← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2019:5432

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/125756-18 Datum uitspraak: 4 juli 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Alphen aan den Rijn (locatie Eikenlaan), raadsman mr. W.H.J.W. de Brouwer, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni

  1. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel; opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. 4Waardering van het bewijs 4.
  2. Vrijspraak 4.1.
  3. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. De uitlatingen van de verdachte in combinatie met het tonen van het mes en de overige omstandigheden van het geval leveren een bedreiging op in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. De verklaring van de verdachte dat hij met zijn uitlatingen enkel doelde op het uitoefenen van geweld op zichzelf maakt niet dat uit het gehele feitencomplex bij anderen niet de redelijke vrees kon ontstaan dat de agressie zich (ook) op hen zou richten. 4.1.
  4. Beoordeling De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, zijn verklaring bij de politie, verschillende getuigenverklaringen en het proces-verbaal uitkijken camerabeelden valt te herleiden dat de verdachte op 26 juni 2018 het stadhuis van Rotterdam is binnengestapt, een mes uit de binnenzak van zijn jas heeft gehaald en dit heeft getoond en heeft gezegd dat hij iemand wilde spreken, desnoods Aboutaleb, en als dat niet zou gebeuren dat er dan ongelukken zouden gebeuren. Hierbij heeft de verdachte met het mes een snijbeweging gemaakt op zijn arm en vervolgens heeft hij het mes de meeste tijd langs zijn lichaam met de punt naar de grond gericht gehouden. Toen de verdachte werd gezegd dat de klachtencoördinator alleen met hem wilde praten zonder een mes, heeft de verdachte het mes (met het lemmet naar zichzelf gericht) overhandigd aan een baliemedewerker. Verschillende medewerkers van de gemeente die een getuigenverklaring hebben afgelegd, hebben verklaard weliswaar geschrokken te zijn geweest van de situatie of op hun hoede te zijn geweest voor de verdachte, maar geen van hen heeft verklaard zich persoonlijk bedreigd te hebben gevoeld. Sommige getuigen hebben verklaard de uitlatingen van de verdachte juist te hebben opgevat als een vorm van frustratie en een schreeuw om hulp en niet als een aankondiging dat hij daadwerkelijk een ander dan zichzelf geweld aan zou willen doen. De verdachte heeft verklaard dat hij met zijn gedrag wilde bereiken dat hij de juiste hulp zou krijgen bij de diverse problemen die hij met de gemeente heeft. Het mes was bedoeld om zijn woorden kracht bij te zetten, waarbij zijn uitlatingen en gedragingen met het mes niet agressief waren naar anderen, wel naar hemzelf. Van een bedreiging in strafrechtelijke zin is naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad pas sprake indien de bedreiging onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd. Deze redelijke vrees – die geobjectiveerd van aard is en dus niet enkel wordt bepaald door de al dan niet bij de omstanders aanwezige angstgevoelens – kan in de onderhavige zaak niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld. De uitlatingen van de verdachte terwijl hij een mes in de hand had, in de context waarin zij zijn gedaan, moeten worden beschouwd als uitingen van onmacht en frustratie die bij de omstanders niet de redelijke vrees hebben kunnen doen ontstaan dat zij door het toedoen van de verdachte het leven zouden verliezen, dan wel slachtoffer zouden worden van een zware mishandeling. De rechtbank wil er geen misverstand over laten bestaan dat de manier waarop de verdachte zijn problemen aan de kaak wilde stellen niet door de beugel kan vanuit het oogpunt van fatsoen, maar naar het oordeel van de rechtbank kon in deze context bij de omstanders niet een zodanige vrees worden opgewekt dat van een bedreiging in de van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht gesproken kan worden. 4.1.
  5. Conclusie Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 5Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 6Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst. Dit vonnis is gewezen door: mr. M.V. Scheffers, voorzitter, en mrs. G.A. Bouter-Rijksen en C.G.E. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Kokken, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juli
  6. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 26 juni 2018 te Rotterdameen of meer medewerker(s) van het Stadhuis te Rotterdam en/of een ofmeer personen die aanwezig waren in het Stadhuis te Rotterdam heeftbedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door in het stadhuis een mes uit zijn kleding te pakken en/of vervolgensdat mes te tonen en/of voor te houden en daarbij de woorden toe tevoegen: "ik wil de burgemeester spreken anders gaan er ongelukkengebeuren" en/of "ik wil nu iemand spreken - ik wil Aboutaleb spreken",althans woorden van gelijke aard en/of strekking; (art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.