RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 7659661 \ CV EXPL 19-2328 uitspraak: 24 oktober 2019 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht, in de zaak van: [eiser 1] , in zijn hoedanigheid van vennoot van de vennootschap onder firma [naam firma] vof, wonende te [woonplaats eiser] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. G. Gabrelian, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, die procedeert in persoon. Partijen zullen hierna [eiser 1] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 25 maart 2019 de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie de conclusie van antwoord in reconventie de akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde] de aantekening van de griffier dat voormelde comparitie op 23 september 2019 is gehouden de door partijen overgelegde producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten in conventie en in reconventie 2.1. [naam holding] Holding B.V. (hierna: [naam holding] Holding) is een fulfilment bedrijf dat voor haar klanten de logistieke afhandeling van geplaatste bestellingen verzorgt en websites beheert, waarop stropdassen en rugtassen worden verkocht. 2.2. Het handelsregister vermeldt over [naam holding] Holding en de commanditaire vennootschap [naam vennootschap] (hierna: [naam vennootschap] ) onder meer het volgende: sinds de oprichting op 12 februari 2002 is [gedaagde] enig aandeelhouder van [naam holding] Holding; van 12 februari 2002 tot 1 november 2013 en vanaf 27 juli 2016 was [gedaagde] enig bestuurder van [naam holding] Holding; van 1 november 2013 tot 27 juli 2016 was [naam vennootschap] bestuurder van [naam holding] Holding; van 18 augustus 2009 tot 1 januari 2015 was [gedaagde] gevolmachtigd om [naam vennootschap] te vertegenwoordigen. 2.3. Op 23 december 2014 heeft [naam holding] Holding een huurovereenkomst gesloten, op grond waarvan zij met ingang van 15 januari 2015 voor twee jaar een bedrijfsruimte aan het adres [adres] te Dordrecht (hierna: het gehuurde) heeft gehuurd. De huurovereenkomst is aangegaan met [eiser 1] in zijn hoedanigheid van vennoot van [naam firma] vof als verhuurder. 2.4. De huursom bedroeg € 500,-- (exclusief btw) per maand en [naam holding] Holding was bij aanvang van de huurovereenkomst een waarborgsom ter hoogte van drie maanden huur (inclusief btw) verschuldigd. De huurovereenkomst verbiedt [naam holding] Holding het gehuurde zonder toestemming geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan. 2.5. [naam holding] Holding heeft bij aanvang van de huurovereenkomst een waarborgsom ter hoogte van een maand huur (inclusief btw) betaald. [gedaagde] heeft [eiser 1] verzocht om uitstel voor het resterende bedrag ter hoogte van twee maanden huur. 2.6. [naam holding] Holding heeft de btw over de huur over de maand juli 2016 niet betaald en heeft vanaf augustus 2016 de maandelijks verschuldigde huur onbetaald gelaten. 2.7. [eiser 1] heeft op 1 september 2016 een bezoek gebracht aan het gehuurde. Hij trof daar twee personen aan die hem vertelden dat [naam vof] vof (hierna: [naam vof] ) het gehuurde gezamenlijk met [naam holding] Holding gebruikte en dat [naam vof] [naam holding] Holding daarvoor maandelijks € 400,-- (exclusief btw) betaalde. 2.8. [eiser 1] heeft [naam holding] Holding op 24 september 2016 in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, sector kanton en ontruiming gevorderd van het gehuurde wegens een huurachterstand en onderverhuur in strijd met de huurovereenkomst. De vordering is bij verstekvonnis van 13 oktober 2016 toegewezen. [eiser 1] heeft het verstekvonnis op 26 oktober 2016 aan [naam holding] Holding betekend en aangezegd dat op 30 november 2016 zou worden overgegaan tot ontruiming. 2.9. [naam holding] Holding en [naam vof] hebben het gehuurde voorafgaand aan de aangezegde datum verlaten. 2.10. [eiser 1] heeft [naam holding] Holding op 9 mei 2017 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. [naam holding] Holding is op 22 juni 2017 bij verstekvonnis veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.422,74 aan achterstallige huur, € 331,-- aan verbeurde boetes over de huurachterstand, € 6.664,56 aan verbeurde boetes wegens verboden onderverhuur en € 467,27 aan buitengerechtelijke kosten. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser 1] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag ad € 12.825,45 aan [eiser 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vroegst mogelijke datum, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der betaling; II. Met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten. 3.2. [eiser 1] legt aan zijn vorderingen onder andere ten grondslag dat [gedaagde] als bestuurder van [naam holding] Holding heeft bewerkstelligd dat [naam holding] Holding huursommen onbetaald heeft gelaten, het gehuurde maandenlang in strijd met de huurovereenkomst gedeeltelijk heeft onderverhuurd en niet is ingegaan op sommaties van [eiser 1] met betrekking tot deze punten. [gedaagde] treft hiervan persoonlijk een ernstig verwijt, zodat [gedaagde] naast [naam holding] Holding aansprakelijk is voor de door [eiser 1] geleden schade. 3.3. De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering. [gedaagde] betwist dat hij bestuurder was van [naam holding] Holding en dat hij het gehuurde in strijd met de huurovereenkomst heeft onderverhuurd. Verder voert [gedaagde] als verweer dat hij zich met betrekking tot de huurbetalingen op een opschortingsgrond kon beroepen. in reconventie 3.4. [eiser 2] vordert in reconventie dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. Primair: [verweerder] veroordeelt binnen 7 dagen na betekening aan [verweerder] van dit vonnis, aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 4.140,--, zijnde de schade van alle onverkoopbare goederen die op 1 september 2016 door [verweerder] aantoonbaar zijn vernield; [verweerder] veroordeelt binnen 7 dagen na betekening aan [verweerder] van dit vonnis, aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 380,--, zijnde de kosten voor een nieuwe fotocamera; [verweerder] veroordeelt binnen 7 dagen na betekening aan [verweerder] van dit vonnis, aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 1.100,-- zijnde herstel- en schoonmaakkosten kantoor en meubilair. Subsidiair: [verweerder] veroordeelt tot betaling van de schade die door [verweerder] is aangericht, op te maken bij staat. II. [verweerder] veroordeelt in de kosten van deze procedure in reconventie. 3.5. [eiser 2] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam holding] Holding door op 1 september 2016 het gehuurde binnen te treden, schade aan te richten aan de inventaris en een camera met statief mee te nemen. [naam holding] Holding heeft haar vordering op [verweerder] uit hoofde van deze onrechtmatige daad bij akte van 11 juni 2019 gecedeerd aan [eiser 2] . 3.6. De conclusie van [verweerder] strekt tot afwijzing van de vordering. [verweerder] voert aan dat uit de stukken niet blijkt dat [naam holding] Holding schade heeft geleden. [verweerder] betwist dat hij schade heeft toegebracht aan de inventaris van [naam holding] Holding en een camera met statief heeft meegenomen. 4De beoordeling in conventie 4.1. Het geschil tussen [eiser 1] en [gedaagde] spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] als (feitelijk) bestuurder van [naam holding] Holding heeft bewerkstelligd dat [naam holding] Holding haar verplichtingen jegens [eiser 1] niet is nagekomen en of [gedaagde] daarvan in de gegeven omstandigheden persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. Was [gedaagde] (feitelijk) bestuurder van [naam holding] Holding? 4.2. [gedaagde] heeft ter comparitie aangevoerd dat hij tussen 1 november 2013 en 27 juli 2016 formeel geen bestuurder was van [naam holding] Holding, omdat in deze periode zijn persoonlijke faillissement werd afgewikkeld en het hem door de curator niet was toegestaan om als bestuurder van een vennootschap op te treden. 4.3. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld zich op het standpunt te stellen dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade van [eiser 1] voor zover de hem verweten gedragingen zien op de periode waarin [gedaagde] formeel geen bestuurder van [naam holding] Holding was, wordt [gedaagde] daarin niet gevolgd. Daarvoor is, in onderling verband bezien, het volgende van belang. [gedaagde] bestempelt zichzelf als ‘éénpitter’ en heeft ter zitting verklaard dat hij in de periode waarin hij formeel was uitgeschreven als bestuurder van [naam holding] Holding, feitelijk namens [naam holding] Holding bleef optreden. Zo heeft [gedaagde] in december 2014 de huurovereenkomst namens [naam holding] Holding ondertekend en was hij vanaf januari 2015 verantwoordelijk voor betaling van de waarborgsom en de maandelijkse huurtermijnen. [gedaagde] heeft voorts verklaard dat hij namens [naam holding] Holding een samenwerking was aangegaan met [naam vof] vof (hierna: [naam vof] ). Uit dit alles volgt dat [gedaagde] ook ten tijde van zijn formele uitschrijving als bestuurder van [naam holding] Holding, tussen 1 november 2013 en 27 juli 2016, zelfstandig heeft opgetreden namens [naam holding] Holding en haar beleid heeft bepaald, zodat [gedaagde] in deze periode optrad als feitelijk bestuurder van [naam holding] Holding. Hierna zal worden onderzocht of [gedaagde] in die hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en, zo ja, of hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft. Aansprakelijkheid [gedaagde] als (feitelijk) bestuurder 4.4. Wat betreft de benadeling van een schuldeiser van een vennootschap zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als (feitelijk) bestuurder van de vennootschap zonder goede reden feitelijk verhindert dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen jegens de crediteur nakomt. Voor aansprakelijkheid van een (feitelijk) bestuurder van een vennootschap tegenover een derde geldt een hoge drempel. Op zichzelf is het niet voldoende dat de bestuurder er niet op toeziet dat de vennootschap tijdig haar financiële verplichtingen tegenover een schuldeiser nakomt, maar dient hem daarvan een voldoende ernstig verwijt te kunnen worden gemaakt. 4.5. [eiser 1] verwijt [gedaagde] in dit verband, kort gezegd, te hebben bewerkstelligd dat [naam holding] Holding (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.