RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 6794853 CV EXPL 18-12118 Uitspraak: 12 juli 2019 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser] , hierna: ‘ [eiser] ’, wonende te [woonplaats eiser] , eiser bij exploot van dagvaarding van 28 maart 2018, gemachtigde: mr. C.L. Berkel te Veenendaal, tegen [gedaagde] , hierna: ‘ [gedaagde] ’, wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, gemachtigde: mr. K. el Joghrafi te Rotterdam. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken: de dagvaarding, met producties; de conclusie van antwoord; het vonnis van 13 juni 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; de brief van 4 juli 2018 van de gemachtigde van [eiser] , met producties; het proces-verbaal van de op 10 september 2018 gehouden comparitie van partijen; de brief van 5 oktober 2018 van de gemachtigde van [eiser] , met producties; het proces-verbaal van de op 17 oktober 2018 gehouden comparitie van partijen; de conclusie van [eiser] , met producties; de antwoordconclusie van [gedaagde] , met productie; de rolbeslissing van 8 februari 2019; de akte van [eiser] ; de rolbeslissing van 1 maart 2019; de brief van 5 maart 2019 van de gemachtigde van [eiser] ; het vonnis van 20 maart 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; het proces-verbaal van de op 2 mei 2019 gehouden comparitie van partijen. 1.2 De datum van dit vonnis is door de kantonrechter (nader) bepaald op heden. 2De vaststaande feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld danwel blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend of niet (voldoende) gemotiveerd zijn betwist: 2.1 Blijkens de door [eiser] als productie 1 bij dagvaarding overgelegde notariële akte heeft op 21 april 2015 de levering aan [eiser] en [gedaagde] plaatsgehad van een aan hen gezamenlijk tegen een prijs van 69.300 Surinaamse dollar verkochte kavel, groot 750 m2, gelegen ten oosten van de [plaats] in het district Wanica, Suriname, één en ander als nader omschreven in bedoelde akte (hierna: ‘de Kavel’). 2.2 Aan een schriftelijke verklaring (productie 17 van [eiser] ) van mevrouw [naam 1] wordt het volgende ontleend: “Ik wil een verklaring afleggen over wat er in de zakelijke relatie tussen de heer [eiser] in relatie tot mevrouw [gedaagde] heeft plaatsgevonden. Ik ken beiden vanaf 2014. Ik ben in 2015 naar Suriname verhuisd en heb daar samen met mijn dochter bij mevrouw [gedaagde] ingewoond. Daarna ben ik daar de buurvrouw van mevrouw [gedaagde] geworden. In 2015 is tussen de heer [eiser] en mevrouw [gedaagde] en ondergetekende het plan opgevat om vanuit Suriname een administratiekantoor op te starten. (…) Vervolgens hebben we daarnaast het idee opgevat om vanuit Nederland 2de hands goederen in te voeren in Suriname. Mevrouw [gedaagde] zou de site van Markplaats.nl benaderen om daar goederen aan te wijzen voor de handel. De heer [eiser] , die in Nederland verbleef, zou er voor zorg dragen dat die spullen betaald en verzonden zouden worden. Daarvoor werd de heer [eiser] ook een container aangeschaft. En zo geschiedde. Er is een eerste container met aangekochte inhoud vanuit Marktplaats door de heer [eiser] verzameld en in zijn opdracht is de lading ingepakt en verstuurd naar Suriname. Daar is de container bij mevrouw [gedaagde] op het erf geplaatst met de bedoeling daar de goederen op te slaan en via internet in Suriname aan te bieden. Mevrouw [gedaagde] heeft de container met goederen ontvangen en in plaats van de verkopen te verantwoorden in de op te zetten administratie heeft mevrouw [gedaagde] deze goederen zelf verkocht en de opbrengstwaarde heeft zij niet verantwoord maar kennelijk in eigen zak gehouden. (…) Mevrouw [gedaagde] heeft tot op heden zich niet gehouden aan het verstrekken van inzage in de door haar verrichte verkopen. Ook de container was van de een op de andere dag zomaar verdwenen. (…)”. 3Het geschil 3.1 [eiser] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan de overdracht aan [eiser] van haar eigendomsdeel met betrekking tot de Kavel, onder de verplichting van [eiser] om dan aan [gedaagde] te betalen danwel met haar te verrekenen een bedrag van € 4.500,-, en wel door een bevoegd notaris van het kantoor Notariaat Alexander te Paramaribo een volmacht te verstrekken om deze overdracht van haar deel aan [eiser] uit te voeren en in stand te houden, bij gebreke waarvan de kantonrechter dan dient te bepalen dat het ten deze uit te spreken vonnis in de plaats wordt gesteld van de wil van [gedaagde] en dat dan dit vonnis door de notaris kan worden gebruikt om het aandeel van [gedaagde] in het betreffende register te doen overschrijven op naam van [eiser] , [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.500,- danwel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, welk bedrag verrekend kan worden met het door haar van [eiser] te ontvangen bedrag als hiervoor onder a bedoeld, waarbij [eiser] zich dan bereid verklaart akkoord te gaan met een renteloze aflossingsregeling van € 300,- per maand over een periode van 60 maanden danwel zoveel meer als [gedaagde] per maand zou willen en kan voldoen, en [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 955,- aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. 3.2 Ter toelichting op het gevorderde heeft [eiser] bij dagvaarding -samengevat en voor zover thans van belang- het volgende aangevoerd. In het kader van de destijds tussen partijen bestaande affectieve relatie heeft [eiser] de Kavel aangekocht en de daaraan verbonden kosten -courtage en overschrijfkosten- voldaan. Het gaat om een totaalbedrag van, omgerekend, € 14.000,-. Indertijd heeft hij [gedaagde] voor 50% mede-eigenaar van de Kavel gemaakt. Tot op heden heeft zij de tegenwaarde van haar aandeel in deze beperkte gemeenschap echter niet voldaan. Nu de affectieve relatie tussen partijen in 2016 door [gedaagde] beëindigd werd, heeft [eiser] er thans recht en belang bij dat [gedaagde] haar aandeel in de Kavel aan hem overdraagt, waarbij haar dan nog een bedrag van € 4.500,- toekomt. De waarde van de Kavel is thans namelijk € 23.000,-, waarop de door [eiser] betaalde koopprijs van € 10.000,- en de door hem betaalde courtage en overschrijfkosten, tezamen € 4.000,-, in mindering strekken, zodat € 9.000,- aan overwaarde tussen partijen te verdelen resteert, derhalve ieder € 4.500,-. Daarnaast is het zo dat [eiser] goederen ten behoeve van [gedaagde] heeft aangekocht, die hij per container aan haar heeft doen toekomen. Deze goederen inclusief de container, die een (tegen)waarde van € 22.500,- vertegenwoordigen, zijn ook door [gedaagde] ontvangen. Bij het einde van de affectieve relatie tussen partijen is [gedaagde] echter niet tot verdeling van deze goederen overgegaan maar heeft zij deze voor zichzelf gehouden danwel verkocht zonder de opbrengst daarvan jegens [eiser] te verantwoorden. Zij dient [eiser] derhalve nog genoemd bedrag van € 22.500,- te vergoeden. De (voormalige) gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] een aantal keer aangeschreven met betrekking tot onderhavige kwestie en haar verzocht om openheid van zaken te geven, mee te werken aan de verdeling van de gemeenschap en om tot betaling van het door haar verschuldigde over te gaan, maar daarop heeft [gedaagde] niet gereageerd. Vanwege deze buitengerechtelijke werkzaamheden maakt [eiser] jegens [gedaagde] aanspraak op een bedrag van € 955,- aan buitengerechtelijke kosten. 3.3 [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord gemotiveerd verweer gevoerd, dat zich -ook voor zover nu van belang- als volgt laat samenvatten. Het klopt dat [eiser] haar voor de helft mede-eigenaar van de Kavel heeft gemaakt. Of met de aanschaf daarvan een bedrag van € 14.000,- was gemoeid, kan [gedaagde] , bij gebrek aan kennis en bewijs, niet bevestigen. Bovenal betwist zij dat zij gehouden kan worden de helft van de kosten voor haar rekening te nemen. [eiser] heeft haar de mede-eigendom van de Kavel namelijk, bij wege van cadeau, geschonken. Indien hij vóór de aanschaf van de Kavel haar had duidelijk gemaakt dat [gedaagde] de helft van de koopprijs en aanverwante kosten zou moeten dragen, had zij daaraan niet meegewerkt, nu zij de financiële middelen niet had noch heeft om dit te financieren. Voorts betwist [gedaagde] , bij gebrek aan bewijs, dat de huidige waarde van de Kavel € 23.000,- zou bedragen. Voor wat betreft de vordering in verband met de goederen stelt [gedaagde] voorop dat het [eiser] zelf geweest is die besloten heeft goederen bestemd voor gebruik door partijen te vervoeren naar Suriname, waar hij de relatie met [gedaagde] wilde uitoefenen. De betrokken uitgaven zijn door [eiser] gedaan in het kader van hun affectieve relatie, maar van een afspraak met [gedaagde] dat zij hem de helft daarvan zou vergoeden, is geen sprake. Voor zover er na de beëindiging van de affectieve relatie tussen partijen nog goederen in het bezit van [gedaagde] zijn geweest, hetgeen zij betwist, meent zij dat sprake was van een schenking. De door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten dienen volgens [gedaagde] reeds te worden afgewezen omdat zij nimmer een zogeheten 14-dagen-brief heeft ontvangen, terwijl de hoogte daarvan, bij slechts twee brieven, haar bovendien onredelijk voorkomt. 3.4 Op hetgeen partijen overigens in deze procedure naar voren hebben gebracht, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst, teruggekomen. 4De beoordeling 4.1 Vooropgesteld wordt dat de gemachtigde van [eiser] bij de onder 1.1 genoemde akte mede namens de gemachtigde van [gedaagde] heeft verklaard het onderhavige geschil onder toepassing van artikel 96 Rv door de kantonrechter te willen laten beslissen, zij het onder voorbehoud van het recht om hoger beroep in te stellen. Daarmee is de bevoegdheid van de kantonrechter deze zaak te behandelen en te beslissen gegeven. 4.2 Meer inhoudelijk is uitgangspunt dat op de voet van artikel 3:178 lid 1 BW ieder der deelgenoten de verdeling van een gemeenschappelijk goed, in dit geval de Kavel, kan vorderen. [eiser] heeft een dergelijke vordering ingesteld, in die zin dat hij voorstaat dat [gedaagde] haar eigendomsdeel van de Kavel aan hem overdraagt tegen betaling door hem aan haar (al dan niet middels verrekening) van een bedrag van € 4.500,-. Dit is dan, zo heeft [eiser] voorgerekend, de helft van het bedrag dat resteert na aftrek van de door hem betaalde koopprijs van € 10.000,- en aanverwante kosten van € 4.000,- van de huidige waarde van de Kavel, die volgens hem € 23.000,- bedraagt. 4.3 Deze vordering kan niet worden toegewezen. Daartoe is enerzijds van belang dat [eiser] ondanks het ter zake door [gedaagde] gevoerde verweer, verzuimd heeft de door hem genoemde bedragen behoorlijk te onderbouwen. Zo heeft hij in de dagvaarding wel gesteld dat de huidige waarde van de Kavel € 23.000,- bedraagt maar iedere onderbouwing daarvan ontbreekt. In dat verband heeft [eiser] in zijn conclusie van 19 december 2018 gesteld dat hij al opdracht had gegeven een taxatierapport met betrekking tot de Kavel op te stellen en dat hij dit, zodra dit in zijn bezit is, in het geding zou brengen, maar dat heeft hij tot nog toe niet gedaan. Ter comparitie van 2 mei 2019 heeft [eiser] ter zake gesteld dat hij nog steeds in afwachting is van het taxatierapport en dat tot die tijd de waarde die de Kavel vertegenwoordigt, niet bekend is, maar, hoewel dat hier toch van hem mocht worden verlangd, daarbij is door hem in het geheel niet duidelijk gemaakt dat en waarom het verkrijgen van dat rapport zo lang, tenminste een half jaar, zou moeten duren. Bovendien is geheel onduidelijk gebleven hoe deze mededeling van [eiser] zich verhoudt met de in de dagvaarding ingenomen stelling dat de huidige waarde van de Kavel € 23.000,- bedraagt. 4.4 Daarnaast ontbreekt, ondanks het door [gedaagde] ter zake gevoerde verweer, iedere onderbouwing van de door [eiser] gestelde kosten van € 4.000,- die hij zou hebben gemaakt in het kader van de aanschaf van de Kavel en is zelfs niet duidelijk of uitgegaan kan worden van een koopprijs van € 10.000,-. In de notariële akte is de koopprijs immers in Surinaamse dollars uitgedrukt en, hoewel dat hier eveneens op de weg van [eiser] zou hebben gelegen, heeft hij nagelaten behoorlijk toe te lichten waarom in het kader van de verdeling een bedrag van 69.300 Surinaamse dollar gelijk gesteld zou moeten en kunnen worden aan een bedrag van € 10.000,-. In dat verband heeft de gemachtigde van [gedaagde] er ter comparitie van partijen van 2 mei 2019 ook op gewezen dat zij, uitgaande van de koers van 17 oktober 2018 (de datum van de eerdere comparitie van partijen), uitkomt op een bedrag van € 8.049,67. 4.5 Anderzijds is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] het verweer van [gedaagde] dat hij haar de mede-eigendom van de Kavel destijds heeft geschonken, onvoldoende heeft weersproken. Overwogen wordt dat dit verweer goed past bij de door [eiser] onbetwiste stelling van [gedaagde] dat zij de middelen had noch heeft om een dergelijke aanschaf te financieren en ook overigens bij de door [eiser] in de dagvaarding gekozen bewoordingen ter zake dat hij [gedaagde] “mede-eigenaar heeft gemaakt”. Dit duidt er immers op dat sprake was van een financieel ongelijkwaardige situatie en valt goed te rijmen met het verweer van [gedaagde] dat de mede-eigendom van de Kavel haar door [eiser] cadeau is gedaan en dat zij in de ter zake door [eiser] gemaakte kosten (dus) niet is gekend. 4.6 Tegen de achtergrond van dit alles mocht naar het oordeel van de kantonrechter van [eiser] een deugdelijke (nadere) toelichting worden verwacht ten aanzien van hetgeen destijds tussen partijen is besproken en eventueel afgesproken omtrent de aanschaf van de Kavel, de (betaling van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.