RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 7035568 CV EXPL 18-26947 uitspraak: 18 januari 2019 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiseres] h.o.d.n. [handelsnaam] , woonplaats: Vlaardingen, eiseres, gemachtigde: Smaal Finance Incasso B.V. te Capelle aan den IJssel, tegen 1de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] , statutair gevestigd te Rotterdam, doch feitelijk zonder bekend kantooradres in Nederland en zonder bekend kantooradres elders, gedaagde sub 1, die niet is verschenen, 2. [gedaagde 2] , woonplaats: Rotterdam, gedaagde sub 2, gemachtigde: mr. W.J.G. Schröder. Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ respectievelijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: de exploten van dagvaarding van 28 maart 2018, met producties; de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] ; het tussenvonnis van 1 augustus 2018, waarin een comparitie van partijen is bepaald; de bij brief van 9 oktober 2018 voorafgaand aan de comparitie door [eiseres] in het geding gebrachte producties; het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 17 oktober 2018. 1.2 Gelet op het bepaalde in artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. 1.3 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden. 2De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast. 2.1 [eiseres] als verhuurder en [gedaagde 1] als huurster hebben op 31 mei 2016 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is namens [gedaagde 1] ondertekend door [gedaagde 2] , die ten tijde van ondertekening bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] was. Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW van toepassing. 2.2 De huurovereenkomst is aangegaan voor de initiële duur van zes maanden en partijen zijn overeengekomen dat deze daarna wordt voortgezet voor zes maanden en na afloop van de tweede huurperiode steeds wordt voorgezet voor de duur van drie maanden. 2.3 [gedaagde 2] heeft een onderhandse koopovereenkomst gedateerd 1 april 2017 met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) gesloten ter zake de verkoop van alle aandelen van [gedaagde 1] . 2.4 In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is vermeld dat [gedaagde 2] op 13 juli 2017 is uitgetreden als bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 1] . 2.5 [naam 1] is op 23 november 2017 overleden. Mr. P.R. Dekker, advocaat bij Dekker en Smits advocaten te Rosmalen, is bij beschikking van 1 mei 2018 door de familierechter van deze rechtbank benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van [naam 1] . 2.6 De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde 1] bij brief van 19 februari 2018 tot betaling van de huur gesommeerd. 2.7 Bij brief van 7 maart 2018 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de huurachterstand. 3De vordering 3.1 [eiseres] heeft, na wijziging van eis, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] primair hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 5.302,-- aan huurachterstand berekend tot en met februari 2018 alsook de verschuldigde huur van € 528,99 per maand tot aan de dag dat de huurovereenkomst wordt ontbonden, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de vervaldatum van de respectievelijke facturen; II. subsidiair [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 1.334,58, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de vervaldatum van de respectievelijke facturen; III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 640,10 aan buitengerechtelijke kosten; IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de proceskosten. 3.2 Aan zijn gewijzigde vordering heeft [eiseres] naast de onder 2. vermelde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende ten grondslag gelegd. 3.2.1 Sprake is van een huurachterstand van € 5.302,00, die ziet op de maanden april 2017 en juni 2017 tot en met februari 2018. [gedaagde 1] is als huurder gehouden de huur tijdig te voldoen en is aansprakelijk voor de ontstane huurachterstand. Nu de huurovereenkomst tot op heden niet is ontbonden, loopt de huurachterstand nog steeds door. 3.2.2 Daarnaast is [gedaagde 2] als voormalig bestuurder aansprakelijk voor de ontstane huurachterstand, omdat hij zich niet aan de in artikel 2:9 BW neergelegde verplichting heeft gehouden om zijn taken als bestuurder behoorlijk uit te oefenen. [gedaagde 2] was van 2 juni 2016 tot 13 juli 2017 bestuurder, tevens enig aandeelhouder van [gedaagde 1] . Aan [gedaagde 2] kan als een persoonlijk verwijt worden gemaakt, aangezien hij heeft toegelaten dat [gedaagde 1] haar contractuele verplichtingen (het voldoen van de huur) jegens [eiseres] niet nagekomen is. Het grootste verwijt dat [gedaagde 2] kan worden gemaakt is gelegen in het aangaan van de aandelenovereenkomst met [naam 1] terwijl [gedaagde 1] blijkens de door haar gedeponeerde jaarrekening d.d. 22 mei 2017 een schuldenlast had van ten minste € 56.794,00. [gedaagde 2] heeft nagelaten [eiseres] vooraf te verwittigen van zijn voornemen om [gedaagde 1] te verkopen, terwijl [gedaagde 1] volgens de algemene voorwaarden wel gehouden was eventuele wijzigingen/aanpassingen van de huurovereenkomst te melden. [gedaagde 2] is dus gehouden de schade die [eiseres] heeft geleden te vergoeden, welke schade gelijk is aan het bedrag dat door [gedaagde 1] onbetaald is gelaten ter zake de huurachterstand. 4Het verweer 4.1 [gedaagde 2] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten. 4.2 [gedaagde 2] heeft daartoe -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende aangevoerd. 4.2.1 [eiseres] heeft gecontracteerd met [gedaagde 1] , zodat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de ontstane huurachterstand. Op 1 april 2017 zijn de aandelen in [gedaagde 1] verkocht en geleverd aan [naam 1] . De aandelenoverdracht heeft plaatsgehad ten overstaan van Ligthelm en Dekker notarissen en de inschrijving van de bedrijfsovername in het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Van de verkoop van de onderneming van [gedaagde 1] is aan [eiseres] mondeling mededeling gedaan zowel door [gedaagde 2] als door mevrouw [naam 2] , een vaste medewerker van [gedaagde 1] . [gedaagde 2] heeft vanaf 1 april 2017 geen bemoeienis meer gehad met [gedaagde 1] . De hoedanigheid van voormalig directeur van [gedaagde 1] creëert geen aansprakelijkheid van [gedaagde 2] voor huurschulden van [gedaagde 1] die dateren van na de bedrijfsovername door [naam 1] . In artikel 6 van de koopovereenkomst is bepaald dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor rechtsfeiten die dateren van voor 1 april 2017. Voor rechtsfeiten van na 1 april 2017 is [gedaagde 2] niet meer aansprakelijk, maar zal [eiseres] zich tot (de directie van) [gedaagde 1] moeten wenden. 4.2.2 Betwist wordt dat de verkoop van de onderneming onrechtmatig jegens [eiseres] zou zijn. Van een wijziging of aanpassing van de huurovereenkomst is geen sprake. [gedaagde 1] was voor 1 april 2017 de huurder en is dat na de bedrijfsovername door [naam 1] nog steeds. In de huurverhouding is geen enkele wijziging gekomen. 5De beoordeling Ten aanzien van de vordering jegens [gedaagde 2] 5.1 Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder een hoge drempel geldt. Uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit haar tekortschieten in de nakoming van een verbintenis. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 6:162 BW. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. 5.2 Van een ernstig verwijt dat de bestuurder persoonlijk treft, kan sprake zijn indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.