2. het juridisch eigendom van alle aandelen die [eiser] houdt in Biotempt B.V. (…) [eiser] kan aanspraak maken op de huidige royalty regeling (hierna ook "Uitvinderbeloning") van Erasmus MC. De royalty regeling zal van toepassing zijn op alle patenten waar [eiser] als uitvinder is genoemd. Van de 20% uitvinderbeloning zal [eiser] . respectievelijk zijn erfgenamen, recht hebben op 18% zonder dat de te betalen royalties gemaximeerd worden. De resterende 2% is voor overige uitvinders. Indien [naam 2] werknemer wordt van het Erasmus MC en ervoor kiest om gebruik te maken van de royalty regeling zal [eiser] zijn Uitvinderbeloning delen met [naam 2] (dus [eiser] 9%, [naam 2] 9%, overige uitvinders 2%). Indien een nieuwe wettelijke richtlijn ten aanzien van Uitvinderbeloning van kracht wordt, zal deze van toepassing zijn op de Uitvinderbeloning zoals hiervoor beschreven. Direct na ondertekening van deze termsheet committeren [eiser] en het Erasmus MC zich tot het realiseren van gezamenlijke doelstellingen zoals in algemene zin geformuleerd in Annex A. (…) Appendix A: Gemeenschappelijke doelstellingen Gemeenschappelijke doelstellingen: Substantiële verhoging en vereenvoudiging van royalty, inclusief afdoende beschermende maatregelen (…) Definitieve ontbinding van de relatie [eiser] / [naam 2] met Biotempt/EBI Ant Sepsis o Volledige handelingsvrijheid [eiser] / [naam 2] . o Geen claim op kennis [eiser] / [naam 2] door derden (…) o Geen eisen aan de inhoudelijke en/
actieve betrokkenheid van [eiser] / [naam 2] , met uitzondering van endorsement ten behoeve van IPO (…)” 2.9 In december 2007 heeft Erasmus MC, mede namens prof. [eiser] , geprobeerd om met Biotempt tot een oplossing te komen in het ontstane conflict. Erasmus MC en Biotempt hebben in dat kader een conceptovereenkomst opgesteld die onder meer inhield dat prof. [eiser] en [naam 2] betrokken bleven bij het onderzoek. Nadat prof. [eiser] en [naam 2] daartoe niet bereid bleken, heeft Erasmus MC van het aangaan van de overeenkomst afgezien. 2.10 In 2013 heeft Erasmus MC een schikking getroffen met Biotempt, EBI en een aantal overige betrokken partijen, onder wie [naam 2] . Daarbij heeft Erasmus MC afstand gedaan van haar aanspraak op royalty’s. Onderzoek Commissie Ad Hoc 2.11 In april 2011 heeft Erasmus MC besloten een onderzoek te starten naar - kort gezegd - het door [eiser] als hoofd van de afdeling [naam 1] gevoerde beleid. In een brief van 20 april 2011 waarin Erasmus MC het onderzoek aan prof. [eiser] bevestigt staat, voor zover van belang, het volgende: “De conclusie van de Raad van Bestuur is dat op basis van de ontvangen informatie een nader onderzoek naar het door u gevoerde beleid noodzakelijk is. We gaan dit doen via een onderzoekscommissie Ad Hoc die als hoofdvraag krijgt: "Is er op basis van de beschikbare en mogelijk nog te ontvangen informatie reden voor een vervolgonderzoek volgens de voorschriften van de Integriteitcommissie. Specifiek wordt aandacht gevraagd voor aspecten als wetenschappelijk beleid, financieel beleid en communicatie". Reden voor dit onderzoek is de melding van een medewerker van de afdeling op basis waarvan er aanleiding is om te twijfelen aan de validiteit van de onderzoeksresultaten c.q. risico’s voor wat betreft de duurzaamheid van de activiteiten van de afdeling.” 2.12 Hangende het onderzoek zijn de taken van prof. [eiser] als afdelingshoofd overgenomen door plaatsvervangend afdelingshoofd, prof. [naam 3] . Bij brief van 4 juli 2011 heeft Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven dat de Commissie Ad Hoc haar conceptrapportage gereed had en dat het onderzoek kon worden afgerond. Op grond van een brief van een aantal medewerkers heeft Erasmus MC echter besloten het onderzoek voort te zetten en uit te breiden. In de brief staat – voor zover thans van belang – het volgende: “Hierbij willen wij onze grote bezorgdheid uitspreken over de voortdurende management crisis binnen de afdeling [naam 1] en de toekomst van de immuno-diagnostische patiëntenzorg en het immunologisch translationele onderzoek binnen het Erasmus MC. De verstoorde interactie tussen het afdelingshoofd en een deel van de afdelingsleiding duurt nu reeds geruime tijd voort. In toenemende mate merkt een meerderheid van de leidinggevenden van de afdeling [naam 1] dat dit de uitvoering van het kortere en langere termijn beleid verstoort dan wel ernstig vertraagt. Hiermee wordt afbreuk gedaan aan de kwaliteit van onze diagnostiek en translationeel onderzoek. (…) De huidige management crisis zal kunnen leiden tot vertrek van een
meerdere dragers van het laboratorium, waardoor Erasmus MC doelstellingen rondom de (immunologische) patiëntenzorg en het translationele onderzoek in gevaar komen.” 2.13 Bij brief van 2 augustus 2011 heeft Erasmus MC het volgende aan prof. [eiser] geschreven: “(…) Inmiddels deed zich een nieuw feit voor in de vorm van een brief van leidinggevenden van de afdeling [naam 1] waarin zij hun grote bezorgdheid uitspraken over de ontstane situatie op de afdeling (managementcrises en risico vertrek van jong talent). Die brief hebben we met het plaatsvervangend afdelingshoofd besproken (in jouw vakantie) wat leidde tot de slotsom dat een actie vanuit de Raad van Bestuur noodzakelijk was/is. (…) Dit voorgenomen besluit van de Raad van Bestuur luidt als volgt: Op basis van onze verantwoordelijkheid een gedegen onderzoek te verrichten naar de onderlinge verwijten en persoonlijke verantwoordelijkheden en de spanningen in de afdeling [naam 1] te reduceren, hebben we (met grote tegenzin) besloten om je buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging (art. 7.3.9.) te verlenen. In die verlofperiode ontzeggen we je de toegang tot het Erasmus MC / de afdeling [naam 1] . Dit om te voorkomen dat er verdere onrust ontstaat binnen de afdeling. Op basis van medische redenen
op uitnodiging van de Raad van Bestuur mag je het Erasmus MC betreden. Hierbij dragen we je op je taken als afdelingshoofd over te dragen aan het waarnemend afdelingshoofd [naam 3] . (…)” 2.14 Op 18 mei 2012 heeft de Commissie Ad Hoc haar rapport afgerond. In het rapport staat – voor zover thans van belang – het volgende. “ (…) Conclusies
andere afdelingsgelden.
drie te duren. Juist de (te lange duur van het onderzoek heeft bijgedragen aan de situatie waarin Prof. [eiser] inmiddels meer dan een jaar op non-actief staat als afdelingshoofd. De onduidelijkheid die daardoor is opgeroepen en die zeker binnen de afdeling [naam 1] nog steeds bestaat, heeft de schade voor Prof. [eiser] onherstelbaar gemaakt. (…)” IV. Op 20 december 2012 heeft [naam 7] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven: “(…) Voor Prof. [eiser] spelen twee punten met name een rol. Voor hem is eerherstel van grote betekenis. Dat zou een financiële vorm kunnen krijgen, maar daarom is het Prof. [eiser] zeker niet in de eerste plaats te doen. Redelijk zou zijn dat dat eerherstel hieruit zou blijken dat hij weer normaal toegang heeft tot zijn afdeling en de daarop werkzame medewerkers. (…) Verder acht Prof. [eiser] het redelijk dat zijn inmiddels met onaanzienlijke kosten van rechtsbijstand, waarvan het MC tot nu toe slechts een klein deel heeft gedragen, niet te zijnen laste blijven. (…)” V. Op 21 december 2012 heeft de heer [naam 6] namens Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven: “(…) Wat betreft uw verzoek betreffende de kosten voor rechtsbijstand ben ik van mening dat, zolang door partijen op de reeds ingeslagen weg geen resultaat is bereikt en zolang het op uw verzoek aangepaste verslag van onze bespreking van 4 september jl. niet door uw cliënt getekend retour is ontvangen, ik geen aanleiding zie om Prof. [eiser] verder tegemoet te komen in zijn kosten voor rechtsbijstand. (…)” VI. Op 17 oktober 2013 heeft de heer [naam 8] [hierna: [naam 8] ] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven: “(…) Na zijn op non-actief stelling is de kamer van em. Prof [eiser] ontruimd door Prof [naam 3] en zijn archief en persoonlijke eigendommen naar onbekende bestemming afgevoerd. Vanmorgen zijn een deel van deze zaken onbeheerd gevonden in de niet afgesloten ruimte Ee 818, op de verder lege 8e verdieping. Afgezien van het punt dat normaliter niet op deze manier met het archief en privébezit van medewerkers met een lange en goede staat van dienst hoort om te worden gegaan, geeft dit nijpend ook aan de door u gestarte procedure tegen em. Prof [eiser] nooit is beëindigd. In zoverre dat voor geen enkele aanklacht enige harde gronden konden worden gevonden in het langdurig onderzoek door de commissie moet de conclusie worden getrokken dat geen van de aanklachten ooit enige basis in feitelijkheden heeft gehad. De naam en reputatie van em. Prof [eiser] zijn dus onnodig belasterd waardoor het normaal afsluiten van een roemrijke loopbaan onmogelijk is gemaakt. Het feit dat Prof. [eiser] de pensioen gerechtigde leeftijd bereikte gedurende het onderzoek betekent niet dat het niet moet worden afgerond. De significante schade aan het gezag en de reputatie van em. Prof [eiser] die het door U gestarte onderzoek, dat geen enkele grond voor een onderzoek heeft kunnen vinden, heeft veroorzaakt is iets dat een goed werkgever zou moeten herstellen en compenseren. Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn zal em. Prof [eiser] andere routes moeten overwegen. Ik zou graag op korte termijn met U in gesprek gaan om mogelijkheden tot volledig eerherstel en compensatie te bespreken alsmede duidelijk afspraken te maken over het archief en privébezit van em. Prof [eiser] dat nu door U slordig wordt beheerd.” VII. Op 18 november 2013 heeft Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven: “Bij brief van 17 oktober jl. informeert u de Raad van Bestuur namens em. prof. [eiser] over een aantal zaken. (…) Uit deze navraag is mij gebleken dat over de nog aanwezige bezittingen van em. prof. [eiser] kort na de pensionering van em. prof. [eiser] , dat wil zeggen kort na 1 april 2013, contact is geweest tussen de heer [naam 9] en em. prof. [eiser] . De heer [naam 9] heeft voor dit contact het initiatief genomen en em. prof. [eiser] aangeboden deze nog aanwezige bezittingen langs te laten brengen en gevraagd wanneer deze door het Erasmus MC op het huisadres van em. prof. [eiser] konden worden bezorgd. Em. prof. [eiser] heeft in dat gesprek aangegeven thuis over onvoldoende ruimte te beschikken om de spullen te kunnen herbergen en heeft verzocht de spullen nog voor een korte tijd te bewaren op de afdeling. Door de heer [naam 9] is em. prof. [eiser] vervolgens ingelicht waar zijn bezittingen zich in de faculteit bevonden. Op 17 oktober 2013 zou em. prof. [eiser] de bewuste ruimte niet-afgesloten hebben aangetroffen. Na uw verzoek van 31 oktober jl. aan drs. [naam 10] , secretaris van Bestuur, tot afsluiting van de bewuste ruimte heeft [naam 11] , Manager Juridische Zaken, u ingelicht dat hij diezelfde ochtend poolshoogte is gaan nemen in het Faculteitsgebouw. Daaruit is gebleken dat de deur naar locatie Ee-818 weldegelijk was afgesloten, maar dat deze ruimte nog via een naastgelegen ruimte kan worden bereikt. Onder toeziend oog van de heer [naam 11] is ook deze indirecte toegang gesloten. Ik vertrouw er hiermee op dat de bezittingen van em. prof. [eiser] in voldoende mate zijn veilig gesteld en, gezien uw reactie aan de heer [naam 11] van 1 november 2013, deze zaak als gesloten. Voor beide partijen lijkt het mij evenwel wenselijk dat - nu het dienstverband tussen het Erasmus MC en em. prof. [eiser] al sinds 1 april jl. is beëindigd en em. prof. [eiser] ook niet meer binnen het Erasmus MC resideert - ook deze laatste bezittingen zo spoedig mogelijk door em. prof. [eiser] worden opgehaald, dan wel dat wij deze spullen op een door hem gewenst adres laten bezorgen. Met het verstrijken van de tijd is al meer dan een korte periode verstreken. Ik verzoek u hierbij mij op een zo kort mogelijke termijn doch uiterlijk vóór 1 december 2013 te laten weten waar de gedachten van em. prof. [eiser] naar uitgaan. Mocht ik uiterlijk maandag 2 december 2013 niet van u vernomen hebben, dan ga ik ervan uit dat uw cliënt geen prijs meer stelt op zijn bezittingen en zullen deze ter vernietiging worden aangeboden. Het door u gestelde over de aanleiding tot het onderzoek en de bevindingen van de Commissie Ad Hoc deel ik niet. Over het gestelde door de Commissie Ad Hoc heeft em. prof. [eiser] eerder, in 2012, in ruime mate gelegenheid gehad zijn zienswijze te geven. In meerdere gesprekken daarna is toen door de toenmalige Raad van Bestuur uitvoerig stilgestaan bij het besluit om ondanks deze zienswijze de conclusies en adviezen van de Commissie Ad Hoc te handhaven en dat een terugkeer als afdelingshoofd op de afdeling [naam 1] niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Deze gesprekken zijn in het bijzijn van de toenmalig gemachtigde van em. prof. [eiser] , [naam 7] , gevoerd. Tijdens deze gesprekken is eveneens gesproken over hoe aan de periode tot aan de pensionering van em. prof. [eiser] vorm zou kunnen worden gegeven en is em. prof. [eiser] uitgenodigd hier voorstellen voor te doen. Door em. prof. [eiser] is hier evenwel nimmer inhoudelijk op gereageerd anders dan met een feitelijke terugkeer als afdelingshoofd op de afdeling, ik verwijs hierbij naar de brieven die door mijn voorganger, prof. dr. [naam 6] , in dit verband aan em. prof. [eiser] zijn geschreven. Uit deze brieven kan gevoeglijk niet worden afgeleid dat het Erasmus MC niet heeft willen meewerken aan een eervol en waardig afscheid van em. prof. [eiser] . Met het op dat moment uitblijven van een reactie als vorenstaand bedoeld en het vervolgens door em. prof. [eiser] zelf aangevraagde ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, heeft em. prof. [eiser] deze handschoen wegens hem moverende redenen niet op willen pakken en beschouwt ook de Raad van Bestuur deze kwestie als afgedaan. Ik zie dan ook geen aanleiding meer om het door u verzochte gesprek met u aan te gaan.” VIII. Op 4 december 2013 heeft [naam 8] namens prof. [eiser] geschreven aan Erasmus MC: “Naar aanleiding van uw brief dd. 18-11-2013 kenmerk 13-P000306, teken ik namens em. Prof R. [eiser] bezwaar aan tegen het besluit vervat in bovengenoemd schrijven, bijgevoegd als bijlage 1, inzake de weigering tegemoet te komen aan mijn verzoek dd. 18 oktober 2013 waaruit ik citeer: (…) Uw weigering in deze is een weigering tegemoet te komen aan eerherstel en compensatie van geleden schade van/aan em. Prof [eiser] , dus een besluit in termen van de algemene wet bestuursrecht, waarbij em. Prof [eiser] een duidelijk belang heeft.” IX. Op 6 december 2013 heeft [naam 8] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven: “Namens em. Prof [eiser] verzoek ik U de kosten gemaakt voor juridische bijstand in casu de door U ingestelde onderzoeksprocedure door de commissie Ad Hoc te vergoeden. Dit binnen een termijn van 4 weken. Dit bedraagt 34.986,37 euro aan directe kosten zoals aangegeven in de bijlagen. Daarnaast zijn er nog indirecte kosten zoals em. Prof [eiser] 's reiskosten en kantoor kosten tbv deze zaak. Deze zullen later worden opgegeven zodra deze volledig onderbouwd zijn. (…) Indien U dit verzoek weigert verzoek ik U om een gemotiveerd voor beroep vatbaar besluit zoals vereist door de algemene wet bestuursrecht. (…)” X. Op 3 maart 2014 heeft prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven: “Bijgaand zend ik u het jubileumboek ‘25 jaar [naam 1] Rotterdam’, alsmede de factuur voor het drukken van dit boek. Deze factuur bedraagt € 13.997,30 waarvan initieel € 5.750,00 is betaald door diverse sponsors (zie bijlage), en later nog € 2.500. De overige productiekosten en de verzendkosten tezamen € 6.650,00 zijn door mij betaald. Ik verzoek u vanuit mijn resterende budget functie gebonden kosten (zie bijlage) € 4.394,36 hiervan te vergoeden. Bijgaand vindt u tevens het daartoe ingevulde declaratieformulier functie gebonden kosten.” XI. Op 10 maart 2014 heeft J. Verweij namens Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven: “Bij brief van 6 december 2013 heeft u namens uw cliënt, professor [eiser] , de Raad van Bestuur verzocht om een vergoeding van door professor [eiser] gemaakte kosten voor juridische bijstand. (…) In het door u gestelde zie ik geen nieuwe feiten
veranderde omstandigheden die mij aanleiding geven om terug te komen op het standpunt van de vorige Raad van Bestuur, dat op 21 december 2012 aan de toenmalig gemachtigde, [naam 7] , kenbaar is gemaakt: (…) Onder verwijzing naar het besluit van 21 december 2012 wijs ik uw verzoek tot vergoeding van gemaakte advocaatkosten dan ook af op grond van artikel 4:6, lid 1 jo lid 2 Algemene wet bestuursrecht. Teneinde uw aanvraag voor vergoeding van door professor [eiser] gemaakte reis- en verblijfkosten in behandeling te kunnen nemen, stel ik u op grond van artikel 4:5, lid 1, sub c van de Algemene wet bestuursrecht tot 3 weken na datum van deze brief in de gelegenheid uw aanvraag aan te vullen. (…)” XII. Op 9 april 2014 heeft [naam 8] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven: “Naar aanleiding van uw besluit dd. 10 maart 2014, kenmerk 14.p00058, teken ik namens em. Prof. R. [eiser] , bezwaar aan tegen dit besluit.” XIII. Op 14 april 2014 heeft Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven: “Aanvraag vergoeding functie gebonden kosten (…) Uw verzoek tot vergoeding van een bedrag van € 4.394,30 neem ik niet in behandeling aangezien de regeling als verwoord in artikel 15.9.
voor latere verdere aanklachten kunnen vinden. Gezien de ernst van de ongefundeerde klachten en de tegen hem genomen disciplinaire maatregelen heeft bezwaarde noodgedwongen juridische bijstand moeten zoeken. In zoverre dat verweerder ernstig gefaald heeft door buiten de door de cao voorgeschreven procedure en termijnen een langlopend onderzoek te starten waarbij duidelijk is geworden dat er geen basis voor het onderzoek was, is bezwaarde ernstig en disproportioneel getroffen door de handelingen van verweerder. Het weigeren in de bestreden besluiten van verweerder om de kosten die bezwaarde noodzakelijk heeft moeten maken is dus volstrekt onredelijk. Verweerder negeert hier de verantwoordelijkheid voor de keuzes die hij heeft gemaakt en verzaakt zijn plicht als een goed werkgever te handelen. Bezwaarde eist vergoeding van de als noodzakelijk gevolg van ongefundeerde keuzes van verweerder gemaakte juridische kosten alsmede reis en verblijfkosten, vermeerderd met wettelijke rente. ” XVI. Op 2 december 2014 heeft Erasmus MC het volgende aan prof. [eiser] geschreven: “Bij brief van 4 december 2013 heeft de heer dr. ir. FA. [naam 8] namens u bezwaar gemaakt tegen een besluit van 18 november 2013 van de Raad van Bestuur. Daarnaast heeft uw gemachtigde bij brief van 9 april 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 maart 2014 en is op 21 mei 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 april 2014. (…) In navolging van het advies van de Bezwarencommissie heeft de Raad van Bestuur besloten om uw bezwaren tegen de bovengenoemde besluiten ongegrond te verklaren. Ten aanzien van de overwegingen ten overvloede neemt de Raad van Bestuur de eerste overweging over en stelt de Raad van Bestuur u hierbij in de gelegenheid om de Raad van Bestuur een voorstel voor een verklaring als onder punt 3.16 te doen, uitgaande van de rechtens vaststaande besluitvorming over de conclusies en adviezen van de Commissie Ad Hoc. Ten aanzien van de tweede overweging ten overvloede overweegt de Raad van Bestuur als volgt. Een aanzienlijk gedeelte van de door u ingediende rekeningen ter onderbouwing van uw vordering, betreffen de bijstand van [naam 7] in de Biotempt-aangelegenheid. Deze ondersteuning heeft de Raad van Bestuur reeds in meerdere
mindere mate vergoed. In die zin is hiermee al voldaan aan het advies van de Bezwarencommissie. Hoewel u eerder, in december 2012, om voor u moverende redenen, heeft afgezien van het pakket, waar een vergoeding in de kosten voor rechtsbijstand in de arbeidsrelatie (Commissie Ad Hoc) integraal onderdeel van uitmaakte, herhaalt de Raad van Bestuur voor de laatste maal zijn eerdere intentie van januari 2014, dat de Raad van Bestuur tot een vergoeding in meerdere
mindere mate bereid is onder de voorwaarde dat partijen tot een finale kwijting komen. De Raad van Bestuur verstaat onder finale kwijting, dat partijen nadien – zowel in deze kwestie, als in andere kwesties - in het geheel niets meer van elkaar te vorderen hebben en u tegen dit besluit geen verdere rechtsmiddelen aanwent. Mocht u toch in beroep gaan tegen de bovenstaande beslissing op bezwaar, dan komt onze intentie tot een redelijke vergoeding van de kosten van rechtsbijstand per datum beroepschrift te vervallen.” XVII. Op 15 oktober 2015 heeft prof. [eiser] het volgende aan Erasmus MC geschreven: “Naar aanleiding van het advies van de Bezwarenadviescommissie van 20 oktober 2014 betreffende mijn bezwaren inzake de tegen mij ingestelde integriteitsprocedure heeft u op 2 december 2014 deze bezwaren afgewezen. Deze bezwaren betreffen het niet afsluiten van de procedure tegen mij met een besluit in de zin van Awb Art. 3:45-1 en/
:45-2, het niet teruggeven van mijn persoonlijke eigendommen en archieven, het niet vergoeden van de door mij gemaakte advocaatkosten, en het niet informeren van mijn voormalige collega's en medewerkers dat de tegen mij ingestelde integriteitsprocedure geen voor mij belastende feiten heeft opgeleverd. Daarnaast heb ik bezwaar gemaakt tegen bet niet vergoeden van de door mij gemaakte kosten voor het drukken en verzenden van het jubileumboek '25 Jaar [naam 1] Rotterdam'. (…) Waar de Bezwarencommissie stelt dat de brief van de heer [naam 6] van 1 november 2012 bedoeld is geweest als een afrondend besluit in de zin van Awb Art. 3:45-1 en/
Bovendien is tegen de inhoud van deze brief door mijn raadsman wel degelijk bewaar gemaakt, en zijn deze bezwaren door de Raad van Bestuur en haar juristen als zodanig herkend, zonder daaraan tegemoet te komen. Daarmee vervalt de basis voor uw besluit van 2 december 2014. Dit zo zijnde, stel ik vast dat de procedure tegen mij nog steeds niet is beëindigd met een daartoe strekkend besluit dat voldoet aan Awb. Art 3:45-1 en/
Awb Art. 3:45-2. In verband hiermee heb ik mevr. [naam 12] in januari 2015 bij herhaling laten weten dat de Raad van Bestuur aan zet is. Niettemin heb ik de afgelopen negen maanden niets van u mogen vernemen. Ik neem een en ander zeer hoog op, vooral in verband met de ernstige schade aan mijn wetenschappelijke en maatschappelijke positie als gevolg van de onterechte aan mijn adres geuite beschuldigingen en de door de RvB tegen mij genomen maatregelen. Schade, die als gevolg van uw handelen als huidige Raad van Bestuur steeds groter wordt. Ik verzoek u nogmaals om op korte termijn - de procedure tegen mij af te sluiten met een besluit dat voldoet aan het gestelde in Art, 3:45-1 en/
:45-2 van de Awb; - mijn nog niet overgedragen eigendommen en persoonlijke archieven terug te geven, en mij onbeperkte toegang te verlenen tot de overige door mij aangelegde archieven; - de door mij gemaakte kosten voor juridische ondersteuning (€ 35.205,57, incl. € 219,20 reis- en verblijfkosten) te vergoeden, alsmede de wettelijke rente; - de door mij gemaakte kosten voor het drukken en verzenden van het jubileumboek '25 Jaar [naam 1] Rotterdam' (€ 6.650,00) te vergoeden, alsmede de wettelijke rente; en - mijn voormalige collega’s en de huidige en voormalige medewerkers van de afdeling [naam 1] erover te informeren dat de integriteitsprocedure en de tegen mij getroffen disciplinaire maatregelen ongegrond en onterecht waren, en dat het onderzoek naar mij geen aanwijzingen voor belastende feiten heeft opgeleverd. Wanneer ik binnen drie weken van u geen voor mij bevredigende reactie heb ontvangen, zal ik andere stappen overwegen.” XVIII. Op 7 december 2015 heeft Erasmus MC het volgende aan prof. [eiser] geschreven: “Uw brief van 15 oktober gericht aan de leden van de Raad van Bestuur van het Erasmus MC, heb ik in goede orde ontvangen. Ik hecht er waarde aan u als voorzitter van de Raad hier als volgt op te antwoorden. In deze brief verzoekt u de Raad van Bestuur, verkort weergegeven, om op zo kort mogelijke termijn: a. de procedure die tegen u is ingesteld af te sluiten met een voor bezwaar vatbaar besluit; b. u uw nog niet overgedragen eigendommen en persoonlijke archieven terug te geven, en toegang te verlenen tot de overige door u aangelegde archieven; c. u, de door u gemaakte kosten voor juridische ondersteuning (€ 35.205,67 incl. € 219,20 reis- en verblijfkosten), te vergoeden met wettelijke rente; d. de door u gemaakte kosten voor het drukken en verzenden van het jubileumboek ‘25 Jaar [naam 1] Rotterdam' (€ 6.650,-) te vergoeden met wettelijke rente; e. uw voormalige collega's en de huidige en voormalige medewerkers van de afdeling [naam 1] er over te informeren dat de integriteitsonderzoek en de tegen u getroffen disciplinaire maatregelen ongegrond en onterecht waren, en dat het onderzoek naar u geen aanwijzingen voor belastende feiten heeft opgeleverd. Ad a.) Ten aanzien van uw eerste verzoek stel ik vast dat met de beslissing op bezwaar van 2 december 2014 reeds een appellabel besluit genomen is, zodat in die zin al aan uw verzoek is voldaan. Het door u gestelde in uw brief van 15 oktober jl. biedt voor mij, wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden, geen aanknopingspunten om op het eerste besluit van 2 december 2014 terug te komen. Ad c.) Ook ten aanzien van uw herhaalde verzoek om vergoeding van advocaat-, reis- en verblijfkosten voert u geen nieuwe feiten en omstandigheden aan op grond waarvan de Raad van Bestuur terug zou moeten komen op zijn eerdere overweging ten overvloede in de beslissing op bezwaar van 2 december 2014. Immers, uit de na 2 december 2014 met u en uw gemachtigde, de heef [naam 8] , gevoerde correspondentie blijkt zonneklaar dat u geenszins wilde voldoen aan de voorwaarde van de Raad van Bestuur om tot één finale kwijting te komen. Alleen in dat geval was het Erasmus MC, als geste, bereid om in meerdere
mindere mate u tegemoet te komen in deze kosten. Ad d.) Op uw verzoek tot vergoeding van de drukkosten is van het Jubileumboek (ad.
dagdeel dat Erasmus MC niet aan die veroordeling voldoet; sub b) Erasmus MC wordt veroordeeld om binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan prof. [eiser] te betalen € 100.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2012, althans vanaf een door de rechter in goede justitie te bepalen dag, alsmede € 50.000,00 per jaar (en naar rato voor een deel van een jaar) vanaf 1 maart 2013 dat door Erasmus MC niet bekend is gemaakt dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor niet-integer handelen van prof. [eiser] , derhalve op het moment van de dagvaarding € 250.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2013, respectievelijk 1 maart 2014, respectievelijk 1 maart 2015 etc., dan wel vanaf een door de rechter in goede justitie te bepalen dag; II. Erasmus MC wordt veroordeeld om binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan prof. [eiser] te betalen de kosten jubileumboek ad € 6,500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014; III. primair: Erasmus MC wordt veroordeeld om, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag
dagdeel dat Erasmus MC niet aan die veroordeling voldoet, aan prof. [eiser] zijn privé eigendommen als gespecificeerd in productie 10 af te geven, zulks binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn; subsidiair: aan prof. [eiser] ter zake het verlies van die persoonlijke eigendommen een door de rechter in goede justitie te bepalen door Erasmus MC aan prof. [eiser] binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan prof. [eiser] te betalen vergoeding wordt toegekend; IV. sub
dagdeel dat Erasmus MC niet aan die veroordeling voldoet, aan prof. [eiser] gespecificeerd op te geven hetgeen Erasmus MC aan prof. [eiser] is verschuldigd ter zake royaltyrechten en tot betaling daarvan aan prof. [eiser] over te gaan binnen 7 dagen na afloop van de door rechter te bepalen termijn; V. Erasmus MC wordt veroordeeld om binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van €1.000,00 voor elke dag
dagdeel dat Erasmus MC niet aan die veroordeling voldoet aan prof. [eiser] gespecificeerd op te geven hetgeen Erasmus MC aan prof. [eiser] is verschuldigd ter zake niet opgenomen adv-dagen en tot betaling daarvan aan prof. [eiser] over te gaan binnen diezelfde 7 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2013, althans vanaf een door de rechter in goede justitie te bepalen dag; VI. sub
omstandigheden gesteld die maken dat (vooruitlopend op een eventueel hoger beroep) van dit oordeel moet worden afgeweken. De weigering van Erasmus MC om met prof. [eiser] in gesprek te gaan heeft voor de formele rechtskracht van eerder genomen besluiten en de vorderingen in deze procedure – waartoe niet behoort dat een dergelijk gesprek alsnog plaatsvindt - dan ook geen gevolg. De vordering onder I sub a – rehabilitatieverklaring 4.6 Prof. [eiser] heeft bij brief van 4 december 2013 bezwaar ingesteld tegen de weigering van Erasmus MC om tegemoet te komen aan zijn verzoek om eerherstel en compensatie van de geleden schade. Bij beslissing van 2 december 2014 heeft Erasmus MC het bezwaar van prof. [eiser] ongegrond verklaard. Dit betreft een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Uit het feit dat prof. [eiser] zelf bezwaar heeft ingesteld, blijkt bovendien dat ook hij het als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb beschouwde. Bij brief van 15 oktober 2015 heeft prof. [eiser] Erasmus MC nogmaals verzocht om de medewerkers van de afdeling [naam 1] te informeren over de uitkomsten van het integriteitsonderzoek. Erasmus MC heeft dat verzoek bij brief van 7 december 2015 afgewezen. Ook dit betreft een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. 4.7 Prof. [eiser] heeft ervoor gekozen om niet in beroep te gaan tegen de beslissing op bezwaar van Erasmus MC van 2 december 2014 en geen bezwaar in te stellen tegen het besluit van Erasmus MC van 7 december 2015. In beide gevallen stond voor prof. [eiser] echter een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter open die hij ongebruikt heeft gelaten. De besluiten hebben daarom formele rechtskracht. Daarbij is meegewogen dat hij toen al de beschikking had over bijstand van een advocaat. 4.8 Uit de overweging ten overvloede van de beslissing op bezwaar en de motivering van het besluit van 7 december 2015 alsmede uit de daarna gevoerde correspondentie in de akte uitlating na comparitie van partijen blijkt dat Erasmus MC met prof. [eiser] in gesprek is gebleven over een rehabilitatieverklaring. Het verzoek van prof. [eiser] is door Erasmus MC afgewezen omdat zij met de door prof. [eiser] gewenste tekst niet akkoord was, niet omdat zij in het geheel niet bereid was een dergelijke verklaring af te geven. Nu partijen hierover steeds in gesprek zijn gebleven moeten de besluiten van 2 december 2014 en 7 december 2015 gezien worden als weergave van de stand van de besluitvorming bij EMC op dat moment, die inmiddels achterhaald is. De leer van de formele rechtskracht staat er niet aan in de weg dat een bestuursorgaan zich in een later stadium, bijvoorbeeld omdat sprake is van voortschrijdend inzicht, opnieuw over een soortgelijk verzoek buigt. Niet ter discussie staat dat het persoonlijk belang van prof. [eiser] bij de verklaring groot is. 4.9 Tussen partijen is voorts niet in geschil dat uit het onderzoek van de commissie Ad Hoc gebleken is dat er geen aanwijzingen zijn voor fraude
wetenschappelijk wangedrag van de zijde van prof. [eiser] . Gelet op de reputatieschade die het instellen van een onderzoek als het onderhavige voor prof. [eiser] kon hebben, mocht van Erasmus MC worden verwacht dat zij de naam van prof. [eiser] daarna zou zuiveren in die zin dat zij de uitkomsten van het onderzoek bekend zou maken. 4.10 Uit de laatste akte van Erasmus MC kan worden afgeleid dat zij nog steeds bereid is een verklaring over prof. [eiser] af te geven. De door partijen voorgestelde verklaringen wijken slechts op één punt af. Erasmus MC heeft voorgesteld de zin: ‘Voor de goede orde bevestigt de Raad van Bestuur dat het u vrij staat om contacten te onderhouden met (thans em.) prof. dr. [eiser] .’ terwijl prof. [eiser] heeft voorgesteld de zin: ‘Voor de goede orde deelt de Raad van Bestuur mede dat de in de brief van 10 augustus 2011 genoemde beperkingen zijn opgeheven en het u vrij staat om contacten te onderhouden met (thans em.) prof. dr. [eiser] ’. 4.11 In de brief van 10 augustus 2011 heeft Erasmus MC onder meer geschreven dat prof. [eiser] niet op de afdeling [naam 1] aanwezig mag zijn anders dan met voorafgaande toestemming van Erasmus MC
bij medische noodzaak. Het staat Erasmus MC in beginsel vrij om te bepalen wie er op de afdeling aanwezig mogen zijn en wie niet; nu prof. [eiser] met pensioen/emeritaat is, is, anders dan wellicht in 2011, geen bijzondere reden nodig om prof. [eiser] niet toe te laten. Prof. [eiser] heeft geen feiten
omstandigheden gesteld die het niet geven van toestemming in dit geval onrechtmatig maken. Erasmus MC zal worden veroordeeld de verklaring zoals weergegeven in haar laatste akte onder 2.10 te doen uitgaan. De vordering onder I sub b - schadevergoeding 4.12 De door prof. [eiser] onder I sub a gevorderde schade heeft betrekking op schade die het gevolg is van het gelasten van het integriteitsonderzoek alsmede het niet bekend maken van de uitkomst van het onderzoek. Hierdoor is volgens prof. [eiser] voor hem sinds zijn emeritaat per 1 maart 2013 een betaalde functie op zijn kennis-, ervarings- en vaardigheidsniveau uitgesloten, aldus prof. [eiser] . 4.13 Het besluit van Erasmus MC van 18 november 2013 heeft onder meer betrekking op de door prof. [eiser] gewenste compensatie voor de door hem gestelde reputatieschade. Uit de motivering van het besluit blijkt dat Erasmus MC zich op het standpunt stelde dat het laten verrichten van het onderzoek niet onrechtmatig was. Ook tegen het besluit van Erasmus MC van 20 april 2011 tot het laten verrichten van het onderzoek is prof. [eiser] niet opgekomen. In deze procedure moet daarom van de rechtmatigheid van het besluit worden uitgegaan. 4.14 Er bestaat er op dit punt geen aanleiding om een uitzondering te aanvaarden op het beginsel van formele rechtskracht. Aan de door prof. [eiser] verzochte compensatie voor de gestelde reputatieschade heeft Erasmus MC geen overweging ten overvloede gewijd en niet gesteld is dat partijen hierover in gesprek zijn gebleven. Bovendien moet vanaf het begin voor prof. [eiser] duidelijk zijn geweest dat Erasmus MC zich op het standpunt stelde dat het onderzoek niet onrechtmatig was. Van prof. [eiser] mocht verwacht worden dat hij op dit punt bezwaar en/
beroep bij de rechtbank zou instellen. Voor zover de vordering mede is gegrond op het achterwege blijven van een publieke rehabilitatieverklaring stuit deze voor de periode voorafgaand aan de dagvaarding af op de formele rechtskracht van de besluiten van december 2014 en december 2015. Toen was immers van een opnieuw bezien en bespreken van deze kwestie geen sprake. Voor de periode daarna is de vordering onvoldoende onderbouwd. Dat prof. [eiser] concreet in de situatie dat hij al jaren met emeritaat was, inkomsten is misgelopen, is niet deugdelijk toegelicht
onderbouwd. Prof [eiser] heeft ook niet gesteld waar hij eventueel gesolliciteerd heeft. Het enkele ervaringsgegeven dat een onderzoek als het onderhavige tot reputatieschade kan leiden biedt onvoldoende basis voor de ingestelde vordering. De vorderingen onder II – de kosten voor het jubileumboek 4.15 De brief van 14 april 2014 houdt een afwijzing in van het verzoek van prof. [eiser] om de kosten voor het jubileumboek aan hem te vergoeden. Dit betreft een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Prof. [eiser] heeft tegen dit besluit geen bezwaar ingesteld. Op 7 december 2015 heeft Erasmus MC geschreven geen aanleiding te zien om op dit besluit terug te komen. Ook dit betreft een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Tegen dit besluit heeft prof. [eiser] geen bezwaar ingesteld. 4.16 Nu ook hier een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan, dient prof. [eiser] in zijn vorderingen in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dat in beide besluiten wordt verwezen naar de brief van prof. [naam 3] uit 2012 doet aan het beginsel van formele rechtskracht niet af, ongeacht
de brief van prof. [naam 3] moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Niet ter beoordeling staat immers
Erasmus MC op de juiste gronden haar besluit heeft genomen. Indien prof. [eiser] het met de motivering van de besluiten van Erasmus MC niet eens was, dan had hij daartegen tijdig bestuursrechtelijke rechtsmiddelen moeten aanwenden. 4.17 Prof. [eiser] heeft geen feiten
omstandigheden gesteld die de gevolgen van de formele rechtskracht voor hem zo klemmend maken dat een uitzondering gemaakt moet worden. In het bijzonder heeft prof. [eiser] niet uitgelegd waarom hij tegen de besluiten van Erasmus MC om de kosten niet aan hem te vergoeden geen bezwaar heeft ingesteld, terwijl voor hem op grond van de tekst van de besluiten en de houding van Erasmus MC voldoende duidelijk moest zijn dat Erasmus MC niet vrijwillig tot vergoeding zou overgaan. Het enkele feit dat prof. [eiser] nu zelf een deel van de kosten voor het drukken van het boek moet dragen, is onvoldoende om een uitzondering op de formele rechtskracht te aanvaarden. 4.18 Aan het vorenstaande doet ook niet af dat – zoals prof. [eiser] stelt – hij zelf in 2009 al een besluit heeft genomen als afdelingshoofd van Erasmus MC om het jubileumboek uit te brengen en te laten drukken door Ridderprint. Dit besluit hield immers niet in dat de door prof. [eiser] betaalde kosten voor het drukken van het boek, welke betaling pas na dat besluit plaats heeft gevonden, aan hem zouden worden vergoed. Voor de vraag
prof. [eiser] recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte kosten is daarom niet van belang
het besluit tot het drukken van het boek door Ridderprint rechtsgeldig is genomen en evenmin
het besluit door prof. [naam 3] rechtsgeldig is herroepen. Een en ander kan daarom verder in het midden blijven. 4.19 Prof. [eiser] zal gelet op het vorenstaande in zijn vordering onder II niet-ontvankelijk verklaard worden. De vordering onder V – uitbetaling adv-dagen 4.20 Tussen partijen is niet in geschil dat nog openstaande adv-dagen van prof. [eiser] bij de laatste eindafrekening in maart 2013 niet zijn uitbetaald. De eindafrekening van Erasmus MC moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Dit besluit moet gelet op de pensionering van prof. [eiser] geacht worden tevens betrekking te hebben op de volgens prof. [eiser] ten onrechte niet uitbetaalde adv-dagen. Die dagen zijn daarin niet expliciet vermeld; daarin lag een impliciete, afwijzende beslissing besloten. Bij twijfel had prof. [eiser] een expliciete beslissing kunnen vragen zoals hij dat op andere punten ook gedaan heeft (zie 2.18 onder IX). Tegen het besluit van Erasmus MC stond voor prof. [eiser] een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open. 4.21 Het enkele feit dat – zoals prof. [eiser] stelt – Erasmus MC bij andere medewerkers wel openstaande adv-dagen heeft uitbetaald, geeft onvoldoende aanleiding om een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht te aanvaarden. Erasmus MC heeft in deze procedure gemotiveerd aangevoerd waarom zij niet tot betaling is overgegaan. Daartegenover heeft prof. [eiser] onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat Erasmus MC bij hem is afgeweken van een tot dat moment gevolgde bestendige beleidslijn. Van een situatie als in het Ekro-arrest (HR 11 november 1988, NJ 1990, 563) is aldus geen sprake. Erasmus MC stelt zich bovendien op het standpunt dat prof. [eiser] de openstaande adv-dagen had moeten opnemen. Dit standpunt heeft betrekking op de concrete situatie van prof. [eiser] . Ook om die reden is geen sprake van een schending van een bestendige beleidslijn. 4.22 Prof. [eiser] zal daarom ook in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard worden. De vordering onder VI – kosten voor rechtsbijstand 4.23 De brieven van 10 maart 2014 en 2 december 2014 houden besluiten in met betrekking tot de door prof. [eiser] gevraagde vergoeding van door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Erasmus MC heeft in haar motivering van het besluit van 2 december 2014 tevens duidelijk gemaakt dat zij het advies van de bezwarencommissie om een deel van de kosten te vergoeden niet zal opvolgen, voor zover zij dat niet reeds had gedaan. Uit het besluit van 7 december 2015 blijkt dat Erasmus MC op de besluiten van 10 maart 2014 en 2 december 2014 niet terugkomt. 4.24 Voor prof. [eiser] heeft gelet op het vorenstaande een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang opengestaan. Prof. [eiser] heeft geen omstandigheden gesteld die een uitzondering op de regel van formele rechtskracht rechtvaardigen. 4.25 Het door prof. [eiser] aangehaalde arrest van de Hoge Raad (HR 30 juni 2017, ECLI: NL:HR:2017:1187(New Hairstyle)) heeft geen betrekking op de onderhavige situatie, maar op de situatie dat een werknemer (niet zijnde een ambtenaar) in de buitengerechtelijke fase kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt waarvoor de werkgever op grond van zijn verplichting om zich als goed werkgever te gedragen aansprakelijk is. Dat is hier hoogstens het geval voor de kosten in verband met assistentie van prof. [eiser] in de procedure tegen Biotempt, doch die kosten zijn kennelijk al vergoed
in ieder geval geen onderdeel van de onderhavige procedure. 4.26 In deze procedure moet - vanwege het beginsel van formele rechtskracht - van de rechtmatigheid van de besluiten van Erasmus MC worden uitgegaan. Van aansprakelijkheid van Erasmus MC voor de door prof. [eiser] gemaakte kosten kan om die reden geen sprake zijn. Voor zover prof. [eiser] aanspraak maakt kosten voor rechtsbijstand tijdens en voorafgaand aan deze procedure moeten deze kosten geacht worden onderdeel uit te maken van de proceskosten als bedoeld in artikel 237 Rv, dan wel de gebruikelijke buitengerechtelijke kosten. Prof. [eiser] zal daarom ook in deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering onder III – de eigendommen van prof. [eiser] 4.27 Prof. [eiser] heeft in beginsel recht op teruggave van alle zaken waarvan hij het eigendom bezit (artikel 5:2 BW). Na de comparitie van partijen heeft Erasmus MC nog een aantal reprints van prof. [eiser] gevonden. Zij zal worden veroordeeld om prof. [eiser] in de gelegenheid te stellen deze reprints op te halen. Voor zover prof. [eiser] heeft willen aanvoeren dat Erasmus MC thans nog over meer eigendommen van prof. [eiser] beschikt, wordt dat standpunt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Daarbij is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat een aantal zaken is kwijtgeraakt. De primaire vordering zal overeenkomstig het voorgaande worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen. 4.28 Ten aanzien van de subsidiaire vordering geldt het volgende. Deze vordering heeft vanwege het vorenstaande alleen nog betrekking op de zaken waarvan prof. [eiser] stelt dat deze bij Erasmus MC waren opgeslagen, maar waarvan Erasmus MC aanvoert dat deze niet (meer) aanwezig zijn. Partijen hebben beiden aangegeven open te staan voor een praktische oplossing op dit punt, gelet op het relatief geringe (geldelijke) belang. 4.29 Erasmus MC heeft zich niet op het standpunt gesteld dat de thans vermiste zaken niet bij Erasmus MC waren opgeslagen. Zij stelt zich op het standpunt dat voor zover er zaken van prof. [eiser] zijn kwijtgeraakt, dat voor rekening en risico van prof. [eiser] dient te komen. Dat standpunt wordt verworpen. Van Erasmus MC mocht worden verwacht dat zij de persoonlijke eigendommen van prof. [eiser] als goed bewaarder/zaakwaarnemer zou beheren en ervoor zou zorgdragen dat deze niet zouden kwijtraken. Prof. [eiser] heeft daarom recht op een schadevergoeding. 4.30 Thans kan niet meer worden vastgesteld welke waarde de vermiste zaken hadden. De rechtbank zal de schade daarom op grond van artikel 6:97 BW schattenderwijs begroten. Van de door prof. [eiser] gestelde eigendommen moeten met name de managementboeken geacht worden enige waarde te vertegenwoordigen. De overige zaken zijn van geringe (economische) waarde. De rechtbank zal de schade van prof. [eiser] begroten op een bedrag van € 2.501,00, zijnde het bedrag dat Erasmus MC per abuis tweemaal aan prof. [eiser] heeft overgemaakt (en dat dus terugbetaald moet worden), zodat partijen op dit punt niets meer van elkaar te vorderen hebben. Dit deel van de vordering zal aldus worden afgewezen. De vordering onder IV – royalty’s 4.31 Niet in geschil is dat prof. [eiser] recht had op een uitvindersbeloning voor de door hem en [naam 2] ontwikkelde octrooien. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven
de overeenkomst van 12 april 2007 hiervoor een zelfstandige grondslag bood. De overeenkomst van 12 april 2007 gaf aan prof. [eiser] immers niet meer rechten dan hij reeds had op grond het octrooibeleid van Erasmus MC. Voor zover prof. [eiser] op dit punt een ander standpunt heeft willen innemen, had het op zijn weg gelegen om te stellen op welk punt van de royalty-regeling in dat octrooibeleid is afgeweken. 4.32 Erasmus MC stelt zich op het standpunt dat prof. [eiser] slechts aanspraak kan maken op een vergoeding indien zij met de octrooien winst heeft gemaakt. Zij stelt daartoe het volgende. De gedachte achter de royalty-regeling is dat uitvinders kunnen meeprofiteren van de winst die Erasmus MC maakt op grond van een door de uitvinder ontwikkeld octrooi. Erasmus MC wijkt daarmee ten gunste van uitvinders af van de wettelijke regeling, op grond waarvan aan prof. [eiser] , als uitvinder/hoogleraar in dienst van een universiteit, in het geheel geen recht op een vergoeding toekomt. Het salaris van prof. [eiser] wordt geacht hiervoor reeds een vergoeding in te houden. Biotempt heeft in totaal slechts een bedrag van € 350.000,00 aan Erasmus MC betaald terwijl Erasmus MC aan juridische procedures al meer kosten heeft gemaakt. Aangezien Erasmus MC in 2013 tegenover Biotempt afstand gedaan heeft van haar rechten, staat vast dat Erasmus MC met de octrooien geen winst zal behalen. Prof. [eiser] kan daarom jegens Erasmus MC geen aanspraak maken op enige uitkering, aldus steeds Erasmus MC. 4.33 Prof. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat Erasmus MC tegenover Biotempt afstand heeft gedaan van haar rechten, onverlet laat dat hij een aanspraak heeft op Erasmus MC. Dat standpunt wordt niet gevolgd. In de overeenkomst van 12 april 2007 wordt verwezen naar de op dat moment geldende royalty-regeling van Erasmus MC. Uit deze regeling, in het bijzonder artikel 3.6, blijkt dat de uitvinders van een octrooi gezamenlijk aanspraak kunnen maken op 20% van de netto opbrengst. Onder netto opbrengst moet blijkens hetzelfde artikel worden verstaan de opbrengsten van het octrooi verminderd met de kosten die door Erasmus MC zijn gemaakt. Op grond van deze regeling krijgen uitvinders van een octrooi dus pas een aanspraak op Erasmus MC als, omdat en nadat Erasmus MC winst heeft gemaakt. Uit de door prof. [eiser] als productie 50 overgelegde correspondentie tussen hem, [naam 13] en [naam 14] van Erasmus MC van 12 april 2007 blijkt niet dat partijen iets anders zijn overeengekomen. Immers, ook in die correspondentie wordt van de zijde van Erasmus MC benadrukt dat het niet de bedoeling is dat uitvinders aanspraak kunnen maken op een vergoeding voordat Erasmus MC ‘uit de kosten is’ en uit niets blijkt dat Erasmus MC met een afwijking van die regeling akkoord is gegaan. De tekst van de overeenkomst van 12 april 2007 biedt daarvoor evenmin steun. Prof. [eiser] stelt ook niet, met de in dat verband van hem te verwachten precisie, wat er dan in zijn visie in afwijking van het beleid is afgesproken. Dat betekent dat voor getuigenbewijs geen aanleiding bestaat, bij gebreke van voldoende feitelijke onderbouwing. 4.34 Voor zover prof. [eiser] heeft willen stellen dat Erasmus MC op de octrooien winst heeft behaald, heeft hij dat standpunt eveneens onvoldoende onderbouwd. Niet in geschil is immers dat Erasmus MC in 2013 afstand heeft gedaan van haar rechten tegenover Biotempt en dat zij vanwege de vele procedures aanzienlijke kosten heeft moeten maken. Van prof. [eiser] mocht worden verwacht dat hij zijn standpunt zou onderbouwen. Nu hij dat niet heeft gedaan wordt als vaststaand aangenomen dat Erasmus MC geen winst heeft gemaakt. 4.35 In de kern is het verwijt dat prof. [eiser] Earsmus MC maakt echter een ander. Hij meent dat Erasmus MC zo lichtzinnig met de voor haar kenbare belangen van prof. [eiser] is omgegaan dat dit jegens hem een onrechtmatige daad oplevert. Prof. [eiser] verwijt Erasmus MC in het bijzonder dat zij – zonder toestemming van prof. [eiser] - in de schikking met Biotempt afstand heeft gedaan van haar rechten. Prof. [eiser] stelt in dat kader het volgende. In 2007 zijn Erasmus MC en prof. [eiser] overeengekomen dat prof. [eiser] en [naam 2] op geen enkele wijze betrokken zouden worden bij de samenwerking met Biotempt. Erasmus MC heeft desalniettemin aan Biotempt toegezegd dat prof. [eiser] en [naam 2] opnieuw bij het onderzoek betrokken zouden worden. Erasmus MC is daardoor in een nieuw conflict gekomen met Biotempt, welk conflict uiteindelijk heeft geleid tot de schikking waarbij Erasmus MC afstand heeft gedaan van haar recht op royalty’s. De octrooien die prof. [eiser] en [naam 2] voor Biotempt hadden ontwikkeld waren veelbelovend. Het past niet binnen het beleid van Erasmus MC om daarvan afstand te doen. In het bijzonder past het niet binnen het beleid om afstand te doen van octrooirechten van geneesmiddelen die reeds klinische fase I hebben doorstaan, temeer nu Erasmus MC geen kosten hoefde te maken om deze rechten in stand te houden. Het was Erasmus MC bekend dat prof. [eiser] er belang bij had dat Erasmus MC royalty’s zou incasseren, omdat prof. [eiser] dan aanspraak op een deel daarvan kon maken. Erasmus MC had haar gedrag moeten afstemmen op de voor haar kenbare belangen. Het had ten minste op de weg van Erasmus MC gelegen om prof. [eiser] in de gelegenheid te stellen ‘zelf verder te gaan’ met de octrooien, aldus prof. [eiser] . 4.36 Erasmus MC betwist het standpunt van prof. [eiser] . Zij voert aan dat Erasmus MC een non-profit onderzoeksinstituut is dat in de eerste plaats tot doel heeft om kennis beschikbaar te maken aan de maatschappij. Het verstrekken van licenties aan de industrie is een middel, geen doel. Daarbij is uitgangspunt dat als een dossier niet binnen afzienbare tijd tot inkomsten leidt, het dan niet verantwoord is om hier verder in te investeren. In dit geval was met de octrooien geen verdere winst te verwachten. Het geld dat hiervoor gebruikt wordt, is immers bestemd voor wetenschappelijk onderzoek en niet voor investeringen in onzekere projecten. Ook tegenover de uitvinder is Erasmus MC niet verplicht om het octrooi tot het einde der dagen aan te houden. Nu de verhoudingen met Biotempt zo waren verslechterd (mede door toedoen van [eiser] ) en de kwestie alleen kosten met zich bracht voor Erasmus MC, kon niet van haar worden verwacht dat zij de samenwerking met Biotempt zou voortzetten. Het is niet zo dat het conflict met Biotempt alleen betrekking had op de toezegging van Erasmus MC dat prof. [eiser] en [naam 2] bij het onderzoek betrokken zouden blijven. Biotempt trok immers ook de kwaliteit van het onderzoek in twijfel, en weigerde daarom de kosten voor het onderzoek te vergoeden, er waren liquiditeitsproblemen en Biotempt wilde de opzet van de samenwerking veranderen in een one-roof model. Prof. [eiser] had bovendien een centrale rol in het conflict, mede vanwege zijn tegenstrijdige belangen, hetgeen door de Ondernemingskamer expliciet is overwogen. Erasmus MC zag zich vanwege het vorenstaande genoodzaakt om aan de samenwerking een einde aan te maken, ook om haar goede naam te beschermen. Het feit dat ook [naam 2] - die mede-uitvinder was en uit dien hoofde bij netto-opbrengsten (die er niet waren) ook recht zou hebben op uitvindersloon - partij was bij de vaststellingsovereenkomst, onderstreept de redelijkheid van deze beslissing, aldus Erasmus MC. 4.37 De rechtbank oordeelt als volgt. Van Erasmus MC mocht worden verwacht dat zij de voor haar, naar zij niet weerspreekt, destijds kenbare belangen van prof. [eiser] , als werknemer en uitvinder van de octrooien, in ogenschouw zou nemen en houden bij de onderhandelingen met Biotempt en daarop haar handelen mede zou afstemmen. Wanneer zij dat onvoldoende heeft gedaan, kan dat tot de conclusie leiden dat het tegenover prof. [eiser] onrechtmatig was om afstand te doen van haar rechten tegenover Biotempt. Naar het oordeel van de rechtbank is het debat op dit punt nog onvoldoende gevoerd. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld zich hierover nader uit te laten. 4.38 In dat verband wordt reeds het volgende opgemerkt. Beoordeeld dient te worden
Erasmus MC in de gegeven omstandigheden in redelijkheid de beslissing heeft kunnen nemen om afstand van haar recht op royalty’s te doen, waardoor ook prof. [eiser] zijn rechten verloor. In dat verband komt het aan op de aan alle zijden betrokken belangen, de beschikbare alternatieven en de op dat moment voor Erasmus MC en prof. [eiser] te verwachten opbrengsten van de octrooien alsmede de kosten waarmee zij rekening diende te houden bij een voortzetting van de samenwerking met Biotempt. Daarbij geldt dat weliswaar dat Erasmus MC zich mede diende te laten leiden door de belangen van prof. [eiser] doch dat zij ook haar eigen belang in het oog mocht houden. Toelichting behoeft ook
en zo ja waarom prof. [eiser] bij het maken van die afspraken niet betrokken is geweest. Eveneens kan van belang zijn in hoeverre het aan Erasmus MC en/
prof. [eiser] is te wijten dat tussen Erasmus MC en Biotempt een conflict is ontstaan. Mogelijk zal voor de verwachte opbrengsten een deskundige benoemd moeten worden. 4.39 Niet in geschil is dat onderdeel van de overeenkomst van 12 april 2007 was dat prof. [eiser] zijn aandelen in Biotempt (aan Erasmus MC) zou overdragen. Prof. [eiser] heeft zijn aandelen op 7 november 2013 overgedragen aan Expolin B.V.. Onduidelijk is in hoeverre de verplichting van Erasmus MC tot het betalen van een royaltyvergoeding en de verplichting van prof. [eiser] om afstand te doen van zijn aandelen in Biotempt tegenover elkaar staande verplichtingen betroffen. Erasmus MC gaat daar blijkbaar van uit, maar zij licht niet toe hoe zich dat verhoudt tot haar octrooibeleid, dat zij naar eigen zeggen tot uitgangspunt genomen heeft en dat voorshands geen aanknopingspunt voor een dergelijke verplichting omvat. Evenmin is onduidelijk
prof. [eiser] deze verplichting is nagekomen. Erasmus MC heeft zich op het standpunt gesteld dat prof. [eiser] de aandelen op grond van de overeenkomst van 12 april 2007 aan haar had moeten overdragen en niet aan Expolin B.V.. Prof. [eiser] heeft op dat standpunt nog niet kunnen reageren. 4.40 Partijen dienen tevens in te gaan op de vraag op welke percentage van de door Erasmus MC behaalde netto winst van de octrooien prof. [eiser] in voorkomend geval recht zou hebben. Prof. [eiser] lijkt uit te gaan van 18% terwijl Erasmus MC uitgaat van 9% (gebaseerd op 9% voor [naam 2] ). Partijen dienen hun standpunt op dit punt te verduidelijken. 4.41 Prof. [eiser] zal eerst in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over bovengenoemde punten. Erasmus MC zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop bij antwoordakte te reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5De beslissing De rechtbank: verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 1 mei 2019 voor het nemen van een akte door prof. [eiser] alwaar zij zich dient uit te laten over vorenstaande punten. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T Hofmeijer-Rutten en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 371/106
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.