Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 18/5677 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser, en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Agentschap Telecom), verweerder, gemachtigden: mr. F. de Jong en mr. R.H. Wieringa. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld van [naam] . Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 14 mei 2019 heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- In geschil is of verweerder eisers bezwaar tegen de brief van 19 april 2018, waarin verweerder eiser heeft medegedeeld dat eisers storingsmelding van 6 april 2018 niet in behandeling wordt genomen, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard bij het bestreden besluit van 27 september
- Nu eiser niet ter zitting is verschenen kan de rechtbank onvoldoende nagaan waarin eisers procesbelang (nog) is gelegen, zodat de rechtbank verweerder niet volgt in het door hem in het verweerschrift ingenomen standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.
- Uit de artikelen 3 en 4 van de Regeling storingsmeldingen volgt dat, indien de storingsmelding in behandeling wordt genomen, een onderzoek wordt verricht en dat naar aanleiding hiervan een rapport van bevindingen wordt opgemaakt. Eisers storingsmelding betreft dus een verzoek aan verweerder om dergelijk onderzoek te verrichten. Het doen van onderzoek en het opmaken van een rapport dient te worden gekwalificeerd als een feitelijke handeling. Eisers storingsmelding betreft dan ook een verzoek aan verweerder om feitelijk te handelen. Het door verweerder niet in behandeling nemen van eisers storingsmelding en het weigeren om onderzoek te verrichten, is dan ook niet gericht op rechtsgevolg. Dit betekent dat de brief van 19 april 2018 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 7:1 van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van de Awb stond dan ook geen bezwaar open tegen de brief van 19 april
- Hieruit volgt dat verweerder eisers bezwaar tegen de brief van 19 april 2018 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard bij het bestreden besluit.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is op 14 mei 2019 in het openbaar gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. P.B. Thiemann, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.