RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 7716759 \ VZ VERZ 19-8677 uitspraak: 24 juli 2019 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [verzoekster] , woonplaats: [woonplaats verzoekster] , verzoekster, gemachtigde: FNV Bondgenoten, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rotterdam Short Sea Terminals B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. H.E. Meerman. Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “RST”. 1Het verloop van de procedure 1.1 De kantonrechter heeft kennis genomen van: het verzoekschrift met producties; het verweerschrift met producties, en de pleitnota van [verzoekster] . 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 29 mei 2019. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden. 2De vaststaande feiten 2.1 [verzoekster] , geboren op [geboortedatum verzoekster] , is op 1 september 2005 bij RST in dienst getreden. Laatstelijk vervulde zij de functie van medewerkster facturatie (vierkantscontrole) , tegen een salaris van € 4.321,42 bruto per maand plus 8,33% vakantietoeslag en een 13e maand, alsmede overige emolumenten. De functie van [verzoekster] houdt de totale controle van een opdracht in: van de werkopdracht tot de factuur naar aanleiding van de werkopdracht; het controleren van de naam en het adres van de klant, van de opdracht (inclusief werkzaamheden, aantal en tarief), controle van correcties, archiveren van de facturen en archiveren van de facturen in dozen. 2.2 Op de arbeidsovereenkomst is de cao van RST van toepassing. 2.3 RST is 100% dochter van Steinway Port International B.V., evenals haar zusterbedrijf Uniport Multipurpose Terminal B.V. 2.4 Op 26 september 2018 heeft RST door middel van een voorlopige aanvraag toestemming aan het UWV gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. 2.5 Op 27 september 2018 is [verzoekster] door RST, met behoud van recht op loon, vrijgesteld van werkzaamheden. 2.6 Op 8 januari 2019 heeft het UWV voornoemde toestemming verleend, waarna de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] door RST per 1 maart 2019 is opgezegd. 2.7 Door RST is aan [verzoekster] betaald een bedrag van € 27.682,00 bruto aan transitievergoeding. 3Het verzoek 3.1 [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair I. het dienstverband c.q. de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht te herstellen vanaf 1 maart 2019; subsidiair II. RST te veroordelen de arbeidsovereenkomst binnen 48 uur te herstellen per 1 maart 2019, althans een door de kantonrechter te bepalen datum, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat door RST niet aan de inhoud van deze beschikking wordt voldaan, en voorts RST te veroordelen tot betaling van - kort samengevat - een financiële voorziening tot het ongedaan maken van de rechtsgevolgen van de onderbreking van het dienstverband, onder overlegging van correcte betalingsspecificaties, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat niet aan de inhoud van deze beschikking wordt voldaan; primair en subsidiair III. RST te veroordelen binnen 5 dagen na de te geven beschikking het achterstallig salaris vanaf het moment van herstel van het dienstverband aan [verzoekster] te voldoen, vermeerderd met de vakantietoeslag en overige emolumenten te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhogingen; IV. RST te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 27.682,00 bruto, en indien de vergoeding reeds betaald is, te bepalen dat RST die verschuldigd was en is wegens de opzegging van het dienstverband; V. RST te veroordelen tot betaling van de vakantiedagen zoals omschreven in het verzoekschrift; VI. ‘ter zake het primair en subsidiair gevorderde dienen betalingen te worden vergezeld van een correctie betalingsspecificatie op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat niet aan de in deze gewezen beschikking is voldaan’; RST te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.2 Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat de opzegging van haar arbeidsovereenkomst in strijd is met artikel 7:669 lid 3 onder a BW, omdat de opzegging door het UWV op valse gronden is toegestaan. Zij voert daartoe aan dat haar functie niet is vervallen. Bovendien heeft RST niet aan haar herplaatsingsverplichting voldaan. 4Het verweer RST betwist de juistheid van de stellingen van [verzoekster] en concludeert tot afwijzing van alle verzoeken. Op hetgeen zij daartoe aanvoert wordt hierna - indien van belang voor de beoordeling - ingegaan. 5De beoordeling 5.1 De arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is door RST opgezegd met toestemming van het UWV. [verzoekster] heeft de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 7:682 lid 1 onder a BW verzocht haar arbeidsovereenkomst te herstellen. Dat verzoek kan gehonoreerd worden indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 of 3 onderdeel a of b BW. In deze zaak zijn lid 1 en lid 3 onder a relevant. Die luiden als volgt: 1. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Herplaatsing ligt in ieder geval niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in lid 3, onderdeel e. 3) Onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt verstaan: a. het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering; 5.2 Bij de uitleg van de redelijke grond hebben De Beleidsregels Ontslagtaak UWV nog steeds zeggenskracht. Eveneens is het bewijsrecht van toepassing. Volgens de Hoge Raad betekent dit niet dat ‘steeds is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar kan volstaan dat deze voldoende aannemelijk worden’ (HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182 (Decor)). Verder is als achtergrond relevant dat de regering ten aanzien van de opzeggrond van lid 3 onder a heeft overwogen dat aan de werkgever een zekere mate van vrijheid toekomt de organisatie in te richten zodat het bestaan daarvan ook op de lange termijn verzekerd is en dat de toetsing van beslissingen ter zake door de rechter met een zekere mate van terughoudendheid dient plaats te vinden (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 43). De wetgever erkent de noodzaak de relatie tussen werkgever en werknemer te reguleren met extra waarborgen. Waarborgen die rekening houden met de afhankelijkheid van veel werknemers van hun werkgever, maar die ook recht doen aan de behoefte van werkgevers hun personeelsbestand aan te kunnen passen aan de conjunctuur en fluctuaties in de afzetmarkt. Het arbeidsovereenkomstenrecht biedt de werknemer bescherming tegen willekeur van de werkgever bij mogelijk ontslag en schept tegelijkertijd voor de werkgever een duidelijk kader om, indien dat nodig is, op gereguleerde wijze afscheid te kunnen nemen van een werknemer. De te beantwoorden vraag is of de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] binnen het kader van deze spelregels heeft plaatsgevonden. 5.3 Vooropgesteld wordt dat de functie van [verzoekster] medewerkster facturatie betreft; die controleert het werk van de facturist. [verzoekster] voerde ook feitelijk alleen, althans voornamelijk, controlewerkzaamheden uit. Die functie is in beginsel niet uitwisselbaar met de functie van facturist. Dat blijkt uit de functieomschrijvingen. Voor de functie van facturist is bijvoorbeeld een bedrijfsadministratieve mbo richting MBA en/of HBO achtergrond vereist, waar voor medewerker facturatie een MBWO werk- en denkniveau op administratief gebied voldoende is. Niet is gesteld of gebleken dat [verzoekster] een bedrijfsadministratieve opleiding heeft genoten. Ook kent de functie van facturist een breder takenpakket en een leidinggevend aspect. Verder verschillen de vereiste ervaring en competenties aanzienlijk. Dat [verzoekster] (mogelijk) in het verleden wel facturen heeft gemaakt en als debiteurenbewaker klantencontacten (die wel zijn opgenomen in de functieomschrijving van facturist en niet in die van medewerker facturatie) heeft gehad, maakt niet dat zij - in de huidige inrichting van de organisatie - toch, eventueel met enige bijscholing, binnen een redelijke termijn geschikt is (te maken) voor de functie van facturist. [verzoekster] heeft evenmin voldoende onderbouwd gesteld dat haar functie onderling uitwisselbaar is met een andere functie binnen RST. RST heeft de verschillen in functies voldoende duidelijk uiteengezet en met inachtneming van het voorgaande gemotiveerd waarom de werkzaamheden van de medewerkers facturatie wel door de facturisten kunnen worden overgenomen (zoals is gebeurd tijdens langere afwezigheid van [verzoekster] en haar collega medewerkster facturatie wegens ziekte), maar andersom niet. Dat is door de OR ook met zoveel woorden onderstreept; zij ziet het nut in van de nieuwe inrichting van de organisatie van de afdeling financiën en ziet dat het duidelijk is dat dit gevolgen moet hebben voor de arbeidsplaatsen van de huidige afdeling financiën, waarbij zij aantekent dat de werknemers van de financiële afdeling de werkzaamheden van de afdeling facturatie naar wens kunnen uitvoeren. Aangesloten wordt derhalve bij het standpunt van RST dat sprake is van een unieke functie. Nu gesteld wordt dat beide arbeidsplaatsen van medewerker facturatie vervallen, hoeft aan een bespreking van het (correct toepassen van het) afspiegelingsbeginsel niet te worden toegekomen. 5.4 RST heeft op 27 augustus 2018 advies gevraagd aan de OR over het voorgenomen besluit over te gaan tot herstructurering van haar kantoororganisatie. Daarin is als aanleiding voor die herstructurering, kort gezegd, gegeven de veranderde markt en meer concurrentie, waardoor verlies van aanzienlijke volumes en omzet dreigt. De voorgenomen veranderingen zijn ervoor bedoeld om RST als concurrerende onderneming in de markt te waarborgen voor de toekomst. Met andere woorden: de concurrentie kan leveren tegen een lagere kostprijs, dus de kosten per container bij RST moeten aanzienlijk verminderen. De OR is op 20 september 2018 akkoord gegaan. Ook bij de ontslagaanvraag aan het UWV zijn de relevante bedrijfseconomische omstandigheden door RST uitgebreid toegelicht. Met inachtneming van het hiervoor geschetste beoordelingskader wordt benadrukt dat een onderneming niet ‘op omvallen’ hoeft te staan om organisatorische maatregelen te mogen doorvoeren die gevolgen hebben voor het personeelsbestand. Uit hetgeen door RST is aangevoerd, met stukken is onderbouwd en uitgebreid - zowel schriftelijk als mondeling - is toegelicht, acht de kantonrechter de noodzaak tot een herinrichting van de organisatie om het voortbestaan daarvan te verzekeren voldoende gebleken. 5.5 De nagestreefde doelmatige bedrijfsvoering beoogt RST te bereiken door - voornamelijk - digitalisering en automatisering. Zij stelt dat als gevolg daarvan de beide arbeidsplaatsen in de functie van medewerker facturatie zijn komen te vervallen. [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift uiteengezet waaruit haar dagelijkse werkzaamheden bestonden voor en bestaan na de herstructurering. In reactie daarop heeft de manager Finance, [naam] , per onderdeel uitgebreid zijn visie daarop uiteengezet. Dat is door beide partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog eens overgedaan. Daaruit kan worden opgemaakt dat [verzoekster] niet zozeer de veranderingen weerspreekt als wel de gevolgen daarvan op de functie van medewerker facturatie. Waar RST aangeeft dat die werkzaamheden aanzienlijk zijn verminderd, stelt [verzoekster] zich aanvankelijk op het standpunt dat de herstructurering in de praktijk geen vermindering van haar werkzaamheden tot gevolg heeft gehad. Gedurende de mondelinge behandeling is dat standpunt opgeschoven, in die zin dat er volgens [verzoekster] gelet op de overgebleven werkzaamheden door RST in ieder geval een dienstverband van 45% aan haar aangeboden had moeten worden. [verzoekster] voert aan dat de verandering van (de omvang van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.