8] geen metingen of behandelingen meer uitgevoerd, behalve de toediening van pijnstillende en rustgevende medicatie. De dochter van mevrouw [naam slachtoffer 8] heeft als getuige onder meer verklaard dat zij het moeilijk had op 22 februari 2017. Zij vond de situatie waarin haar moeder verkeerde mensonterend. Drie dagen later, op 25 februari 2017, is mevrouw [naam slachtoffer 8] in het bijzijn van de verdachte en een collega overleden. Conclusies De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige Botter over. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 8] op 17, 18 en 19 februari 2017 zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt door toediening van bloedsuikerverlagende medicatie, zoals insuline of orale medicatie. Omdat geen postmortaal onderzoek is uitgevoerd kan een andere oorzaak niet met zekerheid worden uitgesloten, maar is zeer onwaarschijnlijk. Verder stelt de rechtbank op basis van het dossier vast dat de verdachte het enige personeelslid binnen [naam zorginstelling 4] is geweest dat op alle drie de dagen dat mevrouw [naam slachtoffer 8] onwel is geworden in dienst was. Die dagen had hij steeds de avonddienst met een collega niveau 2 en was de verdachte degene die tijdens die dienst verantwoordelijk was voor de toediening van de medicijnen. 6.5.6. De onwelwordingen en het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer 9] Inleiding Mevrouw [naam slachtoffer 9] leed aan Alzheimer-dementie en in dit kader was zij sinds 16 december 2016 opgenomen in [naam zorginstelling 4] . Zij was bekend met diabetes mellitus type 2 en kreeg hiervoor meerdere medicijnen. Ondanks deze medicatie had zij steeds wisselende (zeer) hoge bloedsuikerwaarden (hyperglykemie). Nergens in haar medisch dossier is vóór 26 maart 2017 een hypoglykemie beschreven. In de maanden maart en april van 2017 was mevrouw [naam slachtoffer 9] 76 jaar oud. De onwelwording op 26 en 27 maart 2017 Op 26 maart 2017 had de verdachte vanaf 15.00 uur avonddienst samen met collega [naam collega 2] , een helpende niveau 2. De verdachte heeft gerapporteerd dat hij mevrouw [naam slachtoffer 9] aan het einde van de middag uit bed heeft geholpen en dat zij goed had gegeten en gedronken. Rond 18.00 uur werd een (min of meer gebruikelijk) hoge bloedsuikerwaarde vastgesteld van 10,5 mmol/liter. Om 21.00 uur kreeg mevrouw volgens de toedieningslijst geneesmiddelen dagelijks langwerkende insuline toegediend. Uit het dossier blijkt niet of deze medicatie op die dag daadwerkelijk is verstrekt. Om 22.15 uur heeft de verdachte mevrouw opnieuw gecontroleerd. Volgens zijn rapportage was zij toen wakker, zag zij bleek en was zij aan het beven. Haar bloedsuikerwaarde was op dat moment 1,1 mmol/liter. De huisarts is ingeschakeld, mevrouw heeft glucagon en stroop toegediend gekregen en is in de ochtend (04.00 uur) van 27 maart 2017 naar het Maasstad Ziekenhuis gebracht. In het ziekenhuis gingen de bloedsuikerwaarden van mevrouw omhoog en was zij vanaf 04.50 uur aanspreekbaar. Op verzoek van de dochter van mevrouw [naam slachtoffer 9] is zij terug vervoerd naar [naam zorginstelling 4] , alwaar zij rond 08.00 uur aankwam. Ziekenhuisopnamen waren niet meer gewenst, ook niet bij een hypoglykemie. De deskundige Botter heeft gerapporteerd dat de lage bloedsuikerwaarden van mevrouw [naam slachtoffer 9] op 26 en 27 maart 2017 als een ernstige en onverwachte hypoglykemie dienen te worden beschouwd, die minimaal zes uren heeft geduurd. Na afweging van de mogelijke oorzaken voor de hypoglykemie komt de deskundige tot de conclusie dat het veel waarschijnlijker is dat de op 26/27 maart 2017 vastgestelde hypoglykemie het gevolg was van de toediening van een overdosis van één of meer bloedsuikerverlagend(
  9. e)medicament(
  10. en)dan dat deze het gevolg was van een infectieus proces en/of een tekort aan voeding of vocht. Meest waarschijnlijk was er sprake van de toediening van insuline. De onwelwording op 7 en 8 april 2017 Op 7 april 2017 werd in de ochtend een 'nuchtere' (min of meer gebruikelijke) hoge glucosewaarde gemeten van 15,9 mmol/liter. De dienst van de verdachte startte die dag om 15.00 uur. Hij had avonddienst samen met collega [naam collega 4] , een helpende binnen [naam zorginstelling 4] . Volgens de rapportage van de verdachte had mevrouw aan het begin van de middag een boterham gegeten en thee gedronken. Tegen 20.00 uur werd opnieuw de bloedsuikerwaarde gemeten. Deze bleek 1,8 mmol/liter te bedragen. Ondanks dat mevrouw twee maal glucagon en stroop kreeg toegediend, duurde deze hypoglykemie enkele uren (tot ongeveer 23.00 uur). Drie uur later werd opnieuw een ernstige hypoglykemie vastgesteld. De duur van deze tweede episode kan niet worden vastgesteld vanwege het beperkte aantal metingen dat is uitgevoerd. Op 8 april 2017 om 06.00 uur werd weer een min of meer gebruikelijke hoge glucosewaarde gemeten. De rest van de dag (tot 21.00 uur) werden hoge bloedsuikerwaarden gemeten. Uit de rapportage van de deskundige Botter blijkt dat de vastgestelde lage bloedsuikergehalten op 7 en 8 april 2017 volgens hem vrijwel alleen te verklaren zijn door toediening van één of meer bloedsuikerverlagend(
  11. e)medicament(en), zoals insuline(
  12. s)en/of orale bloedsuikerverlagende middelen. Een bloedsuikergehalte van 1,8 mmol/liter zal bij mevrouw [naam slachtoffer 9] veel waarschijnlijker het gevolg zijn van de toediening van insuline(
  13. s)dan van de toediening van bloedsuikerverlagende medicijnen in tabletvorm. De onwelwording op 8 en 9 april 2017 Op 8 april 2017 werd rond 09.00 uur een (min of meer gebruikelijke) hoge glucosewaarde gemeten van 17,2 mmol/liter. De middagwaarden bedroegen 24,0 en 17,2 mmol/liter. De avonddienst van de verdachte begon wederom om 15.00 uur en collega [naam collega 4] had die avond ook weer dienst. Volgens de rapportage van de verdachte werd bij mevrouw [naam slachtoffer 9] om 21.00 uur een bloedsuikerwaarde bepaald van 1,6 mmol/liter en om 23.00 uur een waarde van 0,3 mmol/liter. In overleg met de familie werd dit keer besloten om geen glucagon toe te dienen. Er werden nog enkele glucosemetingen uitgevoerd, waarbij steeds een hypoglykemie werd vastgesteld. De duur van deze hypoglykemische periode is niet vast te stellen, maar bedroeg minimaal ongeveer tien uur. De laatste meting van de bloedsuikerwaarde die bekend is, is gedaan op 9 april 2017 om 07.15 uur. De waarde was toen 2,4 mmol/liter. Op 9 april 2017 had de verdachte wederom de avonddienst en heeft hij gerapporteerd dat mevrouw tegen 20.00 uur niet lekker werd, veel transpireerde, zich leek te ‘verstikken’ en onrustig werd. In overleg met de familie zou zij pijnstillende en rustgevende medicatie hebben gekregen. Over de onwelwordingen op 8 en 9 april 2017 heeft de deskundige Botter gerapporteerd dat de vastgestelde lage bloedsuikergehalten vrijwel alleen te verklaren zijn door toediening van één of meer bloedsuikerverlagend(
  14. e)medicament(en), zoals insuline(
  15. s)en/of orale bloedsuikerverlagende middelen. De gemeten zeer lage bloedsuikergehalten variërend tussen 0,3 en 2,4 mmol/liter zullen veel waarschijnlijker het gevolg zijn van de toediening van insuline(
  16. s)dan van de toediening van bloedsuikerverlagende medicijnen in tabletvorm. Het overlijden op 10 april 2017 Op 10 april 2017 is mevrouw [naam slachtoffer 9] overleden. De deskundige Botter rapporteert hierover dat de precieze doodsoorzaak onduidelijk is, onder andere omdat geen postmortaal onderzoek heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschrijving van de terminale fase in het dossier is de dood volgens hem waarschijnlijk ingetreden door progressieve ontregeling van de stofwisseling (bijvoorbeeld een hyperglykemisch coma, diabetische ketoacidose), al dan niet in combinatie met onderdrukking van de ademhaling en bewustzijnsdaling door toediening van dempende medicatie (dormicum, fentanyl en morfine). Conclusies De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige Botter over. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat: de onwelwording van mevrouw [naam slachtoffer 9] op 26 en 27 maart 2017 zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door toediening van een overdosis bloedsuikerverlagende medicatie, meest waarschijnlijk insuline; de onwelwordingen van mevrouw [naam slachtoffer 9] op 7 en 8 april 2017 en op 8 en 9 april 2017 vrijwel alleen te verklaren zijn door toediening van bloedsuikerverlagende medicatie, meest waarschijnlijk insuline en dat; de dood waarschijnlijk is ingetreden door progressieve ontregeling van de stofwisseling, al dan niet in combinatie met onderdrukking van de ademhaling en bewustzijnsdaling door toediening van dempende medicatie (dormicum, fentanyl en morfine). Verder stelt de rechtbank op basis van het dossier vast dat de verdachte het enige personeelslid binnen [naam zorginstelling 4] is geweest dat op alle drie de dagen dat mevrouw [naam slachtoffer 9] onwel is geworden in dienst was. Die dagen had hij steeds de avonddienst met een collega niveau 2 of een helpende en was de verdachte degene die tijdens die dienst verantwoordelijk was voor de toediening van de medicijnen. 6.5.7. De onwelwording van mevrouw [naam slachtoffer 10] Inleiding Mevrouw [naam slachtoffer 10] leed aan dementie en zij was in dat kader sinds 4 april 2017 opgenomen in [naam zorginstelling 4] . Zij had een uitgebreide medische voorgeschiedenis, was bekend met diabetes mellitus type 2 en kreeg hiervoor meerdere medicijnen. In juni 2017 was mevrouw [naam slachtoffer 10] 76 jaar oud. De deskundige Botter heeft gerapporteerd dat mevrouw [naam slachtoffer 10] op 13 april, 4 mei en 1 juni 2017 kortdurende hypoglykemieën in de avonduren heeft gehad. Deze hypoglykemieën waren snel te corrigeren met de inname van suikerrijke voeding en siroop. Deze incidenten waren volgens de deskundige dan ook meest waarschijnlijk het gevolg van onbalans van voedselinname en de toegediende hoeveelheid insuline. Op 2 juni 2017 werd de glucose van mevrouw vijf maal gemeten, waarbij telkens normale waarden werden vastgesteld. De onwelwording op 3 en 4 juni 2017 Op 3 juni 2017 werd bij mevrouw [naam slachtoffer 10] overdag vijf keer het bloedsuiker gemeten, waarbij normale waarden werden vastgesteld, variërend tussen 5,6 en 8,0 mmol/liter. Er werd volgens voorschrift drie keer snelwerkende insuline toegediend. De toedieni

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.