RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 7382723 / VZ VERZ 18-24697 uitspraak: 12 februari 2019 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf] , gevestigd te Rotterdam, verzoekster en verweerster, gemachtigde: mr. S.A. Tan, tegen [verweerster en (tegenverzoekster)] , woonplaats: Zoetermeer, verweerster en (tegen)verzoekster, gemachtigde: mr. H.F. Demper. Partijen worden hierna aangeduid als “ [naam bedrijf] ” en “ [verweerster en (tegenverzoekster)] ”. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 29 november 2018, met producties; het verweerschrift, tevens inhoudende zelfstandige tegenverzoeken en nevenvorderingen, ter griffie ontvangen op 28 december 2018, met producties; de door [naam bedrijf] nagezonden producties 22 en 23; het schrijven van [naam bedrijf] van 9 januari 2019; de pleitnotities van [naam bedrijf] , en de pleitnotities van [verweerster en (tegenverzoekster)] . 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden. 1.3 In het verzoekschrift van [naam bedrijf] staat [naam bedrijf] Personeelsdiensten B.V. als verzoekende partij opgenomen. [naam bedrijf] heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht de beschikking op naam van [naam bedrijf] B.V. te stellen. Dat verzoek is vanuit proceseconomisch oogpunt gehonoreerd. 1.4 Partijen hebben na de mondelinge behandeling nog verschillende brieven en faxen aan de kantonrechter gericht. Naar aanleiding daarvan heeft de kantonrechter partijen op 22 januari 2019 bericht dat het procesdebat per die datum werd gesloten. De brieven van partijen die nadien zijn ontvangen maken geen deel uit van het procesdossier. De inhoud daarvan wordt dan ook buiten beschouwing gelaten. 1.5 De datum voor de uitspraak van deze beschikking is bepaald op heden. 2De vaststaande feiten 2.1 [naam bedrijf] levert (tijdelijk) personeel en andere daarmee samenhangende diensten in de sectoren Zorg, Welzijn en Kinderopvang met landelijke dekking. 2.2 In de eerste helft van 2018 ontstond bij [naam bedrijf] de vacature van Sales Director / Chief Sales Officer (CSO). In de vacaturetekst stond dat een voor de functie relevante WO of HBO opleiding onderdeel is vereist. 2.3 De selectie van kandidaten is extern belegd bij selectiebureau Bapas. 2.4 In het curriculum vitae van [verweerster en (tegenverzoekster)] staat bij opleiding het volgende vermeld: 2004 – 2006 Master in Arbeid- en Organisatiekunde 1999 – 2000 Post HBO Tech. Bedrijfskunde (ARBO) 1996 – 1999 HBO SPH 2.5 [verweerster en (tegenverzoekster)] , geboren op 17 februari 1977, is met ingang van 1 juli 2018 bij [naam bedrijf] in dienst getreden in de functie van Chief Sales Officer voor 40 uur per week tegen een maandelijks brutoloon van € 7.466,40 per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. Het betreft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar. 2.6 Op de arbeidsovereenkomst is de ABU-CAO Vaste Medewerkers van Uitzendondernemingen van toepassing. 2.7 Op 5 november 2018 vond een gesprek tussen [verweerster en (tegenverzoekster)] enerzijds en [naam 1] , directeur, en [naam 2] , financieel directeur, namens [naam bedrijf] plaats. 2.8 [naam bedrijf] heeft [verweerster en (tegenverzoekster)] op 5 november 2018 op non-actief gezet. 3Het verzoek van [naam bedrijf] 3.1 verzoekt: I. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens: primair verwijtbaar handelen en/of nalaten van [verweerster en (tegenverzoekster)] , zodanig dat van [naam bedrijf] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren, zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder a BW juncto artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW; subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [naam bedrijf] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder a BW juncto artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW; II. om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op een zo vroeg mogelijke datum en geen rekening te houden met de voor werkgever geldende opzegtermijn; III. een en ander uitvoerbaar te verklaren; IV. [verweerster en (tegenverzoekster)] te veroordelen in de kosten. [naam bedrijf] wenst haar verzoek aan te vullen in die zin dat voor het geval aan [verweerster en (tegenverzoekster)] een vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 9 sub a BW wordt toegekend, [naam bedrijf] verzoekt om [verweerster en (tegenverzoekster)] te veroordelen tot betaling van een even hoge vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 9 sub c BW. 3.2 Aan haar verzoek legt [naam bedrijf] ten grondslag dat [verweerster en (tegenverzoekster)] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door willens en wetens een onjuist beeld te schetsen van de voor haar functie relevante achtergrond en de mogelijkheden die zij had om het door haar opgeroepen onjuiste inzicht te corrigeren onbenut heeft gelaten. Bovendien heeft zij, na een verzoek om uitleg door [naam bedrijf] , een zeer defensieve houding aangenomen en de bal bij [naam bedrijf] zelf gelegd, waardoor het vertrouwen in haar nog verder is gedaald. Dit is haar ernstig aan te rekenen. 3.3 Op hetgeen [naam bedrijf] verder ter onderbouwing van haar verzoek aanvoert, wordt hierna - indien van belang voor de beoordeling - ingegaan. 3.4 [verweerster en (tegenverzoekster)] voert verweer. primair [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om [naam bedrijf] in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om [naam bedrijf] te veroordelen in de werkelijke kosten voor de juridische bijstand tot een bedrag van € 7.000,00 exclusief btw en daarbij te bepalen dat betaling hiervan plaatsvindt binnen 30 dagen na de in deze procedure te geven beschikking; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; subsidiair Indien de kantonrechter toch aanleiding mocht zien om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, alsdan te verklaren voor recht, dat die ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van werkgever en de werkgever als gevolg daarvan geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om [naam bedrijf] te veroordelen tot betaling van de maximale vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 9 sub a BW wegens het ontbreken van een tussentijds opzegbeding, bij een beëindiging per 1 februari 2019, derhalve 5 x € 8.063,71 zijnde € 40.318,55 bruto; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om [naam bedrijf] te veroordelen om het dienstverband met [verweerster en (tegenverzoekster)] verder op een normale wijze af te wikkelen en om bij de bepaling van de eindafrekening het volledige saldo opgebouwde, niet genoten vakantiedagen uit te betalen aan [verweerster en (tegenverzoekster)] ; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om [naam bedrijf] te veroordelen om aan [verweerster en (tegenverzoekster)] per de ontbindingsdatum te voldoen de contractueel overeengekomen variabele beloning van € 22.399,20 bruto; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om [naam bedrijf] te veroordelen om per de ontbindingsdatum te voldoen een billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto, althans een ander bedrag, rekening houdend met de verzoeken onder g en/of j; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om [naam bedrijf] te veroordelen om per de ontbindingsdatum aan [verweerster en (tegenverzoekster)] te voldoen een vergoeding van € 5.000,00 netto uit hoofde van immateriële schade; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om [naam bedrijf] te veroordelen in de kosten voor juridische bijstand tot een bedrag van € 7.000,00 exclusief btw en daarbij te bepalen dat betaling hiervan plaatsvindt binnen 30 dagen na de in deze procedure te geven beschikking; [verweerster en (tegenverzoekster)] verzoekt de kantonrechter om de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4De (tegen)verzoeken van [verweerster en (tegenverzoekster)] 4.1 verzoekt: de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden tegen 1 februari 2019; te verklaren voor recht, dat die ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van werkgever en werkgever als gevolg daarvan geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding; [naam bedrijf] te veroordelen tot betaling van de maximale vergoeding op grond van artikel 7:671c lid 3 sub a BW wegens het ontbreken van een tussentijdsopzegbeding, bij ontbinding per 1 februari 2019 derhalve 5 x € 8.063,71 zijnde € 40.318,55 bruto; [naam bedrijf] te veroordelen het dienstverband met [verweerster en (tegenverzoekster)] verder op een normale wijze af te wikkelen en om bij de bepaling van de eindafrekening het volledige saldo opgebouwde, niet genoten vakantiedagen uit te betalen aan [verweerster en (tegenverzoekster)] ; [naam bedrijf] te veroordelen om aan [verweerster en (tegenverzoekster)] per de ontbindingsdatum te voldoen de contractueel overeengekomen variabele beloning van € 22.399,20 bruto; [naam bedrijf] te veroordelen om per de ontbindingsdatum te voldoen een billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto, althans een ander bedrag, rekening houdend met de verzoeken onder p en/of s; [naam bedrijf] te veroordelen om per de ontbindingsdatum aan [verweerster en (tegenverzoekster)] te voldoen een vergoeding van € 5.000,00 netto uit hoofde van immateriële schade; [naam bedrijf] te veroordelen in de kosten voor juridische bijstand tot een bedrag van € 7.000,00 exclusief btw en daarbij te bepalen dat betaling hiervan plaatsvindt binnen 30 dagen na de in deze procedure te geven beschikking; om de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4.2 Op hetgeen [verweerster en (tegenverzoekster)] ter onderbouwing van haar verzoeken aanvoert wordt hierna - indien van belang voor de beoordeling - ingegaan. 4.3 [naam bedrijf] heeft verweer gevoerd tegen de tegenverzoeken. 5De beoordeling van het verzoek van [naam bedrijf] 5.1 De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. [naam bedrijf] voert primair aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het verwijtbaar handelen van [verweerster en (tegenverzoekster)] bedoeld onder ‘e’ van voornoemd artikellid, zodanig dat van haar niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [naam bedrijf] beschuldigt [verweerster en (tegenverzoekster)] ervan dat zij heeft gelogen over de door haar genoten opleiding(en). In de woorden van [naam bedrijf] : ‘ [verweerster en (tegenverzoekster)] had niet op haar CV mogen zetten dat zij de Master organisatiekunde heeft gedaan. De door haar gevolgde opleiding kwalificeert niet als master, noch academisch, noch hbo.’ 5.2 [verweerster en (tegenverzoekster)] betwist dat zij heeft gelogen over de door haar genoten opleiding(en). Met betrekking tot de opleiding Arbeid- en Organisatiekunde heeft [naam bedrijf] ter onderbouwing van haar stelling een e-mailbericht in het geding gebracht van een medewerkster van de Haagse Hoge School. Die verklaart dat het diploma van [verweerster en (tegenverzoekster)] ziet op een post HBO opleiding. Dat is niet in strijd met het door [verweerster en (tegenverzoekster)] in deze procedure ingenomen standpunt dat het diploma ziet op de door haar aan de Haagse Hogeschool genoten opleiding die destijds werd aangeduid als ‘Master Arbeids- en Organisatiekunde’. De door [verweerster en (tegenverzoekster)] in het geding gebrachte e-mails van twee coördinatoren van de betreffende opleiding (destijds) onderschrijven haar standpunt eveneens. Datzelfde geldt voor de door [verweerster en (tegenverzoekster)] in het geding gebrachte jaarverslagen van 2005 en 2006 van de Haagse Hogeschool. Daarin staan de aldaar destijds te volgen masteropleidingen vermeld. Op regel 2 staat in beide verslagen de studie Master in Arbeids- en Organisatiekunde. Ook heeft [verweerster en (tegenverzoekster)] ter onderbouwing van haar stelling een brief van de Nederlands-Vlaamse accreditatie organisatie aan het College van Bestuur van de Haagse Hogeschool van 22 juli 2014 in het geding gebracht. Onder punt 4, Besluit, daarvan is onder andere het volgende opgenomen: ‘De NVAO i.o. besluit de aanvraag Toets nieuwe opleiding van de Haagse Hogeschool voor de opleiding Arbeids- en Organisatiekunde positief te beoordelen. Ingevolge het bepaalde in 7.10a, 2e en 4e lid van de WHW is de graad Master in Arbeids- en Organisatiekunde.’ 5.3 Op basis van het voorgaande staat vast dat de door [verweerster en (tegenverzoekster)] op haar CV vermelde opleiding Master Arbeid- en Organisatiekunde in ieder geval in de periode 2004-2006 werd aangeboden door de Haagse Hogeschool. Op het diploma van [verweerster en (tegenverzoekster)] van 14 juli 2006 staat de opleiding tot Arbeids- en Organisatiedeskundige vermeld. [naam bedrijf] betwist dat dit getuigschrift betrekking heeft op de opleiding Master Arbeids- en Organisatiekunde. Uit een folder uit 2009 over deze opleiding blijkt echter na nadere bestudering dat beide aanduidingen wel degelijk zien op dezelfde studie. In die folder staat: ‘Master Arbeids- en Organisatiekunde (MAO) geeft je als A&O-deskundige of - coördinator verdere verdieping in sociaal-wetenschappelijke vraagstukken rond arbeid.’ Daaruit volgt dat je je na het volgen van de studie Master Arbeids- en Organisatiekunde een Arbeids- en Organisatie-deskundige of -coördinator mag noemen. De folder dateert weliswaar uit 2009, maar door [naam bedrijf] is niet gesteld noch is gebleken dat de folder geen betrekking heeft op dezelfde opleiding in de periode 2004-2006. Door [verweerster en (tegenverzoekster)] is op haar beurt wel gesteld dat de folders uit 2004 en uit 2009 identiek zijn. Overigens is door [naam bedrijf] ook niet gesteld op welke opleiding het getuigschrift van [verweerster en (tegenverzoekster)] dan wel betrekking zou hebben. Evenmin is gesteld of gebleken dat er in 2006 bij de Haagse Hogeschool een separate, andere dan de Master Arbeids- en Organisatiekunde, opleiding werd aangeboden tot Arbeids- en Organisatie-deskundige of -coördinator. 5.4 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [verweerster en (tegenverzoekster)] op goede gronden de Master Arbeid- en Organisatiekunde op haar CV heeft geplaatst. Daarvan kan haar dan ook uiteraard geen verwijt worden gemaakt. 5.5 Daarnaast staat op het CV van [verweerster en (tegenverzoekster)] dat zij in de periode 1999-2000 een diploma heeft behaald van de opleiding ‘Post HBO Tech. Bedrijfskunde (ARBO)’. Voor zover [naam bedrijf] heeft bedoeld om ook de juistheid van die vermelding in twijfel te trekken, heeft te gelden dat uit de door [verweerster en (tegenverzoekster)] in het geding gebrachte stukken voldoende duidelijk blijkt dat zij die opleiding daadwerkelijk heeft gevolgd aan de Technische Hogeschool Rijswijk en met succes heeft afgerond. Dat [naam bedrijf] uit de mededeling van [verweerster en (tegenverzoekster)] dat zij Technische Bedrijfskunde heeft gestudeerd heeft opgemaakt dat [verweerster en (tegenverzoekster)] aan de universiteit heeft gestudeerd, komt voor risico van [naam bedrijf] . 5.6 Verder wijst [naam bedrijf] erop dat er op het CV van [verweerster en (tegenverzoekster)] staat dat zij zakelijk actief is met een eenmanszaak [naam eenmanszaak] . Op die website staat op dat moment, en dat wordt door [verweerster en (tegenverzoekster)] ook niet betwist, dat het een academisch geschoold consultancy bureau is. Volgens [naam bedrijf] heeft [verweerster en (tegenverzoekster)] daarmee aangegeven dat zij aan een universiteit heeft gestudeerd. Letterlijk heeft ‘academisch’ echter ook een bredere betekenis in de zin van: ‘als iets verband houdt met de academie of universiteit’. Gelet op het samenwerkingsverband van de Haagse Hogeschool met de Universiteit van Amsterdam in het kader van de opleiding Arbeids- en Organisatiekunde is het gebruik van het woord academisch in die context niet bezijden de waarheid. [naam bedrijf] had uit het gebruik van dat (enkele) woord niet de conclusie mogen trekken dat [verweerster en (tegenverzoekster)] aan een universiteit heeft gestudeerd. Dat zij dat - kennelijk - wel heeft gedaan komt voor haar eigen risico. Die conclusie is evenmin te rechtvaardigen op basis van de omstandigheid dat [verweerster en (tegenverzoekster)] inmiddels het woord ‘academisch’ van haar website heeft verwijderd. 5.7 Het liegen over de haar genoten opleiding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.