Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/750303-18 Datum uitspraak: 11 april 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, raadsman M.R. de Kok, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 maart 2019. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. F.B.W. Groendijk heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Inleiding Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 17 juli 2018 rond twee uur ’s nachts zien agenten die een grenscontrole uitoefenen, op het bedrijfsterrein van [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ) meerdere personen wegrennen. Zij zien dat deze personen sporttassen aan hun schouder hebben hangen. Vervolgens zien zij dat deze personen tijdens het rennen drie sporttassen op de grond laten vallen en richting het Yangtzekanaal rennen. Het terrein wordt afgesloten en bevroren. Een visser maakt ondertussen via de marifoon melding dat hij drie mensen over het hek van het terrein van [naam bedrijf] ziet klimmen en dat die richting de glooiing langs het water lopen. Een politiehelikopter wordt ingezet. Vanuit de lucht wordt gezien dat er twee personen op de glooiing liggen. Dit blijken de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] te zijn. Zij worden rond 03.00 uur aangehouden.Behalve de drie achtergelaten tassen worden (tussen een loods en een stack containers) nog vier soortgelijke sporttassen en een betonschaar gevonden. De container met nummer [containernummer] wordt aangetroffen met een deur die niet goed is afgesloten en verzegeld en in de container wordt een hangslotje aangetroffen dat vergelijkbaar is met de slotjes op de sporttassen. Deze container kwam uit Curaçao en is via Aruba en Bilbao op 16 juli 2018 gearriveerd in Rotterdam. Op de auto in de container worden sleepsporen gezien die veroorzaakt kunnen zijn door de tassen. Er worden 185 pakketten in de tassen aangetroffen met in totaal 186 kilogram cocaïne. Na sporenonderzoek op de hengsels van de gevonden sporttassen blijkt op enkele tashengsels DNA van de medeverdachte [naam medeverdachte] te zitten. 4.1.2. Standpunt verdediging De verdachte heeft ter zitting verklaard, dat hij – om een schuld in te lossen – met een aantal niet bij naam genoemde anderen naar het haventerrein is gegaan om daar te helpen met (zo was hem verteld) koperdiefstal. Hij is naar eigen zeggen niet op het haventerrein geweest, maar hij heeft wel een tas aangegeven waarin een betonschaar zat die nodig was om koper te stelen. Dit laatste verklaart waarom zijn DNA is aangetroffen op de hengsels van een tas. De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat het alternatieve scenario dat de verdachte heeft geschetst, past bij de bewijsmiddelen en onvoldoende wordt weerlegd door het dossier. Daarnaast zijn de gegeven signalementen van de personen die op het terrein zijn gezien, te algemeen. De herkenning door de politie is gezien dit algemene signalement en omdat het donker was, niet betrouwbaar. De verdediging betwist dat de verdachte op het terrein is geweest. Wat hij wel heeft gedaan ziet niet op de (verlengde) invoer van cocaïne. Hij bleef buiten het terrein staan wachten en is ook buiten het terrein aangehouden. 4.1.3. Beoordeling De verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zijn aangehouden vlakbij het terrein van [naam bedrijf] , op een strook grond waar de politie twee mannen naar toe heeft zien vluchten en ook vlakbij de plek waar de visser drie mannen over het hek heeft zien gaan. De verdachte is door de politie op basis van het signalement herkend als één van de personen die eerder op het terrein aanwezig waren. De signalementen op grond waarvan de verdachten zijn aangehouden, zijn – mede omdat op dat tijdstip weinig mensen op het terrein aanwezig waren - voldoende specifiek om herkenning mogelijk te maken. De verdachte voldeed volledig aan het signalement van één van de mannen op het terrein, de medeverdachte [naam medeverdachte] voldeed in ieder geval wat één opvallend detail betreft (een lichtgrijze joggingbroek) aan het signalement van de andere man die op het terrein was gezien. Dat de ‘hoodie’ die de medeverdachte [naam medeverdachte] droeg – anders dan de verbalisanten hebben vermeld – niet volledig donker was maar deels grijs, is in dit verband niet doorslaggevend. De rechtbank vindt hierbij nog van belang dat de strook grond waarop de verdachten zich bij hun aanhouding bevonden, is gelegen tussen het terrein van [naam bedrijf] en het water. Daar bevinden zich in het holst van de nacht normaal gesproken geen mensen. Ook zat er betrekkelijk weinig tijd (ongeveer een uur) tussen het moment waarop de verdachten zijn aangehouden en het moment waarop de politie de mannen voor het eerst op het terrein zag lopen. De rechtbank ziet dan ook, mede gezien de zojuist genoemde omstandigheden, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning. De rechtbank vindt het alternatieve scenario dat de verdachte naar voren heeft gebracht, ongeloofwaardig. Ten eerste gaat de rechtbank er gelet op het bovenstaande van uit dat de verdachte, anders dan hij zelf heeft verklaard, wel degelijk op het haventerrein is geweest en daar met een tas heeft gesjouwd waar later cocaïne in bleek te zitten. Bovendien was die sporttas, waarop ook het DNA van de verdachte is aangetroffen, afgesloten met een slotje. In de container waar de andere soortgelijke, ook met cocaïne gevulde tassen uit moeten zijn gekomen, is een soortgelijk slotje gevonden. Daar komt nog bij dat de verdachte pas ter zitting met deze verklaring komt, zonder namen te noemen van anderen die bij de gestelde koperdiefstal betrokken zouden zijn geweest. Er zijn ook verder geen aanknopingspunten in het dossier die dit scenario ondersteunen. Kort samengevat gaat de rechtbank er van uit dat de verdachte één van de mannen was die op het terrein is gezien door de politie en dat hij daar een sporttas met cocaïne droeg. 4.1.4. Conclusie Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen bezig was om cocaïne uit de container met nummer [containernummer] te halen. Deze container was een dag eerder aangekomen uit Curaçao. Het gaat dus om verlengde invoer, waarbij de mannen door het uithalen van de cocaïne deze invoer hebben voltooid. Uit de hiervoor onder 4.2.1 beschreven handelingen blijkt verder dat de verdachte en de anderen voorafgaande afspraken moeten hebben gemaakt en taken moeten hebben verdeeld, met onderling uitwisselbare en dus even belangrijke bijdragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er tussen de verdachte en die anderen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking om 186 kilogram cocaïne uit de genoemde container te halen en verder Nederland in te vervoeren. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 17 juli 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 186 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 2. hij op 17 juli 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 186 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - zich
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.