Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/750164-18 Datum uitspraak: 8 oktober 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, tegen de verdachte: [naam verdachte 1], geboren te [plaats] op [datum], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres], raadsman mr. E. Manders, advocaat te Rotterdam. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 9 september 2019 en 10 september 2019. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feit 5) Het onder 5 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.2. Inleiding Het dossier Bulverde is het resultaat van een opsporingsonderzoek dat was gericht op een aantal verdachten dat zich bezig zou houden met de (inter)nationale handel in harddrugs, meer specifiek de invoer hiervan in Nederland. Het dossier is opgebouwd uit diverse zaaksdossiers die steeds zien op een ander drugstransport dan wel een ander strafbaar feit. In de diverse zaaksdossiers zijn verschillende telefoonnummers van de verdachten naar voren gekomen. Ten behoeve van de begrijpelijkheid van de hierna volgende bewijsoverwegingen zal de rechtbank in de eerste plaats de identiteit van de verschillende verdachten aan de orde stellen en hun telefoonnummer en/of bijnaam aan hen koppelen. 4.3. Identificatie Ten aanzien van alle verdachten geldt dat de politie een proces-verbaal heeft opgemaakt met bijlagen, op basis waarvan de politie telkens tot de slotsom komt dat bepaalde telefoonnummers en bijnamen zijn te koppelen aan één van de verdachten. De rechtbank heeft naast deze processen-verbaal nog een aantal andere bewijsmiddelen aangetroffen in het dossier die de al gemaakte koppeling tussen de verdachten en telefoonnummers dan wel bijnamen versterkt. Op grond van die bewijsmiddelen tezamen komt de rechtbank tot de volgende vaststellingen. [verdachte 1] Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] was in de bewezenverklaarde periode in gebruik bij de verdachte [verdachte 1]. De bijnaam die diverse medeverdachten gebruikten wanneer ze over hem spraken is “ [bijnaam 1] ” en/of “ [bijnaam 2] ”. [verdachte 2] De telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] waren in de bewezenverklaarde periode in gebruik bij de medeverdachte [verdachte 2]. De bijnaam die diverse medeverdachten gebruikten wanneer ze over hem spraken is “ [bijnaam 3] ”. [verdachte 3] De telefoonnummers [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5] waren in de bewezenverklaarde periode in gebruik bij de medeverdachte [verdachte 3]. De bijnamen die diverse medeverdachten gebruikten wanneer ze over hem spraken is “ [bijnaam 4] ” en, wanneer het ging om [verdachte 3] in combinatie met [verdachte 4], “ [bijnamen] ”. [verdachte 4] De telefoonnummers [telefoonnummer 6] , [telefoonnummer 7] en [telefoonnummer 8] waren in de bewezenverklaarde periode in gebruik bij de medeverdachte [verdachte 4]. De bijnamen die diverse medeverdachten gebruikten wanneer ze over hem spraken is “ [bijnaam 5] ” en, wanneer het ging om [verdachte 4] in combinatie met [verdachte 3], “ [bijnamen] ”. [verdachte 5] Het telefoonnummer [telefoonnummer 9] was in de bewezenverklaarde periode in gebruik bij de medeverdachte [verdachte 5]. Hij wordt ook wel genoemd “ [bijnaam 6] ” en/of “ [bijnaam 7] ”. De bijnaam die diverse medeverdachten gebruikten wanneer ze over hem spraken is “ [bijnaam 8] ”. [verdachte 6] Het telefoonnummer [telefoonnummer 10] was in de bewezenverklaarde periode in gebruik bij de medeverdachte [verdachte 6]. De bijnaam die diverse medeverdachten gebruikten wanneer ze over hem spraken is “ [bijnaam 9] ”. [verdachte 7] Het telefoonnummer [telefoonnummer 11] was in de bewezenverklaarde periode in gebruik bij de medeverdachte [verdachte 7]. De bijnaam die diverse medeverdachten gebruikten wanneer ze over hem spraken is “ [bijnaam 10] ”. 4.4. Systeem Portbase In het opsporingsonderzoek Bulverde wordt veelvuldig gesproken over het systeem Portbase en de daarbij noodzakelijke pin voor het vrijgeven van een container. Ten behoeve van de begrijpelijkheid van onderstaande overwegingen en bewijsmiddelen zal de rechtbank hieronder kort samengevat weergeven wat het systeem Portbase inhoudt. Het systeem Portbase is een systeem waarin de gegevens zijn verwerkt van APM terminals. Hierin wordt onder andere het containernummer en de pin opgeslagen. Een pin is een uniek nummer waarmee een specifieke container kan worden opgehaald. Deze pin wordt door de rederij bij vrijgave van de container verstrekt aan de opdrachtgever, die de pin in combinatie met het containernummer op haar beurt doorgeeft aan de vervoerder. De vervoerder doet een voormelding voor het afhalen van de container in het programma Portbase. Binnen Portbase staat de vervoerder geregistreerd onder een eigen nummer (Trucking Company ID). De vervoerder dient in Portbase vervolgens het containernummer en de bijbehorende pin in te voeren. Het Trucking Company ID is afgegeven op naam van het bedrijf, niet op de persoon. Het programma Portbase controleert of het containernummer en de pin een match zijn en controleert tevens of de container vrijgegeven mag worden. 4.5. Zaaksdossier 1 (feiten 1 en 2) 4.5.1. Standpunt verdediging De verdediging voert aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 omdat hij een geringe rol heeft gespeeld bij de invoer. Daarnaast is sprake van een absoluut ondeugdelijke poging voor wat betreft de (verlengde) invoer omdat de container op het tijdstip van afhalen door [verdachte 7] al onder controle van de Douane stond. Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet kan worden gesteld dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht. 4.5.2. Beoordeling De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Op 15 mei 2018 is in de haven van Rotterdam een schip aangekomen met daarop onder meer een container met het nummer [container] (hierna: de container) die geladen was met ananassen. Het schip is met de lading vertrokken vanuit Coco Solo (Panama) op 25 april 2018 en had als eindbestemming Rotterdam. Op 15 mei 2018 heeft de douane met behulp van narcoticaspeurhonden een controle uitgevoerd aan voornoemde container. Na een positieve reactie van de speurhonden en verder onderzoek werd bij een pallet met ananassen een afwijking gezien. In deze pallet werden in totaal 25 dozen aangetroffen. In elke doos zaten zes pakketten met verdovende middelen. Het totale netto gewicht van de pakketten bedroeg 150 kilogram. Ten behoeve van analyse werden 15 monsters genomen die werden aangeboden aan het Douanelaboratorium. Uit het rapport van het Douane laboratorium, gedateerd 28 mei 2018, bleek dat alle monsters cocaïne bevatten. De cocaïne is in beslag genomen. Voorts blijkt uit het dossier dat door [bedrijf 1] op 15 mei 2018 in Portbase een voormelding is gedaan om de container met nummer [-] af te halen. In totaal zijn 7 pogingen gedaan tussen 03.45 uur en 07.45 uur om de container af te halen. Ook werd nog één poging ondernomen onder het Trucking Company ID dat is gekoppeld aan het [bedrijf 2]. Na contact met de eigenaar van de container is gebleken dat deze aan geen van die twee vervoersbedrijven de opdracht had gegeven om de container op te halen. Uit bewakingsbeelden van APM Terminals is gebleken dat een vrachtwagen van [bedrijf 1] op 15 mei 2018 tussen 04.00 uur en 07.00 uur op het parkeerterrein voor APM Terminals gestaan heeft en zonder te hebben geladen vertrekt. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden verklaard dat [verdachte 1] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of voorbereidingshandelingen heeft verricht hiertoe. Hoewel de verdediging stelt dat [verdachte 1] een geringe rol heeft gespeeld bij de invoer, valt uit de bewijsmiddelen af te leiden dat de verdachte door een of meerdere onbekend gebleven medeverdachten is benaderd om handelingen te verrichten die zien op de invoer van de partij cocaïne. [Verdachte 1] heeft ook ter terechtzitting verklaard dat hij is benaderd door een onbekende met het verzoek om op 15 mei 2018 een lading uit een container te halen. Hij is er daarbij van uitgegaan dat deze lading bestond uit 120 kilogram verdovende middelen. Vervolgens heeft hij zelf medeverdachten benaderd om diverse hand- en spandiensten hiervoor te verrichten. Zo blijkt uit een tapgesprek van 14 mei 2018 dat [verdachte 1] belt naar [verdachte 2] met de mededeling dat hij een spoedtransport nodig heeft voor diezelfde nacht in Rotterdam. Hij vraagt aan [verdachte 2] of hij iemand kan regelen die paraat kan staan. [verdachte 2] belt niet veel later terug naar [verdachte 1] en geeft aan dat hij iemand heeft gevonden. Dit blijkt [verdachte 7] te zijn. In een later tapgesprek op 14 mei 2018 meldt [verdachte 1] aan [verdachte 2] dat voor [verdachte 7] een telefoontje moet worden geregeld, een zogenaamd “N dingetje” zodat er contact met hem kan worden gehouden en dat de boot om 03.00 uur aankomt op AP2. Op de terechtzitting heeft [verdachte 1] ook beaamd een pgp-telefoon – die doorgaans worden gebruikt voor geheime communicatie – te hebben geregeld voor [verdachte 7]. [verdachte 7] verklaart tijdens zijn verhoor dat hij een opdracht heeft gekregen voor een transport op 15 mei 2018 voor APM terminals, voor een boot die om 03.00 uur zou aankomen. Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [verdachte 7] één van de drie bestuurders is van [bedrijf 1]. Voorts blijkt uit de tapgesprekken dat [verdachte 1] aan [verdachte 7] vraagt of hij zorg kan dragen voor een heftruck en een loods voor het desbetreffende transport van 15 mei 2018. Daarnaast zijn er tapgesprekken waarin [verdachte 1] met [verdachte 2] afspraken maakt over de verdeling van de eventuele opbrengst van het transport. Daaruit blijkt voorts dat [verdachte 1] degene is die prijsafspraken heeft gemaakt met de “opdrachtgever”. Ook houdt [verdachte 7] [verdachte 1] op de hoogte van het transport van 15 mei 2018 en van het feit dat de container geblokkeerd blijft staan. De rechtbank is van oordeel dat uit het vorengaande en uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte 1] een actieve en coördinerende rol heeft gehad om de inhoud van de container veilig te stellen en de invoer van de cocaïne te faciliteren. Met de door hem verrichte handelingen heeft [verdachte 1] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de illegale lading in de container bestond uit een grote hoeveelheid cocaïne, zoals in dit geval ook is gebleken. [verdachte 1] heeft aldus opzet gehad op het plegen van het ten laste gelegde. De omstandigheid dat die cocaïne op enig moment door de douane in beslag genomen was, doet daar blijkens vaste jurisprudentie niet aan af. Gelet op de handelingen die [verdachte 1] heeft verricht is de rechtbank van oordeel dat hij een zodanige bijdrage aan het geheel heeft geleverd dat moet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 7] en de onbekende opdrachtgever, die gericht was op het voorbereiden van en verrichten van uitvoeringshandelingen voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. 4.5.3. Conclusie Gelet op het vorengaande acht de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.6. Zaaksdossier 2 (feit 3) 4.6.1. Standpunt verdediging De verdediging voert aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat hij geen voorbereidingshandelingen heeft verricht om cocaïne binnen Nederland te brengen en geen opzet heeft gehad op het voorbereiden van die invoer. Zijn opzet was gericht op het helpen van [verdachte 2]. Daarnaast staat niet vast dat dit transport daadwerkelijk heeft bestaan. 4.6.2. Beoordeling De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Uit tapgesprekken blijkt dat [verdachte 3] en [verdachte 4] ervan uitgaan dat op 8 juli 2018 een schip met een grote lading binnenkomt uit Brazilië met containers met (onder meer) verdovende middelen. Er wordt gesproken over 500 dan wel 800 kilogram. [verdachte 3] en [verdachte 4] hebben de gegevens van deze lading geconcretiseerd door de gegevens van het schip en het vaarschema te achterhalen. Bij een huiszoeking bij [verdachte 3] wordt het vaarschema van het schip [naam schip] aangetroffen, met als aankomstdatum 8 juli 2018 op Uniport in Rotterdam. Later is deze aankomstdatum gewijzigd naar 9 juli 2018. Op basis van voornoemde gegevens zijn [verdachte 3] en [verdachte 4] het transport van de lading verder gaan organiseren. Zij bespreken dat ze moeten weten of ‘het’ (de rechtbank begrijpt hieruit: het gedeelte van de lading waarin zij geïnteresseerd zijn) ingebouwd is of met tassen, want de tassen kunnen er direct uit worden gehaald en verder worden gebracht. Zij hebben verder [verdachte 5] benaderd voor het regelen van een chauffeur en een loods. [verdachte 5] voorziet hen ook van kennis met betrekking tot de scanapparatuur op de diverse terminals. Ook zijn zij druk bezig met het regelen van iemand die een pin kan verstrekken, zodat de desbetreffende container kan worden vrijgegeven. Het lijkt erop dat zij problemen hebben met hun vaste “pinman”. In de taps van 3 juli 2018 hebben [verdachte 3] en [verdachte 4] het over een afspraak bij “[naam]”. Bij een observatie op die dag worden [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5] gezien bij restaurant “[naam]”. Dit is vijf dagen voor de oorspronkelijke aankomstdatum van de container. Na de ontmoeting wordt door [verdachte 3] en [verdachte 4] druk verder overleg gepleegd. Tevens bespreken [verdachte 3] en [verdachte 4] de verdeling van de eventuele opbrengst van de lading, waarbij duidelijk wordt dat er een opbrengst van twee ton wordt verwacht, en dat de verschillende betrokkenen delen in de opbrengst, dan wel een percentage in de opbrengst willen hebben. Verder blijkt dat [verdachte 1] en [verdachte 2] eveneens zijn benaderd voor het transport van 8 juli 2018. Zij vernemen de plannen van [verdachte 3] en [verdachte 4] en begrijpen dat “ [bijnamen] ” moeite hebben met het vinden van een pinman. [verdachte 1] en [verdachte 2] proberen vervolgens ook een pinman te regelen voor de desbetreffende lading. In een tapgesprek zegt [verdachte 1] tegen [verdachte 2]: “de 8e weten we sowieso hoe het zit”. Daarnaast heeft [verdachte 1] [verdachte 3] benaderd met de mededeling dat hij een optie heeft voor 8 juli 2018. [verdachte 3] zegt tegen [verdachte 4] dat dit hun lading was. Ook ontvangt [verdachte 4] via zijn Encro-telefoon berichten van [verdachte 1]. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden verklaard dat [verdachte 1] samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht om het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne mogelijk te maken. Het is een feit van algemene bekendheid dat de logistiek rond de invoer van verboden verdovende middelen complex is en daarbij meestal meerdere personen betrokken zijn. Alle individuele handelingen van personen die betrekking hebben op die complexe logistiek moeten daarom in beginsel worden geacht gericht te zijn op dat doel, te weten het met opzet binnen het grondgebied van Nederland brengen van deze verboden verdovende middelen. In de onderhavige zaak is daarvan onder andere sprake bij het regelen van iemand die een pincode kan verstrekken die noodzakelijk is voor het vrijgeven van de container. Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien wordt duidelijk dat de discussie over 500 of 800 ziet op kilogrammen cocaïne, mede gelet op de omstandigheid dat er blijkbaar veel geld verdiend kan worden met de transactie en gelet op de omstandigheid dat de medeverdachten zich afvragen of het gedeelte van de lading waarin zij interesse hebben is ingebouwd of in tassen zit. Het is verder een ervaringsregel dat een aantal Zuid-Amerikaanse landen behoort tot de belangrijkste producenten van cocaïne. Evenzeer is het een feit van algemene bekendheid dat bij smokkel van dergelijke partijen cocaïne de cocaïne vaak wordt verstopt in/onder een deklading in een container (al dan niet in tassen) of wordt ingebouwd in de (legale) lading van die container, waarna de container door middel van containerschepen vanuit Zuid-Amerika naar Europa wordt verscheept. De verdachten hebben, gezien hun uitlatingen, ten tijde van het plegen van hun gedragingen allen in de veronderstelling verkeerd dat op 8 juli 2018 een schip met containers zou aankomen in Rotterdam en dat zich in de lading van een of meer van die containers een grote hoeveelheid cocaïne zou bevinden. Hun gedragingen om die lading te verkrijgen waren er dus onmiskenbaar op gericht die hoeveelheid cocaïne opzettelijk binnen Nederland te brengen. Het feit dat uiteindelijk geen containers met cocaïne daadwerkelijk zijn uitgehaald door de verdachten of door hen zijn aangetroffen, maakt niet dat dan geen sprake meer is van strafbare voorbereidingshandelingen. De in de bewijsmiddelen opgenomen tapgesprekken geven, in onderling verband en samenhang bezien, ook ten aanzien van deze partij blijk van een wijze van handelen van de verdachte en de medeverdachten, die sterke overeenkomsten vertoont met die waarvan in zaaksdossier 1 is gebleken en waarin op vergelijkbare wijze is getracht om de in dat dossier bedoelde partij cocaïne in te voeren. Hoewel het zo lijkt dat de verdachten [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5] enerzijds en [verdachte 1] en [verdachte 2] anderzijds op enig moment afzonderlijk van elkaar hebben gehandeld, blijkt uit de taps dat zij op belangrijke onderdelen wel degelijk met elkaar overleg hebben gevoerd over de lading van 8 juli 2018, zoals over het verkrijgen van een pin. Gelet op de handelingen die [verdachte 1] hiertoe heeft verricht is de rechtbank van oordeel dat hij een zodanige bijdrage aan het geheel heeft geleverd dat moet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten, die gericht was op het voorbereiden van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. 4.6.3. Conclusie Gelet op het vorengaande acht de rechtbank het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.7. Zaakdossier 3 (feit 4) 4.7.1. Standpunt verdediging De verdediging voert aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij ontkent [verdachte 6] te hebben omgekocht. 4.7.2. Beoordeling De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Zoals hiervoor reeds is vermeld, is het telefoonnummer [telefoonnummer 10] in de bewezen verklaarde periode in gebruik bij de medeverdachte [verdachte 6]. Dit telefoonnummer wordt in een tapgesprek tussen [verdachte 3] en [verdachte 4] genoemd. Verder spreken zij over een "ventje” dat hen zou voorzien van een pin om containers vrij te geven. Blijkens de bewijsmiddelen is [verdachte 6] het door [verdachte 3] en [verdachte 4] genoemde ventje. Uit de historische gegevens van de telefoon van [verdachte 6] blijkt dat diverse keren telefonisch contact is geweest tussen [verdachte 6] en de zoon van [verdachte 4]. Ook is [verdachte 6] gebeld door [verdachte 3] en is er sms- en telefonisch contact geweest tussen [verdachte 4] en [verdachte 6]. Voor de rechtbank staat het dan ook vast dat [verdachte 6], [verdachte 3] en [verdachte 4] elkaar - in tegenstelling tot wat [verdachte 6] stelt - kenden en elkaar hebben gesproken. In een tapgesprek tussen [verdachte 3] en [verdachte 4] wordt erover gesproken dat [verdachte 6] vooruit wordt betaald en dat hij al “vier kop” betaald heeft gekregen. Een kop is straattaal voor € 1.000,-. Ook geven zij aan dat [verdachte 1] foto’s met baknummers heeft genomen en dat [verdachte 6] moet nakijken of die bakken al binnen zijn gekomen en of die geselecteerd stonden en dat vier nummers moeten worden doorgegeven aan [verdachte 1]. Uit een tapgesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] blijkt dat [verdachte 3] aan [verdachte 6] heeft gevraagd of hij aan een pin met betrekking tot een bepaald bedrijf kan komen en dat [verdachte 6] hierop heeft geantwoord dat hij overal voor kan zorgen, zolang ze maar snel genoeg zijn om hem weg te halen en later weer terug te brengen. Verder heeft [verdachte 3] informatie van [verdachte 6] gekregen over controles en geeft [verdachte 3] aan dat hij en [verdachte 4] hebben berekend dat als “de bananen” binnen komen, ze er 400 kop per persoon aan overhouden. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden verklaard dat [verdachte 1] samen met anderen [verdachte 6] heeft omgekocht. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 4] met elkaar contact hebben gehad over het verkrijgen van een pin en andere vertrouwelijke informatie via [verdachte 6] en dat zij [verdachte 6] voordien al minimaal € 4.000,- hadden betaald. De rol van [verdachte 1] heeft in ieder geval bestaan uit het verstrekken van gegevens die [verdachte 6] vervolgens moest checken. Op grond van het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten, die gericht was op het omkopen van [verdachte 6], in ruil voor de gevraagde informatie. 4.7.3. Conclusie De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.8. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in de periode van 14 tot en met 15 mei 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 150 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. hij in de periode van 14 tot en met 15 mei 2018 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Rijswijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijkvervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 150 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - zich en anderengelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, is verdachte en (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.