← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2019:10947

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/242595-18 Datum uitspraak: 6 maart 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire inrichtingen Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman mr. F.C. Knoef, advocaat te ‘s-Gravenhage. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart

  1. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest. Waardering van het bewijs Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
  2. hij in de periode van 25 november 2018 tot en met 27 november 2018 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool (merk/type Beretta Model 70, kaliber 7.65 millimeter) en munitie, in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 7 kogelpatronen (merk/type/kaliber GFL 7.65 millimeter) voorhanden heeft gehad.
  3. hij in de periode van 25 november 2018 tot en met 27 november 2018 te Rotterdam een wapen, als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen, voorhanden heeft gehad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Motivering straf Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft een -voor gebruik gereed- vuurwapen met munitie en een demper voorhanden gehad in een theehuis in Rotterdam. Vuurwapens leveren in de maatschappij een onaanvaardbaar risico op, omdat het bezit van een vuurwapen -met name onder omstandigheden als waarin de verdachte het wapen in bezit had- maar al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Het afvuren van een vuurwapen heeft meestal ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. Alleen al het tonen van een vuurwapen leidt tot grote angst van degenen die ermee geconfronteerd worden. Daarom zijn vuurwapens bij uitstek geschikt om overvallen te plegen of diefstallen met geweld en worden zij in het criminele circuit regelmatig gebruikt voor het plegen van dat soort feiten. Het bezit van dit wapen is dan ook onaanvaardbaar en dient bestraft te worden. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank beschikt niet over een Reclasseringsadvies. Wel bevindt zich in het dossier een eindverslag inzake het toezicht van de voorwaardelijke PIJ maatregel die in januari 2019 werd beeïndigd. Daaruit volgt dat er in die periode geen concrete doelen zijn behaald en dat de verdachte geen actief meewerkende houding heeft laten zien. De verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij alleen Reclasseringstoezicht wenst als men zaken voor hem regelt. Hoewel de rechtbank zich zorgen maakt over de verdachte die op deze jonge leeftijd met een geladen vuurwapen en een geluiddemper op straat rondloopt ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen aanleiding om Reclasseringstoezicht op te leggen. Straf Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Ten aanzien van de strafoplegging heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die voor het bezit van een vuurwapen neerkomen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. In het geval van de verdachte geldt dat hij niet alleen op een voor het publiek toegankelijke plaats een vuurwapen voorhanden had maar dat zich in het vuurwapen ook bijbehorende munitie bevond. Verdachte had ook een op het vuurwapen passende demper bij zich. Verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven met betrekking tot de herkomst van het vuurwapen en de reden dat hij dit bij zich had. De rechtbank ziet daarin aanleiding aan de verdachte een vrijheidsstraf opleggen van na te noemen duur. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. D.C.J. Peeck, voorzitter, en mrs. T.M. Riemens en J.H.J. Verbaan, rechters, in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart
  4. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1 hij in of omstreeks de periode van 25 november 2018 tot en met 27 november 2018 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool (merk/type Beretta Model 70, kaliber 7.65 millimeter) en/of munitie, in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 7 kogelpatronen (merk/type/kaliber GFL 7.65 millimeter) voorhanden heeft gehad; ( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie ) 2 hij in of omstreeks de periode van 25 november 2018 tot en met 27 november 2018 te Rotterdam een wapen, als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen, voorhanden heeft gehad; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; ( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.