RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8166061 VZ VERZ 19-20164 uitspraak: 31 december 2019 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [naam verzoekster] , wonende te [woonplaats verzoekster] , verzoekster, gemachtigde: mr. K. Hoesenie, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Thuiszorg [naam 1] B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. R.W. de Pater. Partijen worden hierna aangeduid als [naam verzoekster] en [naam 1] . 1Het verloop van de procedure 1.1 Van de volgende processtukken is kennisgenomen: het verzoekschrift van [naam verzoekster] , met producties, ontvangen op 13 november 2019; het verweerschrift van [naam 1] , met producties, ontvangen op 9 december 2019. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2019, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in het kort geding van [naam verzoekster] tegen LWA Holding B.V. en Thuis in Zorg Rotterdam B.V. (hierna: LWA respectievelijk TiZR). [naam verzoekster] is niet verschenen, maar wel haar gemachtigde mr. Hoesenie. Namens [naam 1] is verschenen [naam 1] , bijgestaan door mr. De Pater. Namens LWA en TiZR is verschenen [naam 2] , bijgestaan door mr. J.M.C. Wessels. 1.3 De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op heden. 2De feiten In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten: 2.1 [naam 1] heeft activiteiten verricht op het gebied van thuiszorg en huishoudelijke hulp. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is actief geweest bij [naam 1] als directeur ad interim. 2.2 Op grond van een arbeidsovereenkomst is [naam verzoekster] met ingang van 30 juli 2019 in dienst getreden bij [naam 1] en daar werkzaam geweest in de functie van administratief medewerker voor 32 uur per week tegen een uurloon € 12,78 bruto en 8% vakantiebijslag. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 12 maanden. 2.3 [naam 2] is directeur grootaandeelhouder van [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ), die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van LWA. LWA is enig aandeelhouder en bestuurder van TiZR. [naam bedrijf] , LWA en TiZR zijn op 25 september 2019 opgericht. 2.4 Tussen [naam 1] als verkoper en LWA als koper is op 25 september 2019 een koopovereenkomst gesloten, waarbij LWA de activa van de onderneming van [naam 1] heeft gekocht, bestaande uit onder andere de bedrijfsmiddelen, het volledige klantenbestand, het personeel en de (zorg)contracten, tegen een koopsom van € 100.000,00. 2.5 In artikel 3 van de koopovereenkomst is bepaald: “1. De overdracht zal plaatsvinden op 1 oktober 2019 of zoveel eerder of later als Partijen overeenkomen (…).” In artikel 4 van de koopovereenkomst is bepaald: “1. Partijen erkennen dat de rechten en verplichtingen van Verkoper met betrekking tot de werknemers (…) bij de overdracht van de Onderneming op grond van artikel 7:663 BW van rechtswege tezamen met de Onderneming op de Koper zullen overgaan. (…)” In artikel 6 van de koopovereenkomst is bepaald: “1. Partijen komen overeen dat Koper de onderhavige koopovereenkomst uiterlijk op 31 december 2019 kan ontbinden zonder enige boete verschuldigd te zijn aan Verkoper, zulks onder de voorwaarde dat minimaal drie zorgverzekeraars geen samenwerking met Koper wensen aan te gaan. (…)” 2.6 Bij brief van 11 oktober 2019 heeft [naam 1] aan [naam verzoekster] meegedeeld dat de thuiszorgactiviteiten zijn ondergebracht bij Stichting Anna voor Zorg te Bosschenhoofd (hierna: AvZ) en de huishoudelijke activiteiten zijn overgenomen door TiZR. In dezelfde brief heeft zij meegedeeld dat dit betekent dat haar arbeidsovereenkomst met [naam 1] per 11 oktober 2019 eindigt en dat AvZ dan wel TiZR het dienstverband zal voortzetten. 2.7 Bij schrijven van 12 oktober 2019 heeft [naam 2] in zijn hoedanigheid van directeur ad interim van [naam 1] het personeel van [naam 1] meegedeeld dat per 11 oktober 2019 AvZ de zorgverantwoordelijkheid overneemt over de ongeveer 85 cliënten van [naam 1] , dat alle verpleegkundigen een contract aangeboden hebben gekregen bij AvZ en dat per diezelfde datum al het huishoudelijke personeel een contract aangeboden heeft gekregen bij en overgaat naar TiZR. 2.8 Bij brief van 29 oktober 2019 heeft LWA aan [naam 1] meegedeeld de koopovereenkomst van 25 september 2019 met een beroep op artikel 6.1 van die overeenkomst te ontbinden. 2.9 [naam 1] heeft aan [naam verzoekster] salaris betaald over de periode van 1 tot en met 10 oktober 2019. 2.10 [naam verzoekster] heeft zich gewend tot [naam 2] voor betaling van haar salaris vanaf 11 oktober 2019. Dat is van de hand gewezen met een beroep op de ontbinding van de koopovereenkomst. 3Het geschil 3.1 [naam verzoekster] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding [naam 1] te veroordelen tot betaling aan [naam verzoekster] van haar salaris van € 1.777,22 bruto per maand, met de vakantietoeslag, vanaf 11 oktober 2019 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd; en primair:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.