Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/960168-13(ontneming onderzoek ARMOR) Datum uitspraak: 2 mei 2019 Tegenspraak VONNIS Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde: [naam veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] , raadsman mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart
(18x)zodat voor de serverkosten een post van: (21+18) x € 50,- = € 1.950,- is berekend. Kosten van derden Het is aan de veroordeelde om (de hoogte van) deze kosten aannemelijk te maken. De verdediging is daarin niet geslaagd, omdat onduidelijk is waar het percentage van 10-15% dat door de verdediging is genoemd, op is gebaseerd. Kosten in verband met een reis naar Thailand Enkel de kosten die in directe relatie staan tot de strafbare feiten, kunnen als kosten in aftrek worden genomen. Nu de verdediging niet heeft onderbouwd waar de reis naar Thailand in het kader van het TorRAT-csv voor heeft gediend, kan niet worden geconcludeerd dat deze kosten in directe relatie stonden tot de strafbare feiten, zodat deze kosten ad € 6.060,- buiten beschouwing worden gelaten. Toegekende vordering benadeelde partij ING Artikel 36e, negende lid (achtste lid oud), Sr houdt sinds 1 januari 2014 in, dat bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht voor zover die zijn voldaan. Tot 1 januari 2014 stond de eis van het voldaan zijn van de vorderingen niet in de wet en over die oude regeling oordeelde de Hoge Raad dat de omstandigheid dat niet is gebleken dat de betrokkene de kosten heeft voldaan, geen reden is om toegekende vorderingen niet in mindering te brengen. In deze zaak zijn de feiten die ten grondslag liggen aan de ontnemingsvordering gepleegd vóór 1 januari 2014, zodat artikel 36e, achtste lid (oud), Sr van toepassing is, tenzij de nieuwe bepaling voor de veroordeelde gunstiger is. Nu de rechtbank niet is gebleken dat de nieuwe bepaling in dit geval voor de veroordeelde gunstiger is, acht de rechtbank in deze zaak de oude bepaling van artikel 36e, achtste lid, Sr van toepassing. Dit brengt met zich dat de rechtbank aanleiding ziet om het bij haar vonnis van 20 juli 2016 toegewezen bedrag aan ING als benadeelde partij ad € 105.491,42 in mindering te brengen op het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel. Conclusie Gezien het vorenstaande kan het door de veroordeelde in de periode van 4 mei 2012 tot en met 21 oktober 2013geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel naar het oordeel van de rechtbank als volgt worden berekend: Voordeel uit bewezenverklaarde strafbare feiten € 254.759,46 Kosten money mules 13.300,00 - Kosten servers 1.950,00 - Toegekende vordering ING 105.491,42 - Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 134.018,04 Het door de veroordeelde behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt 1/7 dus € 19.145,43 afgerond € 19.145,-. VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG Overschrijding van de redelijke termijn Standpunt verdediging De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met meer dan 12 maanden is overschreden en dat deze overschrijding moet leiden tot vermindering van het vast te stellen ontnemingsbedrag met 10%, zonder deze vermindering te beperken tot € 5.000,-. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. In het algemeen zal als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden: het in artikel 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv is ingesteld, of het moment waarop de in artikel 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de veroordeelde en/of zijn raadsman op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid alsmede de termijn als bedoeld in artikel 511b, eerste lid, Sv waarbinnen de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn in casu een aanvang heeft genomen op het moment waarop de officier van justitie het voornemen om een ontnemingsvordering in te dienen heeft aangekondigd. Deze aankondiging is gedaan ter terechtzitting van 30 januari
- Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met ruim drie jaar is overschreden en dat deze overschrijding matiging van het vast te stellen ontnemingsbedrag met € 5.000,- tot gevolg moet hebben. Bepaald zal worden dat na te noemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald. Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 19.145,- (zegge: negentienduizend honderdvijfenveertig euro); - legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 14.145,- (zegge: veertienduizend honderdvijfenveertig euro). Dit vonnis is gewezen door: mr. D.C.J. Peeck, voorzitter, en mrs. B.A. Cnossen en J.M.L. Mulbregt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 mei
- De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Voordeel uit bewezenverklaarde strafbare feiten € 254.759,46 + voordeel uit andere strafbare feiten € 309.651,24 = € 564.410,70 verminderd met € 1.950,00 kosten servers en € 13.300,00 kosten money mules = € 549.160,70 gedeeld door 7 veroordeelden = € 78.451,
- Bijlage 9 - [proces-verbaalnummer 1] Ontvangst emails via twitter (MAP O.03, pagina 853 e.v.). De ‘potentiële schade’ is gebaseerd op de TorRAT-afschrijvingen van rekeninghouders (slachtoffers) en die daarvoor door de betreffende bank zijn gecompenseerd. Deze frauduleuze gelden zijn vervolgens veelal weggesluisd naar bankrekeningen van money mules die (indirect) onder controle stonden van de TorRAT-dadergroepering. Soms konden deze money mule rekeningen door de betreffende bank worden geblokkeerd voordat de TorRAT-gelden door de money mules konden worden opgenomen of op andere wijze buiten het bancaire systeem konden worden gebracht De feitelijke schade bestaat zodoende uit de potentiële schade minus de bedragen die konden worden veiliggesteld. Een ander geschrift, te weten een aanvullende verklaring inzake Torrat van [naam 1] . namens Rabobank Group. d.d. 22 oktober 2013, pagina 517 e.v., voor zover inhoudende: “(…) De totale potentiële schade betreft daarmee € 322.121,
- De totale feitelijke schade tot op heden bedraagt € 166.227,25.” Een ander geschrift, te weten een schriftelijke aangifte van [naam 2] namens ING Bank Nederland N.V. d.d. 21 november 2012, pagina 2 e.v., voor zover inhoudende: “Het TorRAT virus heeft ING voor zover op dit moment bekend een schade toegebracht van € 105.491,42.” De vier bedragen zijn ontleend aan cumulatie van overboekingen zoals opgenomen in de ‘Transactielijst bewezenverklaarde strafbare feiten’, welke lijst door de officier van justitie bij conclusie van eis is overgelegd. Deze lijst is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, uitgesproken op 20 juli 2016, paragraaf 4.6., pagina 14 onder ‘Pleegplaats’. Map 24, [proces-verbaalnummer 2] , pagina
- Map 31, [proces-verbaalnummer 3] , pagina
- Map 31, [proces-verbaalnummer 4] , pagina
- Map 31, [proces-verbaalnummer 5] , pagina
- Map 31, [proces-verbaalnummer 6] , pagina
- 1e verhoor [naam money mule 7] , Map 29, [proces-verbaalnummer 7] , pagina
- Map 29, [proces-verbaalnummer 8] , pagina
- 3e verhoor [naam money mule 7] , Map 29, [proces-verbaalnummer 7] , pagina
- 3e verhoor [naam money mule 7] , Map 29, [proces-verbaalnummer 7] , pagina
- Map 30, [proces-verbaalnummer 9] , pagina
- Map 23, [proces-verbaalnummer 10] , pagina
- ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e, tweede lid, Sr’, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant] , gedateerd 18 juni 2018 (hierna: het rapport). Het rapport vermeldt in bijlage 7.7 de wettige bewijsmiddelen waarop deze kosten zijn gebaseerd. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:BV9087, zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken, maar volstaan met het vermelden van de conclusie in paragraaf 4.3.3, op pagina 19, ten aanzien van dit onderdeel van het rapport. Zie Hoge Raad 4 november 2014, NJ 2014/516.