Rechtbank Rotterdam Team familie zaaknummers / rekestnummers: C/10/563674 / FA RK 18-9618 en C/10/565304 / FA RK 19-27 Beschikking van 12 juli 2019 betreffende de echtscheiding in de zaak van: [naam vrouw] , de vrouw, wonende te [adres vrouw], advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam, t e g e n [naam man] , de man, wonende te [adres man], advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 04 december 2018; het F9-formulier van de vrouw met bijlage van 7 december 2018; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 3 januari 2019; het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 18 januari 2019; de brief met bijlagen van de man van 16 april 2019; het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 8 april 2019; het F9-formulier met bijlage van de vrouw van 30 april 2019. 1.2. De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 mei 2019. Bij die gelegenheid zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat; de man met zijn advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam 1]. 2. De beoordeling 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd te Barendrecht op 07 mei 2007. 2.2. De minderjarige kinderen van partijen zijn: [naam kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] 2008 te [geboorteplaats kind 1], [naam kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] 2011 te [geboorteplaats kind 2], [naam kind 3], geboren op [geboortedatum kind 3] 2014 te [geboorteplaats kind 3]. 2.3. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.4. Bij voorlopige voorzieningen beschikking van deze rechtbank van 30 november 2018 is bepaald: dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw; dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning; dat de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen voorlopig zal worden bepaald door de casusmanager [naam 2], verbonden aan de William Schrikker Stichting of haar opvolg(st)er; dat de man met ingang van 1 december 2018 aan de vrouw een kinderbijdrage zal verstrekken van € 125,- per maand per kind en zijn de stukken in handen van de raad gesteld met de vraag om advies uit te brengen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling met de minderjarigen. 2.5. Scheiding 2.5.1. De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 2.5.2. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 2.5.3. Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv). 2.5.4. Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Omdat de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen mede in het licht van het raadonderzoek dat op dit moment wordt uitgevoerd, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. 2.5.5. Het verzoek tot echtscheiding wordt, als onweersproken en niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen. 2.6. Verblijfplaats, zorgregeling, kinderbijdrage 2.6.1. Gelet op de beslissingen die in de voorlopige voorzieningen zijn genomen en het raadsonderzoek dat is gelast, zullen de verzoeken van de man en de vrouw ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de zorgregeling met de minderjarigen en de op te leggen kinderbijdrage worden aangehouden in afwachting van het advies van de raad. 2.7. Voortgezet gebruik woning 2.7.1. De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden. 2.7.2. De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt eveneens het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden. 2.7.3. Omdat de verzoeken van partijen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen worden aangehouden in afwachting van het advies van de raad en omdat bij voorlopige voorzieningen beschikking is beslist dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd waardoor zij op dit moment de dagelijkse zorg over de kinderen heeft, zal ten aanzien van het gebruik van de woning de huidige situatie in het belang van de kinderen worden gehandhaafd. Dit houdt in dat de vrouw meer belang heeft bij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning dan de man daarbij heeft. Het verzoek van de vrouw wordt toegewezen en het verzoek van de man wordt afgewezen. 2.8. Verdeling 2.8.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. 2.8.2. De vrouw verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door haar voorgestelde wijze. 2.8.3. De man verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze. 2.8.4. Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). 2.8.5. De rechtbank gaat voor de omvang van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap uit van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 4 december 2018. Met betrekking tot de waarde van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap gaat de rechtbank uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel. 2.8.6. Voor de waarde, en daarmee de omvang, van de (hoogte) banksaldi dient uitgegaan te worden van de peildatum van de omvang, te weten de datum van het indienen van het verzoekschrift. 2.8.7. Volgens partijen dan wel één van hen bestaat de huwelijksgoederengemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen: de echtelijke woning gelegen aan de [adres vrouw]; de inboedelgoederen; het saldo op de rekening met de eindcijfers [nummers 1] op naam van de man; het saldo op de rekening met de nummers [bankrekeningnummer 1] op naam van de vrouw; het saldo op de rekening met de eindcijfers [nummers 2] op naam van partijen; het saldo op de rekening met de nummers [bankrekeningnummer 2] op naam van partijen; de personenauto van het merk Toyota, type Picnic; de personenauto van het merk Hyundai; de caravan. a. + g. + i. de echtelijke woning, de personenauto van het merk Toyota en de caravan 2.8.8. De man stelt primair dat een bedrag van € 384.034,47 (€ 349.034,47 + € 35.000,-) aan hem is verknocht, subsidiair dat een bedrag van € 276.639,24 (€ 241.639,24 + € 35.000,-) aan hem is verknocht en meer subsidiair dat de waarde van de woning, de personenauto van het merk Toyota en de caravan aan hem verknocht zijn waardoor deze goederen buiten de verdeling moeten blijven. De vrouw ontkent dat sprake is van verknochtheid. Zij is van mening dat de man zal hebben te bewijzen dat sprake is van verknochtheid van gelden, dat de gelden gebruikt zijn voor de aankoop van de echtelijke woning, de personenauto van het merk Toyota en de caravan en dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk buiten de verdeling dient te vallen. Volgens de vrouw moeten de echtelijke woning, de personenauto van het merk Toyota en de caravan worden verkocht, onder verrekening van de helft van de waarde. Vraag 1: verknochtheid van de schadevergoeding in geld 2.8.9. Op grond van artikel 1:94 BW bestaat er tussen de echtgenoten op het moment van de huwelijkssluiting van rechtswege een gemeenschap van goederen. Deze hoofdregel lijdt uitzondering ingeval op grond van artikel 1:94 lid 5 BW sprake is van enigerlei bijzondere verknochtheid van een goed aan een van de echtgenoten en die verknochtheid zich er tegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt. Of een goed op bijzondere wijze aan één van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat een goed in de gemeenschap valt, is afhankelijk van de aard van het goed zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (Hoge Raad (hierna: HR) 23 december 1988, NJ 1989/ 700 en HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8843). Wanneer een van de echtgenoten een schadevergoeding ontvangt in verband met de schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet meteen sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 5 BW wanneer die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de nadelige gevolgen van het ongeval die de persoon van de echtgenoot betreffen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat moet worden gesteld op welke schade van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, zodat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre de vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Met andere woorden moet ten aanzien van de verknochtheid van een schadevergoeding onderscheid worden gemaakt tussen de materiële en immateriële schadevergoeding. Materiële schade is namelijk schade die direct in geld is uit te drukken, bijvoorbeeld: beschadiging van eigendommen, toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen, kosten voor het ziekenhuis, huishoudelijke hulp en dergelijke. Een materiële schadevergoeding kan verknocht zijn wanneer blijkt dat (een deel van) deze vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot na ontbinding van de gemeenschap zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (HR 3 november 2006 ECLI:NL:HR2006:AX7805, HR 26 september 2008 ECLI:NL:HR:2008:BF2295, HR 17 oktober 2008 NJ2009/41 en HR 7 december 2012 ECLI:NL:HR2012:BY0957). Immateriële schade is schade veroorzaakt door verdriet, de pijn en het verlies aan levensvreugde na een ongeval, ook wel smartengeld genoemd en wordt als verknocht aangenomen. 2.8.10. Niet in geschil is dat de man op 8 september 1995 een zeer ernstig brommerongeluk heeft gehad waaraan hij zwaar hersenletsel heeft overgehouden. De man heeft een brief van zijn letselschadeadvocaat van 14 september 2006 overgelegd waaruit blijkt dat hem een voorstel is gedaan voor een schadevergoeding van in totaal € 501.984,18 inclusief wettelijke rente. Deze vergoeding is - kort samengevat - in drie categorieën te onderscheiden, te weten: een bedrag van € 117.949,71 voor beschadigde kleding/zaken, ziekenhuisverblijf, reiskosten, verblijf thuis/diversen, kosten woning, huishoudelijke hulp/aanpassingen, ziektekosten, verhuizing, kosten zonder nut, zelfwerkzaamheid, specifieke kosten en vakantie (punten 1 t/m 8, 10, 11, 12, 13 van voornoemde brief); een bedrag van € 35.000,- aan smartengeld en wettelijke rente (punt 14); een bedrag van € 349.034,37 voor het verlies aan arbeidsvermogen (punt 9). Tevens heeft de man een vaststellingsovereenkomst, getekend op 13 oktober 2006 respectievelijk 19 oktober 2006, overgelegd waaruit blijkt dat hij uiteindelijk in totaal een bedrag van € 501.948,18 zal ontvangen van ISB/DEKRA Claims Services Nederland B.V als vergoeding voor door hem geleden materiële en immateriële schade. Zowel uit de door de man overgelegde brief van 14 september 2006 als uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de man op dat moment reeds een voorschot had ontvangen van € 120.000,-. De vrouw heeft ter zitting onweersproken gesteld dat op 27 november 2006 op de gezamenlijke rekening van partijen genoemd onder bestanddeel f. alsnog een bedrag van € 381.984,18 aan schadevergoeding is gestort. Omdat de data van de brief, de vaststellingsovereenkomst en het moment van storting zeer dicht bij elkaar zijn gelegen en de (in de betreffende stukken) genoemde totale bijdrage steeds overeenkomt, staat voor de rechtbank vast dat de door de man ontvangen schadevergoeding bestaat uit de posten zoals uiteengezet in de brief van de letselschadeadvocaat van de man van 14 september 2006. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord in hoeverre de door de man ontvangen schadevergoeding van in totaal € 501.984,18 aan hem is verknocht. 2.8.11. Tussen partijen is niet in geschil dat voornoemd bedrag van € 117.949,71 niet aan de man is verknocht, omdat dit bedrag ziet op de kosten die de man destijds heeft gehad. De man heeft dit bedrag ook niet meegenomen in zijn vordering. Tevens is niet in geschil dat voornoemd bedrag van € 35.000,- verknocht is. Wel in geschil is of de man nu nog aanspraak op dit bedrag kan maken. Dit zal hierna bij vraag 2 verder aan de orde komen. 2.8.12. Uit de overgelegde brief van 14 september 2006 blijkt dat het bedrag van € 349.034,47 ziet op verlies van arbeidsvermogen. De vraag resteert welk gedeelte van deze materiële schadevergoeding de man thans nog toe zou komen wegens verknochtheid. De beantwoording van die vraag hangt af van de samenstelling van de schadevergoeding op het moment van verkrijging, de datum waarop de schadevergoeding is ontvangen en het moment van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. De man gaat er vanuit dat de gehele materiële schadevergoeding van € 349.034,47 aan hem is verknocht dan wel dat een bedrag van € 241.639,24 aan hem is verknocht, uitgaande van 12 jaar huwelijk en de aankomende 27 jaar die de man nog moet overbruggen tot zijn pensioengerechtigde leeftijd (€ 349.034,27 : 39 jaar = € 8.949,60 per jaar x 27 jaar). De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat het bedrag van € 349.034,47 met name gestoeld is op het inkomensverlies dat de man heeft geleden vanwege de lange duur van zijn opleiding. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw dat het bedrag van € 349.034,47 ziet op het verlies dat de man heeft geleden vanwege de lange duur van zijn opleiding, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de brief van 14 september 2006 niet kan worden vastgesteld welk gedeelte van de door de man ontvangen materiële schadevergoeding betrekking heeft op schade die de man na ontbinding van de gemeenschap zal lijden en daardoor als verknocht kan worden aangemerkt. Uit de overgelegde stukken is niet gebleken op welke wijze het verlies aan arbeidsvermogen destijds is berekend en evenmin is vast te stellen op welke periode deze betrekking heeft (bijvoorbeeld enkel ter overbrugging van de opleidingsperiode of ter overbrugging van het verlies van inkomen voor het gehele werkzame leven van de man). Uit de brief van 14 september 2006 blijkt wel dat er berekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.