Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/660531-17 Datum uitspraak: 22 mei 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 mei 2019. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij door middel van het ontvangen van huurpenningen voor door hem verhuurde woningen meerdere geldbedragen waarvan hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, heeft witgewassen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd: vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde; in het geval van een bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde voor de gehele ten laste gelegde periode: veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest; in het geval van een bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde voor de periode vanaf 9 mei 2016: veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest; 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering ten aanzien van het impliciet subsidiair ten laste gelegde 4.2.1. Standpunt verdediging/officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte in de op de tenlastelegging genoemde zaken voor verscheidene panden contante betalingen ontvangen voor de huur. Daarnaast beschikt de verdachte niet of slechts zeer summier over (contact)gegevens van de huurders omdat hij van deze huurders geen (of geen geldig) legitimatiebewijs heeft, niet beschikt over een getekende huurovereenkomst, geen bewijs van inkomsten of ingezetenschap van de huurder heeft en in vrijwel alle gevallen de huurtermijnen en/of de vereiste borg contact is betaald. In de betreffende panden zijn drugs, wapens en/of geld aangetroffen. Tot slot heeft de officier van justitie gewezen op de FIU-melding, waaruit blijkt dat op de zakelijke rekening van de verdachte in drie jaar tijd een bedrag van ruim 1,3 miljoen euro contant wordt gestort, vaak ook in coupures van 500 euro. Op 9 mei 2016 is de verdachte tijdens een politieverhoor gewezen op het risico dat het contante geld dat hij ontvangt aan huur uit misdrijf afkomstig is. Ondanks deze waarschuwing is de verdachte contante betalingen blijven accepteren en heeft hij de controle van de identiteit en herkomst van de inkomsten van de huurders niet aangescherpt. Dit handelen leidt volgens de officier van justitie tot de conclusie dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat de ontvangen huurpenningen afkomstig waren uit enig misdrijf (schuldwitwassen). De verdediging heeft (ook) vrijspraak bepleit van het impliciet subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft met klem ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbaar feit. Om zijn onschuld te kunnen bewijzen, heeft de verdediging betoogd dat een aantal getuigen dienen te worden gehoord. Dit betreffen de huurders van de betreffende panden, die allen zouden kunnen verklaren over de herkomst van de huurpenningen. Mocht de rechtbank niet overgaan tot het horen van de getuigen, is de verdediging van mening dat de verdachte dient te worden vrijgesproken in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hierbij heeft de verdediging onder andere gewezen op het feit dat contante betaling een geldig betaalmiddel betreft. Na de waarschuwing van de politie op 9 mei 2016 heeft de verdachte wel degelijk zijn bedrijfsvoering anders ingericht. Er is slechts sprake van onderbuikgevoelens, wat niet tot een veroordeling van het ten laste gelegde kan leiden. 4.2.2. Beoordeling De rechtbank is gelet op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien van oordeel dat het ten laste gelegde gedeeltelijk wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De rechtbank stelt allereerst het volgende vast. De verdachte is de verhuurder van de panden aan de [adres delict 1] , de [adres delict 2] , de [adres delict 3] en de [adres delict 4] te Rotterdam en de panden aan de [adres delict 5] , de [adres delict 6] en de [adres delict 7] te Capelle aan den IJssel. In al deze panden zijn in de ten laste gelegde periode (grote) hoeveelheden verdovende middelen, aan verdovende middelen gerelateerde voorwerpen, bedragen contant geld, hennepplantages en/of wapens aangetroffen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat de huurders/gebruikers van die panden zich bezig hielden met onder meer de handel in verdovende middelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in verdovende middelen inkomsten in de vorm van contant geld worden gegenereerd. Gelet op die omstandigheden is het aannemelijk om te stellen dat een legale bron van inkomsten van de zijde van de huurders/gebruikers ontbrak, zodat de huurpenningen met betrekking tot die panden van misdrijf afkomstig zijn geweest. Dit geldt wat de rechtbank betreft voor de genoemde panden aan de [adres delict 1] , de [adres delict 2] , de [adres delict 3] , de [adres delict 6] en de [adres delict 7] , nu in die panden verdovende middelen, aan de handel daarin gerelateerde voorwerpen en/of wapens zijn aangetroffen. Voor wat betreft de panden aan de [adres delict 5] te Capelle aan den IJssel en de [adres delict 4] te Rotterdam komt de rechtbank niet tot die vaststelling. Daarbij valt naar het oordeel van de rechtbank gelet op het verhandelde ter terechtzitting niet uit te sluiten dat een ander dan de verdachte verantwoordelijk was voor het pand aan de [adres delict 4] . Voor wat betreft de [adres delict 5] geldt dat het enkel aantreffen van verborgen wapens daarvoor onvoldoende is. De verdachte dient van het witwassen van huurpenningen die op deze panden betrekking hebben dan ook partieel te worden vrijgesproken. Met betrekking tot de wetenschap van de verdachte dat de betaalde huurpenningen afkomstig waren uit enig misdrijf overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte is al geruime tijd een beroepsverhuurder die voor de huur van de betreffende panden contante betalingen heeft ontvangen. Bij deze contante betalingen zaten ook coupures van 500 euro. Het is een feit van algemene bekendheid dat biljetten van 500 euro vrijwel uitsluitend worden gebruikt in het criminele circuit. De verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij door de politie op 9 mei 2016, inzake het verhoor met betrekking tot het pand [adres delict 5] , is gewezen op het feit dat het aannemen van contante betalingen een aanwijzing kan zijn voor crimineel handelen. De verdachte was daarmee een gewaarschuwd mens en de rechtbank zal deze datum dan ook als uitgangspunt nemen voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Ondanks deze waarschuwing is de verdachte goeddeels doorgegaan met zijn bestaande bedrijfsvoering. Sterker nog, tot op de dag van vandaag ontvangt hij naar eigen zeggen in enkele gevallen nog altijd contante betalingen. De verdachte heeft voorts ook verklaard dat de boekhouding van zijn verhuurbedrijf slordig is geweest. De rechtbank concludeert uit de bewijsmiddelen dat de administratie van de verdachte niet op orde was en dat hij zich onvoldoende vergewiste van de identiteit van zijn huurders. Voornoemde omstandigheden en het handelen van verdachte maken dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs moest vermoeden dat de door hem ontvangen huurpenningen afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank acht een kortere periode van witwassen bewezen dan in de dagvaarding opgenomen. Daarom is niet bewezen dat de exacte hoogte van de ontvangen huurpenningen gelijk is aan het bedrag dat ten laste is gelegd. De rechtbank zal het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen afwijzen. De rechtbank overweegt in dit verband dat deze getuigen niet binnen een daarvoor aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord, nu zoals ook uit het dossier blijkt geen deugdelijke aanwijzingen voorhanden zijn voor het achterhalen van hun volledige gegevens en adressen, en – gelet op de gebrekkige bedrijfsvoering van de verdachte – het nog maar zeer de vraag is of de betreffende getuigen daadwerkelijk bestaan. Nu de bewezen verklaarde handelingen niet tot doel hebben noch geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van genoemde voorwerpen te verbergen of te verhullen, zal van het onder a ten laste gelegde worden vrijgesproken. Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander of anderen is niet gebleken, zodat ook van medeplegen zal worden vrijgesproken. 4.2.3. Conclusie Bewezen is het impliciet subsidiair onder b ten laste gelegde schuldwitwassen, met uitzondering van de zaken [adres delict 5] en [adres delict 4] . 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair onder b ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in de periode van 9 mei 2016 tot en met 31 juli 2017, te Rotterdam en Capelle aan den IJssel, meermalen,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.