Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/996532-16 Datum uitspraak: 24 april 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon: [naam verdachte rechtspersoon] , Gevestigd te [vestigingsadres verdachte rechtspersoon] , [vestigingsplaats verdachte rechtspersoon] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door [naam medeverdachte] die blijkens uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel gemachtigd is om de vennootschap in dezen te vertegenwoordigen raadslieden mr. B. Molleman en mr. T. Fuchs, beiden advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 april 2019. 2Tenlastelegging Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd: primair: de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging; subsidiair, voor het geval het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is, bewezenverklaring van het tenlastegelegde met veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 83.000,--. 4Ontvankelijkheid officier van justitie 4.1. Standpunt officier van justitie Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte rechtspersoon, omdat deze inmiddels failliet is verklaard. 4.2. Beoordeling De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie niet. De omstandigheid dat van een verdachte vennootschap het faillissement is uitgesproken, brengt als zodanig niet mee dat aan het openbaar ministerie het recht tot strafvervolging komt te ontvallen. (vgl. HR 20 maart 1990, NJ 1991/8). 4.3. Conclusie De officier van justitie is ontvankelijk. 5Waardering van het bewijs 5.1. Bewijswaardering 5.1.1. Standpunt verdediging Op gronden als nader uiteengezet in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde (medeplegen van) valsheid in geschrift, aangezien niet kan worden bewezen dat er sprake is van een valselijk opgemaakte dan wel vervalste bedrijfsadministratie. 5.1.2. Beoordeling De medeverdachte VOF [naam medeverdachte rechtspersoon 1] heeft in de jaren 2013 tot en met 2016 geiten, schapen en lammeren voor de slacht geleverd aan de verdachte rechtspersoon. Eén van de afnemers van het vlees van de verdachte rechtspersoon was een andere medeverdachte, [naam medeverdachte rechtspersoon 2] (hierna: [naam medeverdachte rechtspersoon 2] ). Medeverdachte [naam medeverdachte] was de enige aandeelhouder en bestuurder van de verdachte rechtspersoon. Hij was ook degene die verantwoordelijk was voor de in- en verkoop van de dieren en het opstallen van de facturen voor zowel [naam medeverdachte rechtspersoon 2] als VOF [naam medeverdachte rechtspersoon 1] . De medeverdachte [naam medeverdachte rechtspersoon 1] had naar eigen zeggen met de verdachte rechtspersoon de afspraak dat zij de facturen zou opstellen van de dieren die hij aan haar verkocht (het zogenoemde selfbilling). Geconfronteerd met facturen die door [naam medeverdachte] over de jaren 2013-2016 zouden zijn opgemaakt, heeft hij tijdens een zijn verhoor bij de FIOD begin juli 2016 verklaard dat de aan hem getoonde facturen uit 2014 (over 2013 zijn hem geen facturen voorgehouden) niet klopten. [naam medeverdachte] heeft in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon (hierna ook [naam verdachte rechtspersoon] ) ter terechtzitting verklaard dat de door hem namens [naam verdachte rechtspersoon] vervaardigde inkoopfacturen (leverancier [naam medeverdachte rechtspersoon 1] ) en verkoopfacturen (afnemer [naam medeverdachte rechtspersoon 2] ) niet volledig waren omdat zowel met [naam medeverdachte rechtspersoon 1] als [naam medeverdachte rechtspersoon 2] nog overeenstemming moest worden bereikt over een gedeelte van respectievelijk de inkoop- en de verkoopprijs. Dit laatste hield verband met de omstandigheid dat ten tijde van de inkoop (bij [naam medeverdachte rechtspersoon 1] ) en/of de verkoop (aan [naam medeverdachte rechtspersoon 2] ) niet altijd al duidelijkheid bestond over de kwaliteit – en dus de prijs – van sommige partijen vlees. Voor die partijen vlees werden door [naam verdachte rechtspersoon] wel al contante voorschotten betaald (aan [naam medeverdachte rechtspersoon 1] ) en ontvangen (van [naam medeverdachte rechtspersoon 2] ). Van deze voorschotten werden geen facturen opgemaakt, maar deze zouden, zo heeft [naam medeverdachte] ter terechtzitting verklaard, later alsnog moeten worden gemaakt, op het moment dat er overeenstemming was bereikt over het uiteindelijke bedrag. Deze verklaring van [naam medeverdachte] vindt geen steun in het dossier. Een dergelijke verrekening is niet teruggevonden in de administratie [naam verdachte rechtspersoon] , ondanks dat het een lange periode betreft, namelijk van medio april 2013 tot en met 2015. [naam medeverdachte] heeft ook zelf ter terechtzitting verklaard dat een dergelijke verrekening nooit heeft plaatsgevonden. Uit onderzoek van facturen uit de administratie van de medeverdachte [naam medeverdachte rechtspersoon 2] enerzijds, en afleverbonnen, notitiebladen, weekoverzichten, pakbonnen en weeglijsten van [naam verdachte rechtspersoon] die kennelijk betrekking hebben op dezelfde leveringen anderzijds volgt dat de hoeveelheid vlees vermeld op die facturen telkens lager is dan de hoeveelheid die is vermeld op één of meer overige op dezelfde levering betrekking hebbende geschriften van [naam verdachte rechtspersoon] . Deze bevindingen (neergelegd in AMB-106) vinden steun in de verklaringen van de getuige [naam getuige] , die heeft bevestigd dat door [naam medeverdachte rechtspersoon 2] vlees zwart werd ingekocht, onder meer bij [naam verdachte rechtspersoon] . Op grond van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat over de jaren 2013 tot en met 2015 in de administratie van [naam verdachte rechtspersoon] in- en verkoopfacturen zijn opgenomen die onjuist c.q. vals waren, omdat op die facturen minder ingekochte dieren en/of verhandelde vleesproducten vermeld stonden dan daadwerkelijk door [naam verdachte rechtspersoon] waren ingekocht en/of (vervolgens) verkocht/geleverd en waardoor (dus) ook te lage bedragen waren . gefactureerd. Het valselijk opmaken van de facturen, dat feitelijk door [naam medeverdachte] werd gedaan, vond plaats binnen de sfeer van de verdachte rechtspersoon en kan om die reden aan haar worden toegerekend. Het standpunt van de verdediging dat het enkele feit dat niet voor alle geleverde dieren en vleesproducten een factuur of creditnota is opgesteld, de opgestelde en in de bedrijfsadministratie opgenomen facturen en creditnota’s niet vals maakt, is onjuist, aldus HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ2772, rov. 3.2. De bedrijfsadministratie van [naam verdachte rechtspersoon] voldeed als gevolg daarvan ook niet aan de eisen gesteld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarin is - kort gezegd - bepaald dat administratieplichtigen, zoals [naam verdachte rechtspersoon] , een zodanige administratie dienen te voeren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen en de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens daaruit duidelijk blijken. Door voornoemde valse facturen te verwerken in de bedrijfsadministratie van [naam verdachte rechtspersoon] is ook deze gedurende (in ieder geval) de periode van 16 april 2013 tot en met 31 december 2015 valselijk opgemaakt, nu als gevolg daarvan in deze bedrijfsadministratie een deel van de omzetten en daarmee gerealiseerde winst van [naam verdachte rechtspersoon] (waarover belasting had moeten worden betaald) niet was terug te vinden. . 5.1.3. Conclusie Dit betekent dat het tenlastegelegde kan worden bewezen. De verweren worden verworpen. 5.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: zij in de periode van 15 april 2013 tot en met tot en met 31 december 2015 te Breukelen en/of Everdingen, gemeente Vianen, en/of 's-Gravenhage, anderen, : haar (bedrijfs)administratie, - zijnde die bedrijfsadministratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt , hebbende dat valselijk opmaken van die (bedrijfs)administratie (telkens) hierin bestaan dat [naam verdachte rechtspersoon] in die (bedrijfs)administratie opzettelijk een of meer na te noemen (kopieën van) valse factu(u)r(en), te weten: - ( inkoop)factu(u)r(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.