RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Dordrecht Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 16/8202 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2019 in de zaak tussen [eiseres] gemachtigde: G. Gieben, en de directeur van de Gemeentebelastingen Drechtsteden, verweerder, gemachtigde: mr. L.E. Souljé. en de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Staat). Procesverloop Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 31 januari 2016, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres 1] te Sliedrecht (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2016 vastgesteld op € 52.600.000,-. Tegelijk met deze beschikking heeft verweerder eiseres voor het belastingjaar 2016 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) eigenaar en een aanslag OZB gebruiker opgelegd. De grondslag van de aanslag OZB gebruiker is vastgesteld op € 9.468.000,-. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 10 november 2016 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 23 mei 2017 is de zaak ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Eiseres is verschenen bij mr. L.H.G.M. Driessen, vergezeld door haar taxateur E.M.J. Brandsen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld door zijn taxateur P. Baas. De zaak is ter zitting geschorst om partijen met elkaar in overleg te laten treden. Hierna zijn over en weer stukken uitgewisseld. Op 31 januari 2019 is de zaak ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Eiseres is verschenen bij A. Noij. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld door zijn taxateur P. Baas. Overwegingen Woning in de zin van artikel 220a Gemeentewet 1. Eiseres is eigenaar en gebruiker van het woon-/zorgcomplex [naam], gelegen aan de [adres 1] te Sliedrecht. Het zorgcomplex, dat door verweerder terecht is aangemerkt als één object in de zin van de Wet WOZ, heeft een totaal perceelsoppervlakte van 213.079 m², waarop onder andere dagbestedingsruimten en woonpaviljoens zijn gelegen. 2. Nadat deze zaak ter zitting van 23 mei 2017 is geschorst, zijn partijen met elkaar in overleg getreden en hebben zij onderling informatie uitgewisseld. Dit heeft ertoe geleid dat partijen zijn overeengekomen dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil is. Evenmin is de toepassing van artikel 220e van de Gemeentewet en daarmee de grondslag voor de aanslag OZB gebruiker in geschil, zoals ook ter zitting door partijen is bevestigd. In geschil is nog of de aanslag OZB eigenaar naar het juiste tarief (niet-woning) is opgelegd en of de aanslag gebruiker OZB terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of de onroerende zaak moet worden aangemerkt als een woning (standpunt eiseres) of een niet-woning (standpunt verweerder) zoals bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet. Doorslaggevend is in dit verband het antwoord op de vraag of 70 % of meer van het oppervlakte van de onroerende zaak dient tot woning dan wel volledig dienstbaar is aan woondoeleinden. 3. Partijen hebben het resterende geschilpunt, zoals hiervoor omschreven, nog verder ingeperkt. Tussen hen is enkel nog in geschil of de zogenaamde woonpaviljoens van de onroerende zaak zijn aan te merken als woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet of niet. Hierbij zijn partijen het erover eens dat de woonpaviljoens [adres 2] en [adres 3] maatgevend zijn voor alle woonpaviljoens op het complex. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat [adres 2] en [adres 3] zijn aan te merken als woning, dan zal dit gelden voor alle woonpaviljoens van de onroerende zaak. Verder geldt dat, indien de woonpaviljoens zouden zijn aan te merken als woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet, de waarde van de onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Partijen hebben beide dezelfde plattegronden overgelegd van [adres 2] en [adres 3] waarop zij ieder voor zich hebben aangegeven welke gedeelten van deze woonpaviljoens volgens hen als woning zijn aan te merken. De oppervlakten en indeling van [adres 2] en [adres 3] zijn daarbij niet in geschil. 4. Omdat het gaat om de vaststelling van een belastingaanslag rust op verweerder de bewijslast dat de grondslag waarnaar de belasting is geheven en het tarief van de belasting juist zijn. Dit betekent voor deze zaak dat verweerder aannemelijk moet maken dat de woonpaviljoens [adres 2] en [adres 3] niet zijn aan te merken als woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet. 5. Voor de beantwoording van de vraag of [adres 2] en [adres 3] in hoofdzaak dienen tot woning als bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet, komt het erop aan of de onderdelen daarvan die in ogenschouw worden genomen tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Uit de rechtspraak volgt dat die term niet voor tweeërlei uitleg vatbaar; volledig wil zeggen: voor 100 procent (vergelijk uitspraak hof Arnhem-Leeuwarden 6 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9738). 6. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden die uit het dossier of ter zitting zijn gebleken. 6.1 Het woonpaviljoen [adres 2] bestaat uit één verdieping (de begane grond) waar zich de zit-/slaapkamers van de bewoners bevinden en verder twee gezamenlijke woon-kamers en twee gezamenlijke badkamers, twee gangen, een berging en een logeerkamer. Het woonpaviljoen [adres 3] heeft drie verdiepingen. Op de begane grond bevinden zich twee slaapkamers, een gezamenlijke keuken, woonkamer en badkamer. Verder is er een gang, een trap en een kantoor. Op de eerste verdieping bevinden zich vijf slaapkamers, een gezamenlijke woonkamer, badkamer, toilet en een berging. Op de tweede verdieping bevinden zich nog twee bergingen. De zit-/slaapkamers respectievelijk de slaapkamers zijn afsluitbaar en de bewoners hebben een sleutel. Het personeel kan in geval van nood ook met een sleutel de kamers binnenkomen. 6.2 In het woon-/zorgcomplex – en dus ook in de deelobjecten [adres 2] en [adres 3] – wonen mensen met een ernstige (veelal verstandelijke) beperking. De bewoners van het zorgcomplex verblijven daar duurzaam en zijn in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van het woon-/zorgcomplex. De bewoners hebben een zorgzwaartepakket tot en met de zwaarste categorie 8. Tevens zijn er bewoners met het syndroom van Down en bewoners die zich in het laatste stadium van dementie bevinden. De bewoners zijn gedeeltelijk of volledig zorgafhankelijk en kunnen niet zonder permanente zorg in hun omgeving wonen. Zij hebben dagelijks hulp, verpleging en verzorging nodig. Die verzorging en verpleging vindt buiten de zit-/slaapkamers respectievelijk slaapkamers van de bewoners plaats, in de overige ruimten, tenzij een bewoner ziek is en daarom niet uit bed kan. De bewoners kunnen niet zonder toezicht van het verzorgend/verplegend personeel buiten hun eigen kamers verblijven. In de overige ruimten wordt therapie of behandeling gegeven in de vorm van een volledig dagprogramma. Zo wordt er in de gemeenschappelijke keukens (onder toezicht) gekookt. Ook in de gezamenlijke badkamers en toiletten worden de bewoners begeleid. 7. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat buiten de eigen slaapkamers van de bewoners sprake is van ‘mix-ruimten’, in die zin dat de bewoners daar overdag verblijven en dat daar zorg en verpleging wordt verleend. Deze ruimten zijn daarom niet 100 % dienstbaar aan woondoeleinden en dus niet als woning aan te merken. Dat de zit-/slaapkamers respectievelijk slaapkamers geen eigen keuken, badkamer en toilet hebben, waar eiseres op wijst, betekent niet dat de gezamenlijke keukens, badkamers en toiletten daarom als woning moeten worden aangemerkt. Ook in deze gezamenlijke ruimten vindt namelijk verzorging, verpleging en begeleiding plaats. Omdat de gangen meer dan incidenteel door het verzorgend personeel worden gebruikt, zijn die ook niet als woning aan te merken. In welke mate in een bepaalde ruimte zorg plaatsvindt is, anders dan eiseres betoogt, van belang bij de vaststelling of sprake is van een woning in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet. In het arrest van 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3270, sluit de Hoge Raad aan bij het gebruik van gezamenlijke ruimten (rechtsoverweging 3.5.2), wat hij ook doet in het arrest van 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1326 (rechtsoverweging 3.2.1). De vergelijking van eiseres met een situatie waarin thuis thuiszorg wordt verleend gaat mank, omdat in die situatie de regie bij de bewoner ligt. Degene aan wie thuiszorg wordt verleend, bepaalt (wanneer
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.