Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/993025-16 Datum uitspraak: 11 juli 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , gemachtigd raadsman mr. B.P.J. van Riel advocaat te Rhenen. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 13 juni 2019, 18 juni 2019, 19 juni 2019 en 11 juli 2019. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. R-J. Boswijk heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaar; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, subsidiair 60 (zestig) dagen vervangende hechtenis. 4Ontvankelijkheid officier van justitie 4.1. Standpunt verdediging/officier van justitie De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van schending van het verbod op willekeur en van het gelijkheidsbeginsel, omdat uit het dossier niet ondubbelzinnig blijkt waarom slechts acht van de vierenveertig onderzochte faillissementen - waaronder het faillissement betreffende de verdachte – door het openbaar ministerie zijn geselecteerd om te vervolgen. Het is onduidelijk waar deze selectie op is gebaseerd en waarom andere verdachten die in dezelfde positie als de verdachte verkeerden niet zijn vervolgd. Gelet op deze willekeur heeft de officier van justitie zijn recht op vervolging verspeeld en dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft aangevoerd dat in ambtshandeling-001 van het dossier door de FIOD is uitgelegd op grond waarvan de FIOD tot de selectie van de acht zaken is gekomen. De uitleg zoals door de FIOD gegeven acht de officier van justitie voldoende, temeer omdat de verdediging dit aspect van deze strafzaak niet eerder aan de orde heeft gesteld als willekeur of vragen daaromtrent heeft gesteld. 4.2. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat de wet aan de officier van justitie een hoge mate van vrijheid toekent voor wat betreft de beslissing tot vervolging van een verdachte. Daarbij moet de officier van justitie wel de beginselen van behoorlijke procesorde in acht nemen, waartoe het verbod op willekeur te rekenen valt. In dit strafrechtelijk onderzoek is een voorselectie gemaakt door de FIOD. De FIOD heeft in de ambtshandeling, opgenomen als AH-001 van het (FIOD-)dossier, uiteengezet hoe de FIOD tot deze voorselectie is gekomen. Uit niets is gebleken dat de daar aangeduide onderscheidende criteria om wél te vervolgen niet van toepassing zijn op de zaak van verdachte. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet met vrucht door de verdediging gesteld worden dat de ruimte die bestaat bij het maken van deze selectie is overschreden. Er is niet gebleken van willekeur en alleen al dat leidt ertoe dat dit verweer moet worden verworpen. 4.3. Conclusie De officier van justitie is ontvankelijk. 5Waardering van het bewijs 5.1. Bewijswaardering 5.1.1. Standpunt verdediging/officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Uit het dossier volgt dat de medeverdachte [naam medeverdachte] (verder: [naam medeverdachte] ) als katvanger heeft gefungeerd bij de overdracht van het bedrijf [naam bedrijf] . Dit neemt echter niet weg dat de verdachte ook nadat hij het bedrijf had overgedragen vanwege zijn voormalig positie als bestuurder strafrechtelijk aansprakelijk is voor zijn verplichtingen overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, omdat door hem een katvanger als opvolgend bestuurder is aangesteld. Alleen al gelet op de grote schulden van het bedrijf ten tijde van de overdracht en de verdere bijzonderheden is (op zijn minst) voorwaardelijk opzet aanwezig op de bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte enkele maanden het bedrijf [naam bedrijf] . op zijn naam heeft gehad, maar dat hij het bedrijf en de boekhouding vervolgens via een tussenpersoon en door tussenkomst van een notaris aan [naam medeverdachte] heeft overgedragen. De medeverdachte heeft voor deze overdracht getekend, zoals volgt uit de schriftelijke overeenkomst die door de verdediging ter terechtzitting bij de pleitnotities is overgelegd. De verdachte is hierbij te goeder trouw geweest. Dat [naam medeverdachte] vervolgens het bedrijf niet op correcte wijze heeft voortgezet, is niet te wijten aan de verdachte. Daarnaast is de verdachte niet verantwoordelijk geweest voor de contante opnames; deze zijn vermoedelijk door anderen verricht. Door zijn handelen heeft de verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet gehad de schuldeisers van het bedrijf te benadelen, zodat hij van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. 5.1.2. Beoordeling De rechtbank stelt vast dat de verdachte van 30 juni 2010 tot 11 december 2011 bestuurder is geweest van [naam bedrijf] . De verdachte heeft het bedrijf op 11 december 2011 overgedragen aan [naam medeverdachte] . Als bestuurder was de verdachte verantwoordelijk voor de administratie van het bedrijf en had hij de volledige zeggenschap daarover. Daarbij was de verdachte als bestuurder verplicht erop toe te zien dat de overdracht op juiste wijze plaatsvond en dat daarbij de (volledige) administratie werd overgedragen aan de (op)volgende bestuurder. De verdachte heeft zich daar op geen enkele wijze van vergewist. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte zich onder die omstandigheden niet kan verschuilen achter de stelling dat hij het bedrijf heeft overgedragen en daarom niet langer verantwoordelijk was. Het stuk dat door de verdediging ter terechtzitting is overgelegd, betreft naar het oordeel van de rechtbank geen overeenkomst, maar is een eenzijdige verklaring van [naam medeverdachte] . [naam medeverdachte] heeft echter tijdens zijn verhoor bij de FIOD ontkend dat sprake was van een overdracht van de administratie, iets dat ook past bij de rol als katvanger; de rol die hij bij deze overname heeft gespeeld. De verdachte had voorts vanuit zijn bestuurdersfunctie moeten kunnen zien dat het 1) niet goed ging met het bedrijf, 2) dat een faillissement in het verschiet lag en 3) dat desondanks vanuit het bedrijf contante opnames werden gedaan. Ook dit heeft de verdachte niet gecontroleerd en/of voorkomen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank het (voorwaardelijke) opzet op de bedrieglijke korting van de rechten van de schuldeisers van het bedrijf. Het verweer wordt verworpen. 5.1.3. Conclusie Bewezen is het primair ten laste gelegde. 5.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in de periode van 30 juni 2010 tot en met 15 mei 2012 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf] ., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Zwolle d.d. 12 april 2011 in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon, - niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers heeft hij, verdachte, toen en daar - geen volledige boekhouding en administratie bewaard en overgelegd aan de curator in het faillissement van [naam bedrijf] ., en geen jaarrekeningen over 2007 en 2009 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 6Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: Primair, als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dit artikel bedoeld. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 7Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 8Motivering straffen 8.1. Algemene overweging De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 8.2. Feit waarop de straffen zijn gebaseerd De verdachte heeft als bestuurder van een rechtspersoon niet voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen om een volledige administratie te voeren, te bewaren en, nadat de rechtspersoon failliet was verklaard, aan de curator ter beschikking te stellen. De verdachte heeft geprobeerd onder zijn verplichtingen uit te komen door de (aandelen in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.