RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8092553 \ VZ VERZ 19-18654 uitspraak: 20 december 2019 beschikking ex artikel 7:671b Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats verzoeker] , België, verzoeker, verweerder in het zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. B.C. Hopmans te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster] , h.o.d.n. [handelsnaam] , gevestigd te [vestigingsplaats verweerster] , verweerster, verzoekster in het zelfstandig tegenverzoek, gemachtigde: mr. D.C.A. van Wessel te Barendrecht. Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: - het verzoekschrift, met producties, ontvangen op 8 oktober 2019; - het verweerschrift, tevens verzoek tot toekenning van de gefixeerde schadevergoeding, met producties; - de faxbrieven van 20 en 26 november 2019 zijdens [verzoeker] , met producties 12 tot en met 14; - de faxbrief van 25 november 2019 zijdens [verweerster] , met productie 1; - de pleitnota aan de kant van [verzoeker] . 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 27 november 2019. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde, voornoemd. Namens [verweerster] is verschenen de heer [naam 1] (directeur, hierna: [naam 1] ), bijgestaan door de gemachtigde, voornoemd. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3. De beschikking is nader bepaald op heden. 2De feiten In de onderhavige procedure zal - voor zover van belang - van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.1. 112 Autoberging is actief op het gebied van autoberging, hulp bij pech en het verzorgen van autotransporten. 2.2. De stichting Incident Management Nederland (IMN) exploiteert een centraal Landelijk Centraal Meldpunt (LCM). Dit LCM treedt op als verzamelpunt voor binnenkomende meldingen van incidenten van de kant van politie en wegbeheerders, op snelwegen en hoofdwegen. Elke melding die het LCM ontvangt, wordt vertaald in een opdracht aan het bergingsbedrijf dat voor de betrokken locatie en het betrokken voertuig beschikt over een contract met de stichting IMN. [verweerster] is zo’n gecontracteerd bergingsbedrijf en dient daarom 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar te zijn voor oproepen om personenauto’s, die als gevolg van autopech of een ongeval zijn gestrand zijn, te bergen. Uitgangspunt is dat de personenauto door de berger naar de eerst mogelijke veilige plek wordt gebracht, of naar een locatie binnen 30 kilometer van het incident (zoals een garage). 2.3. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 1 maart 2019 bij [verweerster] werkzaam. Van 1 maart 2019 tot en met 15 juni 2019 was hij werkzaam op basis van een proefplaatsing vanuit het UWV. Vanaf 15 juni 2019 is [verzoeker] werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden derhalve tot 14 december 2019. [verzoeker] was laatstelijk werkzaam in de functie van “meewerkend voorman / Autoberger” tegen een salaris van € 4.000,00 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag en € 2.750,00 bruto per maand voor het werken in dubbele diensten. 2.4. De echtgenote van [verzoeker] , mevrouw [echtgenote verzoeker] (hierna: [echtgenote verzoeker] ), werkt sinds 1 maart 2019 eveneens bij [verweerster] in de functie van administratief medewerkster/planner. 2.5. Op 2 augustus 2019 stuurde [naam 1] een WhatsApp-bericht aan [verzoeker] en [echtgenote verzoeker] dat luidt: “Beste [verzoeker] en [echtgenote verzoeker] . We hebben de boekhouding nagekeken en er zijn gisteren en vandaag een aantal onregelmatigheden geconstateerd .Om die reden willen wij een gesprek hebben om het een en ander te bespreken aangezien jullie nog met vakantie zijn kan dit niet eerder dan aankomende maandag . We zullen maandag om 09.00 uur op kantoor Breda dit gesprek hebben . Met het oog hierop hoeven jullie niet eerder te beginnen dan 09.00 tot maandag.” 2.6. [echtgenote verzoeker] heeft zich op 2 augustus 2019 ziek gemeld. 2.7. Op 5 augustus 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , die zich heeft laten vergezellen door de heer [naam 2] , en [naam 1] en de gemachtigde van [verweerster] . [verweerster] heeft [verzoeker] geconfronteerd met circa 20 bergingsdossiers waarin zaken volgens haar niet kloppen. [verzoeker] heeft om kopieën van de bergingsdossiers gevraagd en partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] met [echtgenote verzoeker] de dossiers zou bekijken. 2.8. Bij brief gedateerd “7 augustus 20198 augustus 2019” heeft [verweerster] [verzoeker] (en [echtgenote verzoeker] ) als volgt bericht: “Geachte mevrouw [echtgenote verzoeker] en de heer [verzoeker] , Ter bevestiging van hetgeen maandag tussen partijen besproken is, berichten wij hierbij als volgt. Met ingang van 5 augustus 2019 bent u beide op non-actief gesteld op grond van het aantreffen van onregelmatigheden binnen de administratie van [verweerster] te Breda. Er zijn in de administratie de navolgende onregelmatigheden opgemerkt, welke ook met u zijn besproken: In het kasboek zijn verschillende onregelmatigheden geconstateerd, waarbij ondermeer bepaalde boekingen niet zijn ingeboekt en bedragen missen; Voort zijn er verschillende auto’s verkocht aan de sloop, maar zijn de verkregen bedragen hiervoor ad € 150,00 per auto niet opgegeven in het kasboek. Daarnaast lag het kasgeld niet in de kluis op de werkvloer, maar bij u thuis. Na bekendmaking van de administratieve controle, wilde u het kasboek in eerste instantie niet afgeven en compleet maken. Ook dit is heel vreemd. Voorts is er een verklaring van [naam 3] dat gelden gerekend werden voor diensten die betaald worden door Rijkswaterstaat. Wij hebben aangegeven dat na hoor en wederhoor vandaag dat er nog te veel vragen zijn, hetgeen extra zorgvuldig onderzoek vraagt. Bovendien is ook de reactie van mevrouw [echtgenote verzoeker] hiervoor gewenst, aangezien zij de administratie bijhield. Al heeft de heer [verzoeker] al het nodige verklaard. Wij realiseren ons dat dit besluit een enorme impact heeft en vrezen voor een slechte uitkomst van het onderzoek. Wij verwachten dat u vertrouwelijk om zult gaan met deze situatie. Gedurende dit onderzoek neemt u geen contact op met medewerkers van [verweerster] . (…) Daarnaast hebben wij graag op zeer korte termijn een vervolggesprek, waarbij u beiden aanwezig bent.(…)” 2.9. Een vervolggesprek heeft niet plaatsgevonden en [verweerster] heeft [verzoeker] op 9 augustus 2019 op staande voet ontslagen. De ontslagbrief van die datum luidt - voor zover van belang - als volgt: “(…) Mede ter bevestiging van hetgeen de heer [naam 1] en mr. D.C.A. van Wessel maandag met u hebben besproken het navolgende. Afgelopen donderdag 01 augustus 2019 en vrijdag 02 augustus 2019 hebben wij bij een administratieve controle geconstateerd dat er onregelmatigheden in de administratie van [verweerster] te Breda zijn aangetroffen. Hierbij zijn ondermeer de navolgende onregelmatigheden opgemerkt, welke mandag met u zijn besproken: In het kasboek zijn verschillende onregelmatigheden geconstateerd, waarbij verschillende inkomsten niet in de boekhouding en met name het kasboek waren weergegeven ondanks dat dit bijgewerkt was, waaronder zelfs een contante betaling waar ik bij aanwezig was; Voorts zijn er verschillende auto’s verkocht aan sloopbedrijven, maar niet opgegeven in het kasboek, waarbij de gelden wel moeten zijn toegeëigend; Ook is er een melding gekomen dat u geld wou rekenen aan [naam 3] voor diensten terwijl er geen werkzaamheden verricht waren en wij door Rijkswaterstaat betaald worden voor de diensten; Tevens zijn er spullen meegenomen na het gesprek van afgelopen maandag, waarvan ik de boekingen gisteren heb kunnen herleiden naar betalingen via de kas. Daarnaast lag het kasgeld niet in de kluis op de werkvloer, maar bij u thuis en na u medegedeeld te hebben dat het kasboek en kasgeld op kantoor diende te zijn en dat het belangrijk was dat die tijdens uw vakantie beschikbaar zou blijven, wilde u beiden het kasboek in eerste instantie niet afgeven. De zelfde dag werd ineens het kasgeld gestort en alles tot op de cent nauwkeurig aangegeven in het kasboek. Aangezien wij u in de gelegenheid wilde stellen tot hoor- en wederhoor hadden wij u voor maandag 05 augustus 2019 om 09.00 uur uitgenodigd voor een gesprek op kantoor om de geconstateerde onregelmatigheden in het kasboek te bespreken. Zoals reeds aangegeven n het aan u toegezonden WhatsApp-bericht kon dit gesprek vanwege uw vakantie niet eerder plaatsvinden. Daarnaast is het pas eind vorige week ontdekt. In ons gesprek d.d. 05 augustus 2019 gaf u aan dat u een harde werker bent en dat alles niet goed georganiseerd zou zijn bij het bedrijf. Voorts dat u niets zou hebben toegeëigend wat niet aan u toebehoort. Bovendien dat uw vrouw de administratie doet en u dus weinig hierover kunt vertellen al gaf u wel de nodige toelichting. Het vorenstaande betekent kort samengevat dat u zonder toestemming gelden van [verweerster] te Breda heeft toegeëigend. Wij zijn ontdaan en geschokt door uw handelswijze. Als locatiemanager heeft u een voorbeeldfunctie en wordt u de administratie van het bedrijf toevertrouwd met het idee om hier geen misbruik van te maken. U heeft dan ook het vertrouwen van [verweerster] Breda onherstelbaar beschadigd. Zoals met u besproken, vormt uw handelswijze een dringende reden om uw arbeidsovereenkomst per heden 09 augustus 2019 te beëindigen. (…)” 2.10. Het salaris over de periode 1 tot en met 8 augustus 2019 is door [verweerster] niet aan [verzoeker] uitbetaald. 3De verzoeken en de grondslag daarvan het verzoek ex artikel 223Rv 3.1. Bij wijze van incidentele vordering ex artikel 223 Rv heeft [verzoeker] verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon tot en met 8 augustus 2019, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2019. het verzoek ex artikel 7:671b BW 3.2. Het verzoek van [verzoeker] richt zich kort samengevat primair op het verkrijgen van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een vergoeding voor opgebouwde en niet genoten vakantiedagen. Subsidiair richt het verzoek zich op vernietiging van het ontslag op staande voet en doorbetaling van loon. Zowel primair als subsidiair verzoekt [verzoeker] [verweerster] te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon tot en met 8 augustus 2019, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 9 augustus 2019, de buitengerechtelijke incassokosten, afgifte van zijn revi- en bergingsdiploma en de proceskosten. 3.3. Aan zijn verzoeken heeft [verzoeker] - kort en zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] betwist dat sprake is van een dringende reden die ontslag op staande voet rechtvaardigt. Hij tast in het duister omtrent de verwijten die [verweerster] hem maakt. De door [verweerster] gestelde en niet onderbouwde blote verwijten die door [verzoeker] worden betwist, zijn door het ontbreken van hoor- en wederhoor niet komen vast te staan. Omdat [verweerster] niet heeft gesteld dat de verweten gedragingen ook ieder voor zich een dringende reden voor ontslag op staande voet vormen, dienen alle verwijten vast komen te staan voor een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Het ontslag op staande voet is met de brief van 9 augustus 2019 bovendien niet onverwijld gegeven. 3.3.1. Het salaris over de periode 1 tot en met 8 augustus 2019 is zonder valide reden niet aan [verzoeker] uitbetaald. [verweerster] is terzake gehouden nog een bedrag van € 1.881,30 bruto aan [verzoeker] te voldoen. Op grond van artikel 7:632 BW is verrekening van het gehele loon met een vermeende vordering niet toegestaan. [verzoeker] heeft bovendien belang bij teruggave van de diploma’s onder verbeurte van een dwangsom. 3.3.2. Hetgeen [verzoeker] verder naar voren heeft gebracht komt - voor zover van belang - onder de beoordeling aan de orde. 4Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek van [verweerster] 4.1. Het verweer van [verweerster] strekt tot niet-ontvankelijk verklaring althans afwijzing van het verzoek van [verzoeker] , met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. Daartoe heeft [verweerster] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd. 4.1.1. [verzoeker] is de gelegenheid geboden om een reactie te geven op de verwijten zijdens [verweerster] en het hier nog met [echtgenote verzoeker] over te hebben, onder de voorwaarde dat hij op zeer korte termijn een terugkoppeling zou geven op de vragen van [verweerster] . Een terugkoppeling is uitgebleven en nadat op 8 augustus 2019 nogmaals verschillende onregelmatigheden zijn aangetroffen is [verweerster] op 9 augustus 2019 onverwijld tot ontslag op staande voet overgegaan. 4.1.2. 112 Autoberging heeft een valide dringende reden, na ontvreemding van zoveel geld was ontslag op staande voet onvermijdelijk. Het is onmogelijk dat een der echtgenoten niet op de hoogte was van de gang van zaken, want het een kan niet zonder het ander. Bovendien heeft [verzoeker] bonnen en gelden van sloperijen weggemoffeld en gesjoemeld met loslocaties. [verzoeker] had er van op de hoogte moeten zijn dat [echtgenote verzoeker] geld in haar handtas meenam en niet in de ingemetselde kluis deed. 4.1.3. Hetgeen [verweerster] verder naar voren heeft gebracht komt - voor zover van belang - onder de beoordeling aan de orde. 4.2. Bij wijze van zelfstandig tegenverzoek heeft [verweerster] - verkort en zakelijk weergegeven - verzocht [verzoeker] te veroordelen aan [verweerster] te betalen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 6.838,71 bruto. 5De beoordeling in het verzoek van [verzoeker] ex artikel 223 Rv 5.1. De verzochte voorlopige voorziening wordt afgewezen. Nu bij deze beschikking een beslissing wordt gegeven ten aanzien van de bodemprocedure, heeft [verzoeker] bij het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding geen belang meer. in het verzoek van [verzoeker] ex artikel 7:671b BW 5.2. [verzoeker] heeft het onderhavige verzoek tijdig ingediend, omdat dit ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 sub a BW is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door [verweerster] is beëindigd. 5.3. De kantonrechter begrijpt de formulering van de verzoeken op die wijze dat [verzoeker] zich primair neerlegt bij het ontslag op staande voet van 9 augustus 2019 zodat wordt toegekomen aan de beoordeling van de verzoeken van [verzoeker] tot toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en billijke vergoeding. In dat kader dient beoordeeld te worden of [verweerster] op juiste gronden [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen en of er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verzoeker] . Aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van [verzoeker] (vernietiging van het ontslag op staande voet en doorbetaling salaris) wordt niet toegekomen als het primaire verzoek wordt toegewezen. In het geval het primaire verzoek wordt afgewezen en er dus sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, zal het subsidiaire verzoek worden afgewezen. 5.4. Vooropgesteld wordt dat in geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden die reden onverwijld aan de wederpartij dient te worden meegedeeld (art. 7:677 lid 1 BW). De strekking hiervan is dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of zij de opgegeven reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.