← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2019:10924

Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/195938-18 Datum uitspraak: 16 januari 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte], raadsvrouw mr. E.M. van den Oudenaller, advocaat te Dordrecht.

  1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van heden, 16 januari
  2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
  3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E.E. van Veen heeft vrijspraak gevorderd van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
  4. Vrijspraak Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
  5. In beslag genomen voorwerpen De officier van justitie heeft een lijst overgelegd van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Een kopie van die lijst is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Overeenkomstig de vordering van de officier zal ten aanzien van de op die lijst genoemde voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 1.650,- en kleding, een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.
  6. Voorlopige hechtenis Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal met ingang van heden worden opgeheven.
  7. Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
  8. Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; gelast de teruggave aan de verdachte van de voorwerpen, geplaatst op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden. Dit vonnis is gewezen door: mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter, en mrs. D. Visser en F.A. Groeneveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Verduijn, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 januari
  9. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
  10. hij op of omstreeks 2 oktober 2018 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten twee vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, namelijk een pistool van het merk Walther, type P99, kaliber 9mm en/of een pistool van het merk Springfield, type 1911-A1, kaliber .45 en/of munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten negen

(9)bij die Walher behorende kogelpatronen van het kaliber 9mm en/of zeven
(7)bij die Springfield behorende kogelpatronen van het kaliber .45, voorhanden heeft gehad; (art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
  1. hij op of omstreeks 2 oktober 2018 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 722,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
  2. hij op of omstreeks 2 oktober 2018 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 40 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.