vonnis promis RECHTBANK ROTTERDAM Team straf 3 Parketnummer: l 0/701120-16 Datum uitspraak: 28 februari 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , raadsman mr. S. van der Eijk, advocaat te 's-Gravenhage. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2019. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunten officier van justitie en verdediging Standpunt officier van justitie De verdachte heeft [naam] geprobeerd te bewegen om [naam slachtoffer] te vermoorden. De verdachte heeft daartoe aan [naam] betalingen gedaan. Zo is er door hem een bedrag van€ 2.500,- betaald voor de aanschaf van een vuurwapen en een motorscooter die bij de moord gebruikt zouden worden. Er zou door de verdachte aan [naam] nog eens € 1.000,- worden betaald zodra 'het achter de rug was'. Er is door de verdachte met [naam] gesproken over onder meer de locatie van de moord, de wijze waarop de liquidatie plaats zou vinden, het gebruik van het vuurwapen, de wijze waarop de schutter zou vluchten en over de betaling na afloop. Daarbij is door de verdachte - al dan niet na een daartoe strekkende vraag van [naam] - relevante informatie verstrekt aan [naam] , zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de situering van de woning van [naam slachtoffer] en de route die hij aflegt van zijn woning in België naar Maastricht. De verdachte heeft in een gesprek met [naam] bovendien benadrukt dat het snel moest gebeuren. Dat de verdachte opdracht heeft gegeven voor de moord blijkt duidelijk uit een door [naam] opgenomen gesprek tussen hem en de verdachte. Bovendien had de verdachte een motief voor de moord, gelet op de animositeit die er al langere tijd tussen de verdachte en [naam slachtoffer] bestond. Dat [naam] nooit daadwerkelijk de intentie heeft gehad om [naam slachtoffer] te vermoorden, zoals hij in zijn politieverhoor heeft verklaard, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. De officier van justitie concludeert dat bewezen kan worden dat de verdachte, met gebruikmaking van de in de wet genoemde uitlokkingsmiddelen, heeft getracht om [naam] te bewegen tot de moord op [naam slachtoffer] . Standpunt verdediging Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte nooit de intentie heeft gehad om [naam slachtoffer] te laten vermoorden. Het klopt dat er gesprekken zijn geweest tussen hem en [naam] , waarvan de transcripties zich in het dossier bevinden. Door de verdediging is uitgebreid de context geschetst waarbinnen die gesprekken hebben plaatsgevonden. De verdachte en [naam slachtoffer] leefden al langere tijd met elkaar in onmin en de verdachte hield [naam slachtoffer] er verantwoordelijk voor dat zijn (verdachtes) echtgenote in Ghana in de gevangenis belandde. De verdachte werd door [naam slachtoffer] bovendien valselijk beschuldigd waardoor hij zich genoodzaakt zag om Ghana te ontvluchten en naar Nederland terug te keren. Tijdens de detentie van zijn echtgenote in Ghana leidde de verdachte een eenzaam bestaan in Rotterdam. De verdediging acht deze omstandigheden van belang. Immers op dat moment ontmoette hij [naam] , die hem een luisterend oor bood. De verdachte had nauwelijks sociale contacten en vond het fijn dat hij bij [naam] zijn verhaal kwijt kon. Hij was gevoelig voor de aandacht die hij kreeg en vertelde [naam] uitgebreid over de problemen tussen hem en [naam slachtoffer] , en de detentie van zijn echtgenote. [naam] leek oprecht geïnteresseerd, maar achteraf concludeert de verdachte dat hij door hem is uitgehoord met de kennelijke bedoeling om hem later te kunnen afpersen. Het was [naam] die op enig moment aan de verdachte liet weten dat [naam slachtoffer] het niet verdiende om te leven. Het was [naam] die bij herhaling [naam slachtoffer] een schoft noemde die maar beter uit de weg geruimd kon worden. Het was ook [naam] die tijdens de gesprekken met de verdachte steeds vroeg om concreet te worden als het over de voorgenomen moord ging. De verdachte heeft vervolgens meegepraat. De verdediging is dan ook van mening dat niet de verdachte maar [naam] de initiator is geweest van het moordplan. De verdachte heeft nooit initiatieven ontplooid, laat staan dat hij [naam] heeft overgehaald. Voor uitlokking is vereist dat het voornemen tot het plegen van het strafbare feit door de uitlokker bij de uitgelokte is gewekt. Dat is niet het geval geweest. [naam] heeft zich aan de verdachte opgedrongen en niet andersom. De verdachte ontkent dat het bedrag van€ 2.500,- dat door hem aan [naam] is betaald, bedoeld was voor de aanschaf van een vuurwapen en een motorscooter. [naam] had het op dat moment zwaar en het geld was bedoeld om hem en zijn gezin in staat te stellen een weekendje weg te kunnen. 4.1.2. Beoordeling Uitlokking van het feit Vast staat dat de verdachte en [naam] meerdere avonden met elkaar hebben gesproken, waarbij de verdachte uitgebreid zijn beklag heeft gedaan over de ellendige situatie waarin hij en zijn vrouw, (beweerdelijk) door toedoen van [naam slachtoffer] , waren komen te verkeren. In deze gesprekken is op enig moment door de verdachte gezegd dat "het fijner zou zijn als [naam slachtoffer] er niet meer zou zijn". Vervolgens is gesproken over een plan om [naam slachtoffer] te vermoorden. Wie dit idee daadwerkelijk als eerste ter sprake heeft gebracht kan door de rechtbank niet worden vastgesteld, nu de lezingen van de verdachte en [naam] op dit punt van elkaar verschillen en er ook geen geluidsopnamen zijn van de eerste gesprekken tussen de verdachte en [naam] . Anders dan door de verdediging betoogd kan om die reden ook niet worden vastgesteld dat de verdachte aanvankelijk alleen maar heeft meegepraat. Ook indien het idee afkomstig was van [naam] sluit dit niet uit dat de verdachte getracht heeft [naam] uit te lokken om daadwerkelijk uitvoering aan het plan te geven door hier concrete afspraken over te maken en daadwerkelijk aan [naam] geld te betalen. Het lijkt er op dat [naam] nimmer de intentie heeft gehad om [naam slachtoffer] te vermoorden. In plaats daarvan heeft hij het plan opgevat om de verdachte afte persen met de door hem gemaakte geluidsopnamen. [naam] had derhalve, door gebruikmaking van de in de wet genoemde uitlokkingsmiddelen alsnog bewogen kunnen worden om [naam slachtoffer] te vermoorden. De vraag die voorligt is dan ook of sprake is geweest van het aanwenden van dergelijke uitlokkingsmiddelen met het doel [naam] te bewegen de moord te plegen. Uitlokkingsmiddelen In het dossier bevindt zich een transcriptie van een gesprek tussen de verdachte en [naam] waarin concreet wordt gesproken over de voorgenomen moord op [naam slachtoffer] . Uit die transcriptie volgt dat de verdachte - al dan niet daarnaar gevraagd - informatie verstrekt over de woonsituatie van [naam slachtoffer] , de aanwezigheid van personeel, de locatie van de poort van de oprijlaan, het dorp Esneux waar [naam slachtoffer] woonachtig is, de ligging van de woning van [naam slachtoffer] , de vegetatie van de tuin, de locatie van de garage, de werktijden van [naam slachtoffer] en zijn zoon, de locatie van de politie etc. Bovendien heeft de verdachte het telefoonnummer van [naam slachtoffer] verstrekt. Ook blijkt uit de transcriptie dat de verdachte toezegt om aan [naam] € 1.000,- te betalen als 'het achter de rug is'. Tevens staat vast dat de verdachte€ 2.500, aan [naam] heeft betaald. [naam] stelt dat deze betaling betrekking had op de aanschaf van een vluchtscooter en een vuurwapen. Deze lezing wordt ondersteund door de (transcriptie van het) gesprek tussen de verdachte en [naam] . De verklaring van de verdachte dat hij het geld heeft betaald voor een korte vakantie van [naam] en diens gezin, wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen en acht de rechtbank overigens in het licht van de omstandigheden ongeloofwaardig. De verdachte was, naar eigen zeggen, niet bevriend met [naam] en had het in financieel opzicht bepaald niet ruim. Tot slot blijkt uit de transcriptie dat de verdachte richting [naam] er op wijst dat hij zijn afspraak is nagekomen en dat hij heeft betaald. Het verstrekken van middelen (geld) en informatie kan worden aangemerkt als uitlokkingsmiddelen als bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Opzet De rechtbank is van oordeel dat de verdachte een motief had om [naam slachtoffer] te willen vermoorden. Hij hield [naam slachtoffer] immers verantwoordelijk voor de detentie van zijn vrouw in Ghana en voor het feit dat hij Ghana heeft moeten ontvluchten. Daarnaast blijkt uit de transcriptie dat zijn vrouw binnen enkele maanden vrij zou komen, maar dat de verdachte bang is dat [naam slachtoffer] haar na invrijheidstelling wat zou aandoen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte al dan niet uit zichzelf relevante informatie heeft verstrekt en [naam] heeft betaald voor het aankopen van een vuurwapen en een motorscooter. Ook heeft de verdachte er bij [naam] op aangedrongen dat het snel moest gebeuren en dat hij trefzeker moest zijn. De rechtbank kan dit niet anders begrijpen dan dat de verdachte beoogd heeft [naam] te voorzien van datgene wat (nog) nodig was om [naam slachtoffer] te vermoorden en dat hij hem heeft aangespoord om tot actie over te gaan. Daarmee staat vast dat de verdachte heeft gepoogd [naam] opzettelijk te bewegen tot de moord op [naam slachtoffer] . 4.1.3. Conclusie Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met gebruikmaking van in de wet genoemde uitlokkingsmiddelen getracht heeft [naam] te bewegen tot het vermoorden van [naam slachtoffer] . 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat: hij, verdachte, in de periode van 11 november 2015 tot en met 12 februari 2016 te Rotterdam, heeft gepoogd om een persoon genaamd [naam] , opzettelijk door in artikel 47, eerste lid onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door giften en het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een persoon genaamd [naam slachtoffer] te vermoorden, immers heeft verdachte, toen en daar: geldbedragen in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die [naam slachtoffer] en 2500 euro verstrekt aan die [naam] ten behoeve van de aanschaf van een vuurwapen en een scooter, kennelijk bestemd tot het begaan van de moord en tegen die [naam] gezegd 'Ja, hij moet 100% dood ja, als hij gewond is of wat dan ook" en die [naam] informatie verstrekt over: - de verblijfplaatsen (Maastricht en Esneux) van die [naam slachtoffer] en - de ligging van de woning van die [naam slachtoffer] in Esneux en - de route(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.