← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2019:3994

Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/962018-13 Datum uitspraak: 25 april 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] (Suriname) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te ‘s-Hertogenbosch. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 april

  1. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 11 april 2019 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. B.M.M. Zonneveld heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden, met aftrek van voorarrest veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, subsidiair 100 (honderd) dagen hechtenis. 4Ontvankelijkheid officier van justitie 4.
  2. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich (primair) op het standpunt gesteld dat wegens de (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat sprake is van een uitzonderlijk geval. In het kader van het onderzoek Brush II - naar mogelijke voorbereidingshandelingen voor de invoer van drugs - is immers stelselmatig en ernstig inbreuk gemaakt op belangrijke grondrechten van de verdachte, terwijl er geen redelijk vermoeden van schuld jegens hem bestond. 4.
  3. Beoordeling Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de enkele overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering. De rechtbank ziet geen aanleiding om van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af te wijken, temeer niet omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een uitzonderlijk geval. De overschrijding van de redelijke termijn zal dus verdisconteerd worden in de straf en niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. 4.
  4. Conclusie De officier van justitie is ontvankelijk. 5Waardering van het bewijs 5.
  5. Bewijswaardering 5.1.
  6. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de woning van de verdachte op 17 april 2013 onrechtmatig was, omdat er op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld jegens hem bestond. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering en moet het bewijsmateriaal dat tijdens die doorzoeking is verkregen, worden uitgesloten van het bewijs. Dit leidt ertoe dat vrijspraak dient te volgen. 5.1.
  7. Beoordeling Uit het proces-verbaal ‘aanvraag doorzoeking’ van 8 april 2013 (30-313928) komt naar voren dat sprake was van een langlopend, grootschalig en drugs gerelateerd onderzoek met meerdere verdachten, waarin de verdachte herhaaldelijk naar voren kwam. Gelet hierop bestonden er ten tijde van de toewijzing van de vordering door de rechter-commissaris en ten tijde van de doorzoeking op 17 april 2013 naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen voor een verdenking jegens de verdachte die een doorzoeking van de woning rechtvaardigden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim en kunnen de bewijsmiddelen die zijn voortgevloeid uit de doorzoeking worden gebezigd voor het bewijs. 5.1.
  8. Conclusie De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 5.
  9. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 17 april 2013 te Rotterdam, een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool Pietro Beretta Gardone VT Cal 7.65 (met bijbehorende geluiddemper) en munitie van categorie III, te weten 6 stuks kogelpatronen, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 6Strafbaarheid feiten Het bewezen feit levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 7Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 8Motivering straf 8.
  10. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 8.
  11. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft een geladen vuurwapen met geluiddemper voorhanden gehad in zijn woning. Het ongecontroleerd bezit van vuurwapens kent geen ander doel dan het toebrengen van ernstige schade aan anderen en/of de maatschappij. Het bezit daarvan brengt onder burgers gevoelens van onveiligheid teweeg en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is algemeen bekend dat vuurwapenbezit niet zelden leidt tot het (ondeskundig) gebruik ervan, met alle ernstige gevolgen voor anderen. Daarbij bestaat een groot risico dat onschuldige omstanders worden getroffen. Bovendien zorgt reeds het enkele bezit van een vuurwapen in de samenleving niet alleen voor gevoelens van angst en onveiligheid, maar wordt dit ook als schokkend ervaren. Gelet op de toename van het vuurwapenbezit en het hoge gevaarzettend karakter daarvan dient daartegen streng te worden opgetreden. 8.
  12. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 8.3.
  13. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 februari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. 8.
  14. Conclusies van de rechtbank Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 17 april 2013 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van bijzondere omstandigheden. Tussen 17 april 2013 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van zes jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van vier jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit verdisconteerd te worden in de op te leggen straf. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het na verloop van zes jaar niet meer opportuun om naast een gevangenisstraf nog een taakstraf op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. 9In beslag genomen voorwerpen 9.
  15. Standpunt officier van justitie en verdediging Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben zich ter terechtzitting niet uitgelaten over de voorwerpen op de beslaglijst. De verdachte heeft tijdens zijn verhoren afstand van die voorwerpen gedaan. 9.
  16. Beoordeling De in beslag genomen goederen, te weten het vuurwapen en de geluiddemper zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 11Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 12Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- verklaart onttrokken aan het verkeer: een pistool, te weten een Beretta mod 70 en een geluiddemper. Dit vonnis is gewezen door: mr. P. Putters, voorzitter, en mrs. R. Brand en W.J.M. Diekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W.A. Sonneveld-de Raad, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. Bijlage I Tekst gewijzigde tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 17 april 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool Pietro Beretta Gardone VT Cal 7.65 (met bijbehorende geluiddemper) en/of munitie van categorie III, te weten 6 stuks kogelpatronen, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.