Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummers: 10/750038-18; 10/751001-19 Datum uitspraak: 1 april 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: Van der Hoopstraat 100 te (2921 LD) Krimpen aan den IJssel , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting De IJssel te Krimpen aan den IJssel, raadsvrouw mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 september 2018, 21 november 2018, 29 januari 2019 en 18 maart 2019. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze ten aanzien van parketnummer 10/750038-18 op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De rechtbank heeft de feiten die in de gevoegde dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Die nummering zal worden aangehouden in dit vonnis. De teksten van de (gewijzigde) tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd: bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten (met betrekking tot feit 2 het primair tenlastegelde); veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar met aftrek van voorarrest, alsmede terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging (hierna: TBS-maatregel); oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een contactverbod met [naam slachtoffer 1] , gedurende vijf jaar waarbij twee weken hechtenis dient te worden toegepast bij elke overtreding van dat verbod, met een maximum van zes maanden; dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel. 4Waardering van het bewijs 4.1. Algemene overweging ten aanzien van de door de verdachte afgelegde verklaring op de terechtzitting van 18 maart 2019 Ten aanzien van de door de verdachte op de terechtzitting van 18 maart 2019 afgelegde verklaring overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte heeft er voor gekozen zich tijdens het voorbereidend onderzoek consequent te beroepen op zijn zwijgrecht en hij is op de zitting van 18 maart 2019 voor het eerst met een verklaring met betrekking tot de hem verweten feiten gekomen. De verklaring van de verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank kritisch en met de nodige voorzichtigheid worden beschouwd. Immers, in het algemeen kan worden gesteld dat een verklaring van een verdachte, die is afgelegd zonder kennis te hebben genomen van het complete strafdossier, betrouwbaarder is dan een verklaring afgelegd wanneer de verdachte wel kennis draagt van het complete strafdossier. In het laatste geval bestaat de mogelijkheid van beïnvloeding en/of afstemming van de verklaring op informatie uit het strafdossier. De rechtbank zal de verklaring van de verdachte daarom alleen gebruiken als de inhoud te verifiëren is door andere bewijsmiddelen. 4.2. Vrijspraak ten aanzien van feit 3 4.2.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 3 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. De verklaringen van [naam slachtoffer 1] (hierna: [naam slachtoffer 1] ) dat de verdachte haar vanaf het moment dat hij vrijkwam in februari 2017 direct weer begon te mishandelen, worden ondersteund door diverse bewijsmiddelen. [naam slachtoffer 1] zou bij de politie littekens op haar heup en elleboog aan de verbalisanten hebben laten zien en twee getuigen verklaren letsel bij haar te hebben gezien. Ook zou [naam vriendin verdachte] (hierna: [naam vriendin verdachte] , de vriendin van de verdachte) in een chatgesprek tegen de verdachte hebben gezegd ’’enigste wat je kn is vrouwen slaan’’. 4.2.2. Beoordeling De verdenking tegen de verdachte komt er op neer dat hij zich in de periode van 8 februari 2017 tot en met 23 november 2017 op verschillende plaatsen schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [naam slachtoffer 1] . [naam slachtoffer 1] heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd over deze mishandelingen. Samengevat verklaart zij dat zij twee weken nadat de verdachte in februari 2017 vrijkwam, in Capelle aan den IJssel door de verdachte in elkaar is geslagen. Vanaf april 2017 was [naam slachtoffer 1] bij haar moeder in Harderwijk en vanaf juni of juli 2017 was ze weer bij de verdachte in Schiedam. Vanaf het moment dat ze met de verdachte in Schiedam verbleef, werd ze elke dag mishandeld door de verdachte. De verdachte maakte daarbij af en toe gebruik van voorwerpen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat voor deze verklaringen ten aanzien van de mishandelingen in de periode van 8 februari 2017 tot en met 23 november 2017 onvoldoende steunbewijs aanwezig is in het dossier. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [naam slachtoffer 1] heeft bij de politie littekens op haar elleboog en linkerheup aan de verbalisanten laten zien. Hiervan kan echter niet worden vastgesteld wanneer deze zouden zijn opgelopen, aangezien zich in het dossier, anders dan ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde zware mishandeling, geen letselverklaringen bevinden. Het enkele feit dat [naam slachtoffer 1] littekens heeft, biedt daarom onvoldoende steun aan haar verklaring dat deze zouden zijn ontstaan door een mishandeling door de verdachte. In het dossier bevindt zich een getuigenverklaring van [naam getuige 1] . [naam getuige 1] verklaart dat zij drie keer letsel bij [naam slachtoffer 1] heeft gezien. Slechts ten aanzien van één keer dat zij letsel heeft gezien, verklaart zij wanneer zij dit zou hebben gezien. Zij verklaart dat [naam slachtoffer 1] een dik gezicht had toen ze zwanger van de verdachte was. [naam slachtoffer 1] was naar eigen zeggen eind 2016 zwanger van de verdachte. Toen zat de verdachte vast. Deze verklaring van [naam getuige 1] biedt daarom geen steun aan de mishandelingen in de periode zoals ten laste gelegd. Ten aanzien van de andere twee keer dat ze letsel zou hebben gezien, verklaart [naam getuige 1] niet wanneer ze dit zou hebben gezien zodat haar verklaring op dit punt evenmin ondersteuning biedt aan de verklaring van [naam slachtoffer 1] . In het dossier bevindt zich tevens een getuigenverklaring van [naam getuige 2] . Zij verklaart dat ze één keer heeft gezien dat het gezicht van [naam slachtoffer 1] heel dik was. [naam slachtoffer 1] zou tegen haar hebben gezegd dat dit kwam door een ontsteking. [naam getuige 2] verklaart verder dat zij wel eens heeft gezien dat het been en de arm van [naam slachtoffer 1] blauw en open waren. [naam getuige 2] verklaart niet wanneer ze dit letsel heeft gezien. Gelet hierop biedt ook de verklaring van [naam getuige 2] geen ondersteuning aan de verklaringen van [naam slachtoffer 1] . Ook het feit dat [naam vriendin verdachte] tegen de verdachte in een chatgesprek zou hebben gezegd ‘’het enigste wat je kn is vrouwen slaan’’ biedt onvoldoende steun aan de verklaringen van [naam slachtoffer 1] nu de context waarin dit bericht is verzonden onbekend is gebleven. 4.2.3. Conclusie Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.3. Bewijswaardering ten aanzien van feit 1 4.3.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Dat sprake is van uitbuiting en gedwongen prostitutie volgt enkel uit de verklaringen van [naam slachtoffer 1] . Deze verklaringen worden niet ondersteund door de overige inhoud van het dossier. Bovendien zijn de verklaringen van [naam slachtoffer 1] onbetrouwbaar en ongeloofwaardig. 4.3.2. Beoordeling De verdenking van de verdachte komt er – kort gezegd – op neer dat hij zich in de periode van 8 februari 2017 tot en met 23 november 2017 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. In ieder geval is daarvan sprake met ingang van 11 november 2017. Dit wordt hieronder toegelicht. Feiten en omstandigheden De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 23 november 2017 gaan verbalisanten naar de [adres delict 1] te Schiedam. Daar zou de meldster ( [naam slachtoffer 1] ) tegen haar wil worden vastgehouden door haar ex-vriend, de verdachte. In de woning aan de [adres delict 1] te Schiedam wordt [naam slachtoffer 1] aangetroffen. Ter plaatse verklaart zij aan de verbalisanten dat zij sinds enige tijd niet meer de woning uit mocht van de verdachte. [naam slachtoffer 1] heeft aanvullende verklaringen afgelegd op onder andere 30 januari 2018, 12 april 2018 en 20 december 2018. Deze verklaringen komen er kort gezegd op neer dat zij sinds februari 2017 met de verdachte in Capelle aan den IJssel verbleef. Vanuit daar is zij vrijwillig gaan werken in de prostitutie, zoals zij ook al eerder had gedaan. Omdat ze daar is mishandeld, is zij voor ongeveer twee maanden naar haar moeder in Harderwijk vertrokken. Omstreeks juni of juli 2017 is ze weer teruggegaan naar de verdachte. Ze heeft vanaf toen samen met de verdachte in een woning in Schiedam verbleven, vanuit waar ze gedwongen werd om te werken in de prostitutie. Als ze niet werkte, werd ze geslagen, geschopt en bedreigd. Op enig moment heeft de verdachte het telefoonnummer van [naam slachtoffer 1] dat gekoppeld was aan haar advertentie op Kinky.nl gewijzigd naar zijn eigen telefoonnummer, zodat hij meer controle over haar kon uitoefenen en zij geen klanten meer kon wegdrukken. Hij wilde dat ze meer geld ging verdienen. Op een gegeven moment werkte ze zeven dagen per week, had geen vrije dagen en ze moest blijven werken van de verdachte. Hij liet haar nooit alleen en ze mocht de woning niet verlaten. Al haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden moest ze afstaan aan de verdachte. Hier heeft ze nooit meer iets van gezien. De verklaringen van [naam slachtoffer 1] worden op diverse punten ondersteund door de overige inhoud van het dossier. Ondersteunend aan de verklaringen van [naam slachtoffer 1] dat de verdachte vanaf enig moment bepaalde wanneer [naam slachtoffer 1] klanten moest ontvangen en dat ze werd gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten, zijn de resultaten uit het onderzoek in de telefoon van de verdachte. Bij de doorzoeking in de woning van de [adres delict 1] te Schiedam is een mobiele telefoon aangetroffen en in beslag genomen. In deze telefoon zat een SIM-kaart met het bijbehorende telefoonnummer [gsm-nummer] . De verdachte heeft op de terechtzitting van 18 maart 2019 verklaard dat deze telefoon aan hem toebehoorde. Verbalisanten hebben deze telefoon uitgelezen. Op deze telefoon zijn vanaf 11 november 2017 in de inbox SMS-berichten aangetroffen van klanten die reageren op een seksadvertentie op kinky.nl van ‘’ [bijnaam slachtoffer 1] ’’. Uit gegevens van de exploitant van Kinky.nl blijkt voorts dat de bellijn van de kinky advertentie met ingang van 11 november 2017 is gewijzigd naar dit telefoonnummer van de verdachte. [naam slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij onder andere veel werkte onder de naam ‘’ [bijnaam slachtoffer 1] ’’. De verklaring van de verdachte dat hij zijn telefoon op enig moment op verzoek van [naam slachtoffer 1] aan haar heeft gegeven en dat daarom zijn telefoonnummer was verbonden aan de advertentie van ‘’ [bijnaam slachtoffer 1] ’’ op Kinky.nl, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Verder ondersteunend aan de verklaringen van [naam slachtoffer 1] op dit punt zijn resultaten van een onderzoek ingesteld in de onderliggende gegevens van de betreffende advertentie van Kinky.nl, genummerd [advertentienummer] . Hieruit is gebleken dat het IP-adres [IP-adres] onder andere van 11 september 2017 tot en met 23 november 2017 gebruikt werd in combinatie met het e-mailadres waarmee de betreffende advertentie is aangemaakt ( [mailadres] ). Na onderzoek bleek dat voornoemd IP-adres afgegeven was aan een persoon wonende aan de [adres delict 1] te Schiedam, vanuit waar het slachtoffer prostitutiewerkzaamheden verrichtte. In de telefoon van de verdachte bij ‘’Useraccounts’’ voornoemd e-mailaccount aangetroffen, wat bewijst dat verdachte in die periode zeggenschap had over de advertentie op Kinky.nl . Op de telefoon van de verdachte is de app “Whatscan” geïnstalleerd. Uit het onderzoek van de politie blijkt dat deze app wordt gebruikt voor het maken van een koppeling tussen twee mobiele telefoons, waarbij er op de ene telefoon kan worden meegekeken op de andere telefoon. Uit de verklaring van de verdachte ter zitting blijkt dat de verdachte deze app gebruikte om mee te kunnen kijken op de telefoon van [naam slachtoffer 1] . Hiermee had de verdachte inzicht in haar belgedrag en de berichten die zij ontving en verzond. De verdachte kon [naam slachtoffer 1] daarmee controleren en dit ondersteunt de verklaring van [naam slachtoffer 1] dat zij geen klanten mocht weigeren en dat zij niet vrij was om haar prostitutiewerk in te richten zoals zij dat wilde. De verklaring van de verdachte ter zitting, namelijk dat hij de app had geïnstalleerd op beide telefoons omdat hij het vermoeden had dat [naam slachtoffer 1] vreemd ging, acht de rechtbank, mede gezien het feit dat de verdachte er zelf een aantal vriendinnen op na hield, ongeloofwaardig. De verklaringen van [naam slachtoffer 1] dat zij al haar verdiensten uit de prostitutiewerkzaamheden afstond aan de verdachte en dat de verdachte zich hierdoor bevoordeelde, worden ondersteund door de Rapportage Vermogen en Inkomsten betreffende de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in de periode van 2014 tot 2017 geen inkomsten uit arbeid, uitkeringen en/of toeslagen heeft ontvangen en dat zich tussen 2015 en 2017 op de bankrekening van de verdachte nagenoeg geen saldo bevond. Dat [naam slachtoffer 1] gedurende een deel van de periode dat zij met verdachte samen was haar verdiensten vrijwillig aan hem afdroeg, doet daar niets aan af nu voor de rechtbank vaststaat dat van vrijwilligheid geen sprake was in de bewezenverklaarde periode. De verklaring van de verdachte dat hij geen vaste lasten hoefde te betalen en dat hij geld kreeg van zijn familie en vrienden en dat hij daarmee gedurende drie jaar in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Tussenconclusie feiten en omstandigheden Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [naam slachtoffer 1] door de verdachte werd gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Hij had op zeker moment zijn telefoonnummer aan haar advertentie van Kinky.nl gekoppeld, hij controleerde haar whatsapp-gesprekken en hij kon beschikken over het bijbehorende emailaccount, zodat hij kon bepalen waar en wanneer [naam slachtoffer 1] klanten moest ontvangen. Zij mocht de woning vanuit waar zij de prostitutiewerkzaamheden verrichtte niet verlaten en zij werd constant gecontroleerd door hem. Al haar verdiensten moest zij aan hem afstaan. Dat de verklaringen van [naam slachtoffer 1] onbetrouwbaar en/of ongeloofwaardig zouden zijn is niet aannemelijk geworden nu daarvoor geen aanleiding is te vinden in het dossier en de verklaringen op diverse punten worden ondersteund. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich op basis van voornoemde feiten en omstandigheden schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel zoals tenlastegelegd. De tenlastelegging is geënt op de delictsomschrijvingen van artikel 273f, eerst lid, onderdelen 1, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht. Mensenhandel, artikel 273f, lid 1, sub 1 Voor een bewezenverklaring van een tenlastelegging geënt op artikel 273f lid 1 sub 1 moet sprake zijn van een of meer in de in het eerste onderdeel van dit wetsartikel genoemde dwangmiddelen en gedragingen, met het oogmerk van uitbuiting. Dwangmiddelen en gedragingen De verdachte heeft [naam slachtoffer 1] door dwang, (dreiging met) geweld en andere feitelijkheden, bestaande uit het opsluiten in de woning en het constant controleren van haar, gehuisvest en gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Ook heeft de verdachte dit gedaan door misleiding, door [naam slachtoffer 1] te dwingen de verdiensten uit deze werkzaamheden aan hem af te staan onder de valse mededeling dat zij deze later terug zou krijgen. Tevens heeft de verdachte dit gedaan door misbruik te maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Hiervan is volgens de wetgever sprake als een prostituee verkeert of komt te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland verkeert. Nu de verdachte bepaalde wanneer, met wie en onder welke omstandigheden [naam slachtoffer 1] moest werken, en zij bovendien haar opbrengsten aan hem af moest staan, is sprake van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt. Ook heeft de verdachte dit gedaan door misbruik te maken van de kwetsbare positie waarin [naam slachtoffer 1] zich bevond. [naam slachtoffer 1] heeft meerdere malen verklaard dat de verdachte haar volledig in zijn macht had en dat hij haar geen ander keuze liet dan te werken als prostituee. De verdachte wist dat [naam slachtoffer 1] (emotioneel) afhankelijk van hem was en heeft hier misbruik van gemaakt. (oogmerk van) uitbuiting Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie (onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099) blijkt dat van uitbuiting kan worden gesproken indien sprake is van gedwongen tewerkstelling in de seksindustrie, omdat de lichamelijke integriteit altijd in het geding is. De aard van het te verrichten werk (i.c het gedwongen verrichten van seksuele handelingen met derden) is in deze uitleg van groot gewicht. Gelet op dit uitgangspunt is de rechtbank oordeel dat sprake is geweest van (het oogmerk van) uitbuiting. Tussenconclusie artikel 273f, lid 1, sub 1 Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte door dwang, (dreiging met) geweld en andere feitelijkheden, afpersing, misleiding, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie, [naam slachtoffer 1] heeft gehuisvest en gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten, met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank acht dan ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen. Mensenhandel, artikel 273f, lid 1, sub 4 en sub 9 De verdachte heeft door middel van de hiervoor genoemde dwangmiddelen [naam slachtoffer 1] gedwongen om prostitutiewerkzaamheden te verrichten en hem te bevoordelen uit de opbrengst van deze werkzaamheden. Ook deze onderdelen van de tenlastelegging acht de rechtbank daarom bewezen. Mensenhandel, artikel 273f, lid 1 sub 6 [naam slachtoffer 1] heeft in de periode dat zij gedwongen als prostituee heeft gewerkt steeds al haar verdiensten aan de verdachte moeten afgeven. De verdachte is door dit geld verrijkt. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [naam slachtoffer 1] . Pleegperiode Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de aanvangsdatum van de pleegperiode vast op 11 november 2017. Uit de zendmastgegevens van de telefoonnummers van [naam slachtoffer 1] en de verdachte blijkt immers dat zij vanaf 11 november 2017 tot en met 23 november 2017 dagelijks bij elkaar zijn geweest. Bovendien is op 11 november 2017 het aan de advertentie op Kinky.nl gekoppelde telefoonnummer gewijzigd naar het telefoonnummer van de verdachte, kon verdachte ook beschikken over het bijbehorende emailaccount en vanaf die datum zijn er op de telefoon van de verdachte SMS-berichten aangetroffen betreffende de advertentie van ‘’ [bijnaam slachtoffer 1] ’’. [naam slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij enige tijd na een mishandeling in september (feit 2) is gevlucht en toen een periode weg is geweest bij de verdachte. Dat zou – volgens het informatieve gesprek mensenhandel - ongeveer 2 maanden zijn geweest. De zendmastgegevens bevestigen dat zij en de verdachte van 16 september t/m 10 november 2017 niet bij elkaar waren. Uit de verklaringen van [naam slachtoffer 1] zou kunnen worden afgeleid dat zij pas weer op 20 november 2017 terug ging naar de verdachte. Echter, [naam slachtoffer 1] heeft ook verklaard dat zij op 20 november besloot om te blijven omdat het de eerste dagen goed was gegaan. Dat geeft aanleiding om aan te nemen dat zij al voor 20 november terug is gegaan. De zendmastgegevens en de gegevens m.b.t. het gebruik van de kinky.nl advertentie bevestigen dat ze niet pas 20 november, maar 11 november al weer samen was met de verdachte. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat zich voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde in de periode daarvóór, onvoldoende steunbewijs in het dossier bevindt voor de verklaringen van [naam slachtoffer 1] . 4.3.3. Conclusie Bewezen is het onder 1 ten laste gelegde, met dien verstande dat de pleegperiode wordt vastgesteld op 11 november 2017 tot en met 23 november 2017. 4.4. Bewijswaardering ten aanzien van feit 2 4.4.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, omdat de verklaringen van [naam slachtoffer 1] onvoldoende worden ondersteund door overige bewijsmiddelen. Bovendien heeft [naam slachtoffer 1] tegen de zus van de verdachte verklaard dat zij in elkaar was geslagen door een groep meisjes en dat ze daardoor letsel had opgelopen. 4.4.2. Beoordeling [naam slachtoffer 1] heeft bij de politieverhoren verklaard dat zij op enig moment door de verdachte zou worden opgehaald in Harderwijk en dat ze ruzie kregen aan de telefoon. Toen de verdachte eenmaal bij haar in de buurt was, stapte ze bij hem in de auto. Vanaf het moment dat ze instapte werd ze gelijk geslagen door de verdachte. De verdachte sloeg haar met zijn vuisten in haar gezicht en bleef haar slaan tot ze in Rotterdam waren. Ze weerde zich af door haar handen voor haar gezicht te houden. Na de mishandeling heeft de verdachte haar naar zijn zus in Rozenburg gebracht, waar ze vervolgens een week zijn gebleven. Na die week zijn ze naar Schiedam gegaan en na een paar dagen is ze naar haar huisarts in Harderwijk gegaan. Via haar huisarts is ze naar het ziekenhuis gegaan. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat ze meerdere breuken in haar vingers had. Haar hele gezicht was dik en blauw en ze kon haar ogen niet meer open kon doen. Bij de rechter-commissaris heeft [naam slachtoffer 1] verklaard dat deze mishandeling op 2 september 2017 moet hebben plaatsgevonden, of in elk geval ergens in september 2017. Anders dan door de verdediging bepleit, is de rechtbank van oordeel dat zich voor de verklaringen van [naam slachtoffer 1] voldoende steunbewijs in het dossier bevindt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ondersteunend voor het door [naam slachtoffer 1] omschreven letsel ten gevolge van de mishandeling, is de over haar opgestelde FARR-verklaring van 10 juli 2018. Hieruit blijkt dat op 22 september 2017, ongeveer drie weken na de gestelde mishandeling, een zwelling aan het gelaat aan de rechterzijde werd gezien, met name rond het rechter jukbeen. Aan de rechterhand werd een zwelling en roodheid gezien van de duimtop en middelvingertop. Middels een röntgenfoto werd een breuk van de middelvinger en een breuk van de pink gezien. De geschatte genezingsduur is ten minste zes weken en er is een kans op blijvende functiebeperking en/of indicatie tot operatief ingrijpen. Deze FARR-verklaring past bij het door [naam slachtoffer 1] omschreven letsel. Dat geldt ook voor de FARR-verklaring van 4 mei 2018. Daarin staat dat [naam slachtoffer 1] op 22 september het Sint Jansdal ziekenhuis heeft bezocht en dat een ongeveer twee weken oude breuk werd gezien in de middelvinger en pink. De verklaring van [naam slachtoffer 1] wordt bovendien op meerdere punten ondersteund door de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers die in gebruik waren bij de verdachte en [naam slachtoffer 1] . Uit die gegevens blijkt het volgende. Op 2 en 3 september 2017 straalt het telefoonnummer gekoppeld aan [naam slachtoffer 1] aan op locaties in Ermelo en Botlek. Het telefoonnummer gekoppeld aan de verdachte straalt aan op locaties in Rotterdam, Botlek, Capelle aan den IJssel, Schiedam, Europoort, Waarden, Leusden, Amersfoort, Putten, Zeewolde, Harderwijk, Ermelo, Zeist en Utrecht. De rechtbank constateert dat voornoemde plaatsen zich alle bevinden op de route van Harderwijk naar Rozenburg (bron: Google Maps). Dit ondersteunt de verklaring van [naam slachtoffer 1] dat zij omstreeks 2 september 2017 met de verdachte van Harderwijk naar Rozenburg is gegaan. Op 5, 6 en 7 september 2017 straalt het telefoonnummer gekoppeld aan [naam slachtoffer 1] aan op locaties in Botlek en Schiedam. Het telefoonnummer gekoppeld aan de verdachte straalt eveneens aan op locaties in Botlek en Schiedam. De rechtbank constateert dat Botlek nabij Rozenburg is gelegen. Dit ondersteunt de verklaring van [naam slachtoffer 1] dat zij na de mishandeling op 2 september 2017, met de verdachte verbleef in Rozenburg bij de zus van de verdachte. Ook op 8 en 9 september 2017 stralen de telefoonnummers gekoppeld aan [naam slachtoffer 1] en de verdachte aan op onder andere locaties in Schiedam en Rotterdam. Dit ondersteunt de verklaring van [naam slachtoffer 1] dat ze na een week verbleven te hebben in Rozenburg, naar Schiedam is gegaan met de verdachte. Op 10 tot en met 14 september 2017 straalt het telefoonnummer gekoppeld aan [naam slachtoffer 1] aan op locaties in Dordrecht en ’s-Gravenhage. Het telefoonnummer gekoppeld aan de verdachte straalt aan op locaties in Capelle aan den IJssel, Rotterdam, Ridderkerk, Spijkenisse en Barendrecht. Dit ondersteunt de verklaring van [naam slachtoffer 1] dat zij, nadat zij terug was gegaan naar Schiedam, naar een vriendin in Dordrecht is gegaan om vervolgens enkele dagen daarna naar haar huisarts en het ziekenhuis te gaan. Dat [naam slachtoffer 1] na de mishandeling naar de zus van de verdachte is gebracht wordt eveneens ondersteund door de verklaring van de zus van de verdachte, [naam zus verdachte] . [naam zus verdachte] is op 11 december 2018 verhoord bij de rechter-commissaris. Daar heeft zij verklaard dat [naam slachtoffer 1] een keer bij haar thuis was. Ze zag toen dat [naam slachtoffer 1] een blauw gezicht had aan één kant. Gelet op voornoemde is de rechtbank, anders dan door de verdediging bepleit, van oordeel dat zich in het dossier voldoende steunbewijs bevindt voor de verklaringen van [naam slachtoffer 1] . Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Dat [naam slachtoffer 1] het letsel zou hebben opgelopen doordat ze in elkaar zou zijn geslagen door een groep meisjes, is niet aannemelijk geworden. [naam slachtoffer 1] heeft dit weliswaar in eerste instantie tegen de zus van de verdachte verklaard maar de reden was volgens haar dat ze de waarheid niet aan de zus durfde te vertellen. Voorts is [naam slachtoffer 1] hierop teruggekomen door te verklaren dat zij later aan de zus van de verdachte een bericht heeft gestuurd dat het de verdachte was geweest die haar zo had mishandeld. Nu zich in de overige inhoud van het dossier geen aanknopingspunten bevinden ter ondersteuning van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, wordt het verweer van de verdediging verworpen. Gezien de aard van het letsel en de inhoud van de FARR-verklaring van 10 juni 2018 is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. 4.4.3. Conclusie Bewezen is het onder 2 ten laste gelegde. 4.5. Bewezenverklaring zonder nadere motivering ten aanzien van feit 4 Het onder 4 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. Gezien de aard van het letsel en de inhoud van de FARR-verklaring van 4 juni 2018 is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. 4.6. Bewijswaardering ten aanzien van feit 5 (parketnummer 10/751001-19) 4.6.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. ‘Het ding’ waarover wordt gesproken in het gesprek tussen [naam vriendin verdachte] en verdachte, betrof een laptop. De bij de doorzoeking aangetroffen magazijnhouders en patronen zijn niet van de verdachte. Dat zijn DNA is aangetroffen op één van de magazijnhouders is te verklaren doordat de verdachte die uit de tas heeft gepakt om te kijken wat er in de tas zat. Dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen voor het ‘voorhanden hebben’. 4.6.2. Beoordeling Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van 18 maart 2019 stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 15 mei 2018 is de telefoon van de vriendin van de verdachte, [naam vriendin verdachte] , afgetapt. Uit die telefoontaps is gebleken dat zij die dag meerdere malen is gebeld door de verdachte. In die gesprekken is onder meer het volgende gezegd, waarbij de verdachte is aangeduid met “X”, en [naam vriendin verdachte] met “S”: Gesprek 18:08 uur X: Uhm... weet je zeker dat er niets is weg. S: Ja dat weet ik kijk luister. (X wil onderbreken) Dat weet ik juist niet. (…) Gesprek 18:25 uur X: Is helemaal leeg of niet leeg S: wacht even Ik kan niets zien. Ik heb een stoel. Ik pak ff een stoel nu (…) Opmerking verbalisant: [naam verdachte] klinkt heel erg in paniek, praat met een hoge stem en zijn stem neigt over te slaan S: Alles is er nog S: Nou het is er nog X: Okee luister ga nu, nu weg samen met dat ding nu, ik zeg je ga nu gelijk nu hoor je wat Ik tegen jou zeg S: JAAAAA X: Okee nuuu nuuuu (…) Gesprek 18:31 uur X: Okee, ga naar [naam wijk] , je weet waar, weet wie t zeg, precies waar ga daar naar toe S: Jaa jaa (…) Gesprek 18:37 uur S: Ik heb gewoon die deur open gemaakt, ik weet niet welke nummer X: Helemaal boven rechts In die gesprekken vraagt de verdachte onder andere aan [naam vriendin verdachte] of ‘het helemaal leeg is of niet’. [naam vriendin verdachte] zegt daarop ‘dat het er nog ligt’ en de verdachte zegt dat [naam vriendin verdachte] ‘nu direct weg moet gaan met dat ding’. De verdachte zegt tegen [naam vriendin verdachte] dat ze naar [naam wijk] moet gaan. [naam vriendin verdachte] weet waar. De neef van de verdachte, [naam neef verdachte] , bleek woonachtig te zijn aan de [adres delict 2] te Capelle aan den IJssel, in een portiekwoning, rechtsboven, in de wijk [naam wijk] . Op 23 mei 2018 wordt voornoemde woning in het kader van de Wet Wapens en Munitie binnengetreden ter inbeslagneming. Tijdens deze doorzoeking wordt in de slaapkamer in de kast een plastic tas gevonden met daarin de ten laste gelegde onderdelen van vuurwapens. Op deze plastic tas is een vingerspoor aangetroffen dat mogelijk afkomstig is van de verdachte. Op één van de magazijnen bestemd voor een AK-47, een trommelmagazijn, is een DNA-spoor aangetroffen. Dit spoor betreft een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen waarbij het DNA afkomstig kan zijn van de verdachte en van minimaal één andere onbekende persoon. Het verkregen DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA van de verdachte bevat, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. De verdachte heeft verklaard dat hij de plastic tas in de slaapkamer van voornoemde woning heeft gezien en daar een magazijn uit heeft gehaald. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, waaronder het korte tijdsverloop dat gemoeid is geweest met het reizen tussen de woningen, de verklaring van de verdachte en het aangetroffen DNA-spoor, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de diverse onderdelen die zijn aangetroffen in de plastic tas voorhanden heeft gehad. De verklaring van de verdachte dat ‘het ding’ waarover hij sprak met zijn vriendin zou gaan over een laptop afkomstig van diefstal, acht de rechtbank ongeloofwaardig, temeer omdat het meer voor de hand ligt dat de vraag van verdachte aan zijn vriendin of het “helemaal leeg of niet leeg” verwijst naar een plastic tas met inhoud, dan naar een laptop. Bewezen is het onder 5 ten laste gelegde. 4.7. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: (parketnummer 10/75003-18) Feit 1 hij, op tijdstippen in de periode van 11 november 2017 tot en met 23 november 2017 te Schiedam en/of Rotterdam althans in Nederland, een ander, te weten [naam slachtoffer 1] , (lid 1, onder 1°) door dwang en geweld en feitelijkheden en door dreiging met geweld en andere feitelijkheden en misleiding en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie, heeft gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van die [naam slachtoffer 1] , en (lid 1, onder 4°) (telkens) met één of meer van de onder 1° genoemde middelen die [naam slachtoffer 1] heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten en onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.