Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 18/3225 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2019 in de zaak tussen [eiseres] , te Rotterdam, eiseres, gemachtigde: mr. J. Nagtegaal, en de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman. Procesverloop Bij besluit van 20 december 2017 (primair besluit I) heeft verweerder een (spoed)sluiting bevolen van [naam horecagelegenheid] , gevestigd aan de [vestigingsadres horecagelegenheid] in Rotterdam, voor de duur van twee weken. Bij besluit van 23 januari 2018 (primair besluit II) heeft verweerder een sluiting bevolen van [naam horecagelegenheid] voor de duur van drie maanden. Bij besluit van 9 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover dat strekt tot handhaving van primair besluit II. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer ROT 18/5111. Overwegingen 1.1 In een politierapportage van 20 december 2017 wordt melding gemaakt van de volgende feiten. Op vrijdag 15 december 2017 is op de openbare weg, tegen de gevel van [naam horecagelegenheid] , nabij de vuilcontainer, een op scherp staande handgranaat aangetroffen. De granaat is door de Explosieve Opruimingsdienst geruimd en vernietigd. Op zaterdag 16 december 2017 is tegen de gevel en de ingangsdeur van het naast [naam horecagelegenheid] gevestigde restaurant een explosief, vermoedelijk een zware vuurwerkbom, tot ontploffing gebracht. In de toegangsdeur, de gevel en een reclamedoek waren kleine gaatjes zichtbaar en van de gevel was kalk weggesprongen. Op dinsdag 19 december 2017 is op de toegangsdeur van het naast [naam horecagelegenheid] gelegen restaurant graffiti, op het plastic zeil naast die toegangsdeur en op de toegangsdeur van [naam horecagelegenheid] diverse malen met gele verf de woorden “oorlog” en “war” geschreven. Op 20 december 2017 zijn op het trottoir, direct voor de trap naar de ingang van [naam horecagelegenheid] , patroonhulzen gevonden en is geconstateerd dat in de deur kogelgaten zaten. Uit camerabeelden is gebleken dat door een persoon met een automatisch vuurwapen is geschoten in de richting van [naam horecagelegenheid] . Naar aanleiding van deze incidenten heeft [naam] , bestuurder van [naam horecagelegenheid] , aangifte gedaan van bedreiging. 1.2 Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit I, bij wijze van spoedmaatregel, [naam horecagelegenheid] gesloten voor een periode van twee weken om de openbare orde per direct te herstellen. 1.3 Op 9 januari 2018 heeft verweerder een rapportage van de politie ontvangen. Op grond van deze politierapportage is bij brief van 11 januari 2018 aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt een bestuurlijke maatregel te treffen. Op 17 januari 2018 heeft een zienswijzngesprek plaatsgevonden en zijn schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht. Vervolgens heeft verweerder primair besluit II genomen. 2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder de politierapportages van 20 december 2017 en 9 januari 2018 ten grondslag gelegd. Op grond van deze rapportages heeft verweerder geconcludeerd dat de incidenten de openbare orde, de veiligheid en het woon- en leefklimaat hebben verstoord, zodat hij op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening (APV) in verbinding met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a en b, van de APV bevoegd was om [naam horecagelegenheid] te sluiten. Daarnaast was verweerder ook bevoegd om op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder d, van de APV in verbinding met artikel 1:8, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV [naam horecagelegenheid] te sluiten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de incidenten zich hebben voorgedaan vanuit [naam horecagelegenheid] , nu deze in de directe nabijheid van de club hebben plaatsgevonden en gericht waren tegen de club. Ook is verweerder van mening dat de exploitatie van [naam horecagelegenheid] de leefbaarheid in de omgeving heeft aangetast. Op grond van het handhavingsarrangement dat in de Horecanota 2017-2021 is neergelegd, is in deze situatie een sluiting van drie maanden passend. Verweerder vindt dat de handhaving van de openbare orde en veiligheid zwaarder dient te wegen dan de belangen van eiseres om haar club te exploiteren. 3. Eiseres voert – kort weergegeven – aan dat verweerder niet bevoegd was om tot sluiting van [naam horecagelegenheid] over te gaan voor een periode van drie maanden. Zij stelt dat de feiten buiten de club hebben plaatsgevonden op momenten dat de club gesloten was en dat alle feiten zijn gepleegd door personen die geen bezoekers waren van de club, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de incidenten zich vanuit [naam horecagelegenheid] hebben voorgedaan. Daarnaast vindt eiseres dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat een nieuwe sluiting, 21 dagen na opheffing van de spoedsluiting, nodig was vanwege de dreiging voor een verstoring van de openbare orde en veiligheid. Zij betwist dat het openblijven van [naam horecagelegenheid] een gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid en stelt dat de exploitatie van [naam horecagelegenheid] de leefbaarheid in de omgeving niet heeft aangetast. Verder stelt eiseres dat verweerder onvoldoende heeft nagedacht over alternatieve maatregelen om de openbare orde te handhaven. Zij vindt de sluiting van [naam horecagelegenheid] in strijd met de proportionaliteit en subsidiariteit. 4.1 Op grond van artikel 1:8, eerste lid, van de APV kan de vergunning of ontheffing door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van de openbare veiligheid; c. in het belang van de volksgezondheid; d. in het belang van de bescherming van het milieu. Op grond van artikel 2:28, zesde lid van de APV kan de burgemeester, onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8, de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen, indien: a. in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten zich hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed; b. door de exploitatie van de openbare inrichting de leefbaarheid in de omgeving van de openbare inrichting wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Op grond van artikel 2:30, eerste lid, van de APV kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in het geval van bijzondere omstandigheden een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien: de openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning; een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet’ die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften. op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde belangen. De rechtbank overweegt als volgt. 5.1 In de politierapportage van 9 januari 2018 staat: “Het strafrechtelijk onderzoek naar de incidenten bij [naam horecagelegenheid] is in volle gang. Het onderzoek heeft tot op heden nog niet naar concrete/aanwijsbare verdachte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.