Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht zaaknummer: ROT 18/2380 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2019 als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [verzoekster] en [verzoeker] , te [woonplaats verzoekers] , verzoekers, gemachtigde: mr. G.E. van der Pols, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. J.M. Tang. Procesverloop Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 19 november 2018 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen voor zover daarbij het primaire besluit 1 is gehandhaafd en het primaire besluit 1 zal herroepen. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank daarnaast overwogen dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het primaire besluit 2 is gehandhaafd, in strijd is met artikel 11 van de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ en heeft zij verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Bij besluit van 23 november 2018 heeft verweerder het primaire besluit 1 ingetrokken. Bij afzonderlijk besluit van 23 november 2018 heeft verweerder het primaire besluit 2 ingetrokken en in plaats daarvan een maatregel van 30% opgelegd gedurende één maand. Bij brief van 4 januari 2019 heeft de rechtbank verzoekers gevraagd of zij het eens zijn met de nieuwe besluiten van verweerder. Op 21 januari 2019 hebben verzoekers hun beroep ingetrokken en daarbij verzocht verweerder op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten die verzoekers in beroep hebben gemaakt. Op 25 januari 2019 heeft verweerder per fax verklaard dat hij zich wat betreft het verzoek om een proceskostenveroordeling refereert aan het oordeel van de rechtbank. Overwegingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.