Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/680269-17 Datum uitspraak: 5 april 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Schiedam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart
- 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. A. de Bruijne heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren. 4Waardering van het bewijs 4.
- Vrijspraak 4.1.
- Standpunt officier van justitie Op 25 februari 2016 zijn bij een doorzoeking in een smartshop, waarvan de verdachte tot 1 februari 2016 mede-eigenaar was, onder andere versnijdingsmiddelen aangetroffen waarvan de nieuwe eigenaar stelt dat deze middelen behoorden tot de door hem overgenomen winkelinventaris. Het feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. 4.1.
- Beoordeling De verdachte is van 1 februari 2015 tot 1 februari 2016 mede-eigenaar geweest van [naam winkel] in [naam plaats] . Op 25 februari 2016, kort nadat de winkel was overgedragen aan een andere eigenaar, zijn er bij een integrale controle van de Rijksbelastingdienst, afdeling Toezicht van de gemeente Dordrecht en speurhondengeleiders van de Douane in de opslagruimte achter deze winkel 3 zakken en 20 bakjes zonder etiket aangetroffen met daarin in totaal 488,7 gram fenacetine, 354,7 gram lidocaïne en 700,2 gram paracetamol en caffeïne. Deze middelen kunnen worden gebruikt -de fenacetine zelfs uitsluitend- als versnijdingsmiddel voor harddrugs. In de winkel zijn tevens verpakkingsmaterialen, versnijdingsapparatuur en weegschalen aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat de zakken en bakjes met versnijdingsmiddelen er niet lagen toen hij nog mede-eigenaar was van de winkel en dat hij sinds 1 februari 2016 niet meer in de winkel is geweest, hetgeen ook wordt bevestigd door de medeverdachten. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij wel ponypacks in het assortiment van zijn winkel had, om de omzet te verhogen. De rechtbank oordeelt dat op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld of de versnijdingsmiddelen en de aangetroffen voorwerpen al vóór 25 februari 2016 in (de opslagruimte van) de winkel lagen en zo ja, vanaf welke datum dan. Omdat de verdachte tot 1 februari 2016 mede-eigenaar van de winkel was en nadien niet meer in de winkel is geweest, kan hij niet (zonder meer) verantwoordelijk worden gehouden voor middelen en voorwerpen, die daar op 25 februari 2016 zijn aangetroffen. Voorts is niet gebleken dat de verdachte op enig moment het (voorwaardelijk) opzet had om feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. 4.1.
- Conclusie Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 6Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. A. Hello, voorzitter, en mrs. A.A.T. Werner en R.E. Drenth, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 april
- De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2015 tot en met 31 januari 2016, te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) paracetamol en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of fenacetine en/of verpakkingsmateriaal en/of versnijdingsapparatuur en/of een of meer weegscha(a)l(en), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).