Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/031593-19 Datum uitspraak: 4 juni 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, raadsman mr. R. Tetteroo, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2019. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd: bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich moet houden aan een meldplicht bij de reclassering en zich ook verder zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, zich zal laten opnemen in een FPA of soortgelijke zorginstelling voor klinische behandeling en (aansluitend) een ambulante behandeling zal volgen bij een forensische polikliniek, een en ander zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 16 mei 2019. 4Bewijs en bewezenverklaring 4.1. Bewijsverweer Standpunt verdediging Ten aanzien van feit 1: De verdachte heeft expres naast de in de tenlastelegging bedoelde jongen geschoten. De verdachte stond op zeer korte afstand van de jongen; als hij hem echt had willen raken dan was dit zeker gelukt. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad om de jongen van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat hij van feit 1 moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2, primair: De verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de (gewelds)handelingen die medeverdachte [naam medeverdachte] heeft gepleegd. Verder is, zoals ten aanzien van feit 1 al is aangevoerd, geen sprake geweest van gericht schieten op de jongen. Bovendien is de verdachte niet dreigend op de jongen afgelopen. Wel heeft hij geprobeerd hem te slaan, maar dit is mislukt. Er was geen gezamenlijk plan om tot geweld over te gaan. Het ging om een toevallige ontmoeting. Gelet op dit alles kan de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging niet worden bewezen, zodat de verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken. Beoordeling Vaststaande feiten Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende: De verdachte was op 2 februari 2019 met medeverdachte [naam medeverdachte] in de hal van metrostation Beurs te Rotterdam. Daar stond een groepje jongens, onder wie het latere slachtoffer. De verdachte is met versnelde pas, en daarmee dreigend, naar de groep jongens toegelopen en heeft het slachtoffer een klap of stomp (een hoek) tegen het lichaam gegeven. Direct daarna heeft [naam medeverdachte] een gevechtshouding aangenomen. Vervolgens heeft de verdachte een pistool gepakt en daarmee twee keer geschoten. Vrijwel meteen daarna heeft [naam medeverdachte] een mes gepakt en deze aan het slachtoffer getoond. Vervolgens zijn de verdachte en het slachtoffer in een gevecht terecht gekomen, waarin zij over en weer hebben geduwd, en elkaar hebben trachtten te slaan. Op dat moment is [naam medeverdachte] naar het slachtoffer toegelopen en heeft hem een schop gegeven. Feit 1 poging doodslag Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte met gestrekte arm zijn pistool, terwijl het doorgeladen was, op het slachtoffer heeft gericht en vervolgens twee keer in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer heeft geschoten. Op het moment dat de verdachte schoot, bevond hij zich op zeer korte afstand, tussen de 2 en 3 meter, van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte - naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien – zozeer zijn gericht op het doodschieten van het slachtoffer dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte het opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven. De verklaring van de verdachte dat hij expres mis heeft geschoten levert geen aanwijzingen op het voor het tegendeel in vorenbedoelde zin, nu deze verklaring geen enkele steun vindt in de stukken en het verdere onderzoek op de terechtzitting. Het feit dat de verdachte het slachtoffer niet heeft geraakt is naar alle waarschijnlijkheid veeleer een gevolg van de omstandigheid dat zowel de verdachte als het slachtoffer bewogen op het moment dat de verdachte schoot. De rechtbank verwerpt daarom het verweer dat de verdachte niet gericht heeft geschoten en hij daarom geen opzet had op het doden van het slachtoffer. Feit 2 openlijke geweldpleging Uit de hiervoor opgenomen vaststaande feiten volgt dat de verdachte de aanval op het slachtoffer is begonnen door dreigend op hem af te lopen en hem een zgn. hoek te geven. Het op dit punt gevoerde verweer dat een en ander niet heeft plaatsgevonden vindt dus zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Verder blijkt dat [naam medeverdachte] daarna ook geweld is gaan gebruiken tegen het slachtoffer en zich aldus bij de verdachte heeft gevoegd. Gelet hierop en op het feit dat de geweldshandelingen in een tijdsbestek van slechts enkele seconden hebben plaatsgevonden en voorts dat de verdachte en [naam medeverdachte] bij elk van de door hen verrichte handelingen steeds vlakbij elkaar stonden, ziet de rechtbank deze opeenvolgende handelingen als onlosmakelijk met elkaar verbonden en daarom als één geheel. De verdachte heeft net als [naam medeverdachte] een significante bijdrage geleverd aan dit geweld en ook het opzet gehad het slachtoffer tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte] geweld aan te doen. Daarom is de verdachte evenals [naam medeverdachte] strafrechtelijk verantwoordelijk voor alle hiervoor vermelde (gewelds)handelingen, waaronder het gebruik door [naam medeverdachte] van het mes. Dat zij vooraf geen plan hadden gemaakt of met elkaar hierover hebben gesproken doet hier niet aan af. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat de verdachte niet verantwoordelijk is voor de geweldshandelingen die [naam medeverdachte] heeft verricht. Feit 3 voorhanden hebben vuurwapen Het onder 3 ten laste gelegde feit is door de verdachte bekend. Dit feit zal daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.2. Bewijsmiddelen en bewezenverklaring In bijlage II is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 hij op 2 februari 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een tot op heden onbekend gebleven persoon opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, met een vuurwapen in de richting van die onbekend gebleven persoon heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 hij op 2 februari 2019 te Rotterdam openlijk, te weten op het metrostation Beurs, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een tot op heden onbekend gebleven persoon door - dreigend op die persoon af te lopen, en- een gevechtshouding aan te nemen, en - die persoon tegen het lichaam te slaan/stompen, en - met een vuurwapen meermalen te schieten in de richting van die persoon, en - een mes, aan die persoon te tonen, en - die persoon tegen het lichaam te schoppen; 3 hij in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 3 februari 2019 een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die Wet in de vorm van een (semi-automatisch) pistool voorhanden heeft gehad; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: 1 poging tot doodslag; 2 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen; 3 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III van die wet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in de hal van metrostation Beurs te Rotterdam meermalen met een pistool, dat hij meegenomen had naar de stad, op een jongen geschoten. Dit deed hij naar zijn zeggen omdat hij eerder zou zijn mishandeld door die jongen. Voorts heeft de verdachte samen met zijn mededader deze jongen geslagen en geschopt. De hal van metrostation Beurs is een drukbezochte plek waar ook op het moment rond het schietincident meerdere reizigers aanwezig waren. Dat de jongen op wie de verdachte schoot niet is geraakt en dat er ook geen andere slachtoffers zijn gevallen, is niet aan het handelen van de verdachte te danken, maar puur geluk. De mensen die getuigen waren zijn wel erg geschrokken van de schoten en het geweld dat plaatsvond. Behalve voor deze getuigen brengt dit soort strafbare feiten ook gevoelens van angst en onveiligheid te weeg bij anderen in de samenleving. Hoewel het slachtoffer onbekend is gebleven, kan het niet anders dan dat ook hij enorm is geschrokken van het geweld dat de verdachte en de medeverdachte tegen hem hebben gebruikt. De omstandigheid dat de verdachte eerder zou zijn mishandeld door de jongen op wie hij schoot, rechtvaardigt zijn handelen geenszins. Dit soort vormen van eigen richting is volstrekt ontoelaatbaar. Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 april 2019 blijkt dat de verdachte eerder, zij het meer dan 5 jaar geleden, is veroordeeld voor strafbare feiten die gepaard gingen met geweld. Psychiaters dr. A. Banaei Kashani en dr. B.G. Brusse hebben een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 april 2019. Dit rapport houdt het volgende in. Ten tijde van het tenlastegelegde was bij de verdachte sprake van een licht verstandelijke beperking, een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (AD(H)D), overwegend onoplettend beeld, en een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis. Tot slot was bij de verdachte sprake van trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De rapporteurs adviseren daarom om hem het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Ten aanzien van de strafoplegging geven de rapporteurs de rechtbank in overweging bij een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.