← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2019:1024

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 18/5241 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaats] , eiser, gemachtigde: mr. R. Moghni, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente], verweerder. Procesverloop Op 11 juli 2018 heeft eiser bij verweerder een aanvraag om vrijstelling van de verplichtingen van artikel 9 van de Participatiewet ingediend. Op 9 oktober 2018 heeft eiser een beroepschrift ingediend wegens het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Overwegingen

  1. Uit artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het bestuursorgaan in dit geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een besluit dient te nemen.
  2. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat hij in gebreke is.
  3. In dit geval is de beslistermijn overschreden.
  4. Eiser heeft verweerder na afloop van de beslistermijn per faxbericht van 6 september 2018 schriftelijk medegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een besluit te nemen op zijn aanvraag.
  5. Bij besluit van 24 september 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Bij besluit van 25 september 2018 heeft verweerder erkend dat niet tijdig is beslist op de aanvraag en heeft verweerder eiser een dwangsom van € 80,- toegekend.
  6. Eiser heeft in zijn beroepschrift verzocht verweerder te veroordelen tot het nemen van een besluit op de aanvraag. Dit beroepschrift is ingediend nadat verweerder het besluit op de aanvraag had genomen. Gelet hierop heeft eiser geen procesbelang bij het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal daarom dit beroep niet-ontvankelijk verklaren.
  7. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Op grond van het vierde lid van dit artikel kan het beroep worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld.
  8. Nu verweerder niet geheel aan eiser is tegemoetgekomen verwijst de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb naar verweerder ter behandeling als bezwaar.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 februari
  10. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.