vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/559009 / HA ZA 18-905 Vonnis van 24 juli 2019 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WIJNHOFF & VAN GULPEN & LARSEN B.V., gevestigd te Druten, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. R.L. Latten te Rotterdam, tegen de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging GELSENCHEM CHEMICAL PRODUCTS GMBH, gevestigd te Hamburg, Duitsland, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam. Partijen zullen hierna Wijgula en Gelsenchem genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 14 mei 2018; de akte houdende overlegging producties, met producties 1 tot en met 10; de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met 2 producties; de oproepingsbrief van deze rechtbank van 21 november 2018; de zittingsagenda van 28 januari 2019; de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte in conventie, met producties 11 tot en met 20; de door Gelsenchem overgelegde productie 3; het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2019. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Wijgula behoort tot het Imperialconcern, een logistieke dienstverlener in de binnenvaart. 2.2. Gelsenchem is een handelsbedrijf in chemische producten. 2.3. Op of omstreeks 25 augustus 2017 is tussen Wijgula als vervoerder en Gelsenchem als afzender een overeenkomst van reisbevrachting gesloten met betrekking tot het vervoer van circa 1.350 mt methanol per binnenvaarttankschip [naam schip] (hierna ook: het schip). De overeengekomen plaats van belading was Rotterdam (Vopak Botlek), de overeengekomen plaats van lossing was Duisburg (TanQuid), Duitsland. 2.4. Op 25 augustus 2017 heeft Wijgula met [naam bedrijf 1] (hierna [naam bedrijf 1] ) een vervoerovereenkomst gesloten. 2.5. Op 28 augustus 2017 is de [naam schip] bij de terminal van Vopak gearriveerd om te worden beladen. Bij de belading was namens Gelsenchem een kwaliteitsinspecteur van [naam bedrijf 2] (hierna [naam bedrijf 2] ) aanwezig. De inspecteur van [naam bedrijf 2] heeft de [naam schip] geïnspecteerd en akkoord bevonden om de bulklading methanol te ontvangen. 2.6. Op 29 augustus 2017 was de belading met 1.050.304 kg methanol gereed. 2.7. Op 30 augustus 2017 is de [naam schip] gearriveerd bij TanQuid te Duisburg. Uit de tanks zijn (door Co-Gem) monsters genomen, waarbij contaminatie is geconstateerd met styrol. 2.8. De methanol in ladingtank 5 was in een hogere mate gecontamineerd met styrol (styreen) en werd ‘off spec’ bevonden. De contaminatie in ladingtanks 1, 2 en 4 lag onder de ‘nachweisgrenze’ (bepaalbaarheidsgrens) van 10 ppm. 2.9. Door Gelsenchem is een schade-expert ingeschakeld, [naam bedrijf 3] (hierna [naam bedrijf 3] ), die het incident heeft onderzocht en een schaderapport heeft opgesteld. 2.10. Namens [naam bedrijf 1] , is [naam bedrijf 4] (hierna: [naam bedrijf 4] ) als schade-expert aangesteld. 2.11. Op 6 september 2017 is de methanol uit de tanks 1, 2 en 4 bij TanQuid te Duisburg gelost in landtanks. 2.12. Op of omstreeks 8 september 2017 heeft Gelsenchem de gecontamineerde methanol uit tank 5 verkocht. 2.13. Op 8 september 2017 is tussen Gelsenchem en Wijgula een aanvullende vervoerovereenkomst gesloten ten aanzien van het vervoer van de methanol uit tank 5 van Duisburg naar Antwerpen, België. Overeengekomen is: “EUR 10.000,- lumpsum 48 h freie Lade-/Löschzeit Liegegeld 140 EUR/h”. 2.14. De methanol uit tank 5 is tussen 11 en 15 september 2017 in Antwerpen gelost. 2.15. Gelsenchem heeft Wijgula aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade ten bedrage van € 155.336,58 en betaling gevorderd. 3Het geschil in conventie 3.1. Wijgula vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: - Gelsenchem veroordeelt om aan Wijgula een bedrag van € 5.005,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten van € 635,-, en - voor recht verklaart dat Wijgula niet aansprakelijk is jegens Gelsenchem, althans, subsidiair, voor zover de rechtbank anders zou oordelen, voor recht verklaart dat Wijgula alleen voor de schade aan de lading in ruim 5 aansprakelijk is; - met veroordeling van Gelsenchem in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 14 dagen na de datum van het te wijzen vonnis. 3.2. Wijgula legt aan haar vordering het volgende, verkort weergegeven, ten grondslag. 3.3. Gelsenchem heeft ten onrechte een deel van de factuur voor het overliggeld in Antwerpen onbetaald gelaten. Ten aanzien van het vervoer van Duisburg naar Antwerpen is een overliggeld van € 140,- per uur overeengekomen, met een vrije uren periode van 48 uur. De [naam schip] heeft langer dan 48 uur in Antwerpen gelegen, zodat Gelsenchem overliggeld verschuldigd is geworden ten bedrage van € 12.740,-. Gelsenchem heeft deze factuur op 29 december 2017 slechts ten dele betaald (€ 7.735,-) en het restantbedrag van € 5.005,- onbetaald gelaten. 3.4. Gelsenchem is over het bedrag van € 5.005,- de wettelijke handelsrente verschuldigd ex artikel 6:119a BW, dan wel de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 15 september 2017, zijnde de datum van aflevering (ex artikel 11 lid 1 IVTB), dan wel vanaf 29 december 2017, althans vanaf de dag der dagvaarding. 3.5. Wijgula heeft recht op vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 625,-. 3.6. Wijgula wordt door Gelsenchem ten onrechte aansprakelijk gehouden voor de beweerde schade aan de methanol in tanks 1, 2, 4 en 5. Wijgula vordert daarom een verklaring voor recht dat zij niet jegens Gelsenchem aansprakelijk is. Gelsenchem heeft - kort gezegd - niet aangetoond dat de lading in gezonde staat is overhandigd voor transport. Het rapport van [naam bedrijf 3] lijkt te impliceren dat de leidingen/tanks van de [naam schip] verontreinigd zouden zijn met restanten styrol, maar dan had verontreiniging moeten zijn waargenomen in de ‘first foot samples’ hetgeen niet het geval is geweest. 3.7. Ook ingeval de lading niet reeds was gecontamineerd kan Wijgula niet aansprakelijk worden gehouden, omdat Gelsenchem geen enkel voorschrift heeft gegeven waar de ruimen aan dienden te voldoen. Bovendien heeft Gelsenchem de ruimen voor belading laten inspecteren en akkoord bevonden. Er is daarom sprake van overmacht. 3.8. Gelsenchem concludeert tot afwijzing van de vordering van Wijgula bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, met veroordeling van Wijgula in de kosten van de procedure. Gelsenchem voert daartoe, verkort en voor zover van belang weergegeven, het volgende aan. 3.9. De gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar, nu Wijgula ingevolge artikel 16 CMNI aansprakelijk is voor schade door verlies of door beschadiging van de goederen die ontstaat tussen de inontvangstneming van de goederen en de aflevering. Het is aan Wijgula om te bewijzen dat de schade voortvloeit uit omstandigheden die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan zij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen. 3.10. Er is geen sprake van eigen schuld van Gelsenchem. Ingevolge artikel 3 CMNI bepaalt de vervoerder welk schip hij gebruikt. Wijgula dient ervoor zorg te dragen dat het schip geschikt is om de lading te vervoeren, hetgeen hier niet het geval was. 3.11. Wijgula heeft geen melding gemaakt op het vervoerdocument van de zichtbare staat van de goederen of ten aanzien hiervan een voorbehoud gemaakt, zodat zij geacht wordt in het vervoerdocument te hebben vermeld dat de goederen zich in goede staat bevonden. 3.12. Gelsenchem refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot betaling van overliggeld, met uitzondering van de gevorderde incassokosten, nu de aangehaalde correspondentie geen toewijzing van de incassokosten rechtvaardigt, mede gelet op de hogere tegenvordering van Gelsenchem. in reconventie 3.13. Gelsenchem vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Wijgula veroordeelt om aan Gelsenchem te betalen een bedrag van € 164.769,97, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2017 tot aan de dag van volledige betaling en met veroordeling van Wijgula in de kosten van de procedure. 3.14. Gelsenchem legt aan haar vordering, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag: tijdens het vervoer naar Duisburg is schade ontstaan aan de lading door contaminatie in de ruimen van de [naam schip] ; Wijgula is jegens Gelsenchem ingevolge artikel 16 lid 1 CMNI aansprakelijk voor deze schade, nu de schade tijdens het vervoer is ontstaan; Wijgula heeft beredderingskosten moeten maken om haar schade te beperken die op grond van artikel 16 lid 1 CMNI jo. 6:96 lid 2 BW als ladingschade voor vergoeding in aanmerking komen; Wijgula is op grond van artikel 6:96 BW ook de door Gelsenchem betaalde expertisekosten van € 11.545,13 verschuldigd; Gelsenchem heeft in totaal € 164.769,67 aan schade geleden, bestaande uit waardevermindering van de lading, de transportkosten en de overige beredderingskosten die gemaakt zijn om de totale schade te beperken, die Wijgula gehouden is te vergoeden. Het gaat daarbij om de volgende posten: Ladingschade € 99.489,24 Vracht Rotterdam-Duisburg € 2.515,80 Controle, analyse en inspectie € 325,-- Overliggeld Duisburg € 30.599,80 Vracht Duisburg – Antwerpen € 10.000,-- Overliggeld Antwerpen € 7.735,-- Kosten overslag Antwerpen € 2.560,-- Expertisekosten € 11.545,13 Totaal: € 164.769,97 3.15. Wijgula voert verweer en concludeert tot afwijzing van de reconventionele vordering, met veroordeling van Gelsenchem, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure. Dit verweer zal, voor zover van belang, bij de beoordeling worden weergegeven. 4De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Deze zaak betreft een internationaal geval, nu Wijgula is gevestigd in Nederland, Gelsenchem in Duitsland en het om grensoverschrijdend vervoer per binnenschip van Nederland naar Duitsland gaat. Daarom dient de rechtbank eerst haar bevoegdheid en het toepasselijke recht te bepalen. 4.2. Ten aanzien van de vraag naar de rechtsmacht is de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo) van toepassing, nu de dagvaarding na de inwerkingtreding van de Verordening (10 januari 2015) is uitgebracht en sprake is van een burgerlijke en handelszaak in de zin van de Verordening. Ingevolge artikelen 26 (stilzwijgende forumkeuze) en artikel 7 lid 1 sub a Brussel I bis-Vo is de rechtbank bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen. 4.3. Aangezien sprake is van grensoverschrijdend vervoer per binnenschip van Nederland naar Duitsland (respectievelijk van Duitsland naar België, voor wat betreft een deel van de reconventie) en ten minste één van de partijen is gevestigd in een land dat partij is bij het Verdrag van Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen over binnenwateren van 22 juni 2001 (hierna CMNI), en het betreffende vervoer is uitgevoerd na de datum van inwerkingtreding van de CMNI in Nederland, is de CMNI ingevolge artikel 2 CMNI van toepassing. Ingevolge artikel 29 CMNI is, bij gebreke van een rechtskeuze tussen partijen, het recht van de staat waarmee de vervoersovereenkomst de nauwste banden heeft, aanvullend van toepassing. Nu de vervoerder zijn hoofdvestiging heeft in Nederland en de plaats van inontvangstneming in Nederland is gelegen, wordt vermoed dat de vervoerovereenkomst de nauwste banden heeft met Nederland. Ingevolge artikel 29 lid 3 CMNI is dan ook Nederlands recht aanvullend van toepassing op de overeenkomst. Partijen zijn het er overigens over eens dat op hun rechtsverhouding het CMNI dwingendrechtelijk en het Nederlands recht aanvullend van toepassing is. voorts in conventie 4.4. Wijgula grondt de door haar verzochte verklaring voor recht op de overmachtsbepaling in artikel 16 CMNI. Artikel 16 CMNI bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade door verlies of door beschadiging van de goederen die ontstaat tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen ten vervoer en het ogenblik van hun aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering, voorzover hij niet bewijst dat de schade voortvloeit uit omstandigheden die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen. 4.5. Wil Wijgula met succes een beroep kunnen doen op vervoerdersovermacht als bedoeld in artikel 16 lid 1 CMNI, aangevuld met Nederlands recht, dan dient zij feiten en omstandigheden te stellen - en bij voldoende betwisting te bewijzen - die aantonen dat zij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder, daaronder begrepen de personen van wier hulp zij bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt, te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies of de beschadiging te voorkomen. oorzaak contaminatie 4.6. Zowel door deskundigen van [naam bedrijf 3] als door deskundigen van [naam bedrijf 4] wordt geconcludeerd dat de lading methanol bij aflevering was gecontamineerd met styrol. Tussen partijen is niet in geschil dat de [naam schip] voorafgaand aan het vervoer van de onderhavige lading methanol twee maal ethanol en een maal styrol heeft vervoerd. Ook staat vast dat het schip alleen is geventileerd en niet is gewassen voordat het schip met methanol werd beladen. 4.7. Wijgula stelt dat niet vaststaat dat de lading methanol vervoersgeschikt was, bij gebreke van stukken (analyses) aan de hand waarvan kan worden vastgesteld wat de conditie van de methanol was op het moment dat deze aan boord kwam. Volgens Wijgula kan de contaminatie ook bij Vopak hebben plaatsgevonden, nu volgens de website van Vopak op het terrein van Vopak “Chemicals, petroleum products, Biofuels, Vegetable oils’ en dus ook styrol wordt opgeslagen. Wijgula stelt dat zij niet bekend is met de historie van de lading en de landtank en dat zij niet weet welke route de lading van de landtank naar het schip heeft afgelegd en of deze route tijdens belading gelijk is gebleven of is veranderd. 4.8. Uit het B&Trapport (pagina 14) blijkt dat er door de deskundigen monsters zijn genomen van zowel het einde van de landleiding als van de gebruikte landtank ‘602’ en dat de deskundigen hebben geconstateerd dat hierin geen verontreiniging is waargenomen ‘Die landseitigen Rückstellmuster des Landtanks 602 und von dem Ende der Landleitung waren unauffällig. Eine Kontamination mit Styrol konnte nicht festgestellt werden’. Ook staat in het rapport vermeld dat landtank 602 een ‘dedizierte methanol/ethanol’ laadplaats is die uitsluitend gebruikt wordt voor de opslag van methanol en ethanol. Dat - zoals door Wijgula is betoogt - de contaminatie bij Vopak kan hebben plaatsgevonden, is door Gelsenchem gemotiveerd weerlegd. Gelsenchem heeft aangevoerd dat styrol elders op het Vopak-terrein in tanks wordt opgeslagen en dat Vopak de gebruikte landtank alleen gebruikt voor de opslag van ethanol en methanol, nu het een ‘dedicated for ethanol and methanol only’ tank betreft. Wijgula heeft hierop niet meer gereageerd en geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de stelling dat de landtank uitsluitend voor ethanol en methanol werd gebruikt. Wijgula heeft haar stelling dat de methanol ‘er niet schoon in is gegaan’ c.q. niet vervoersgeschikt was verder niet feitelijk onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de lading methanol vervoersgeschikt was en schoon het schip in is gegaan. 4.9. Daar komt bij dat vaststaat dat er beladen is via een gesloten systeem. Dat betekent dat als de landtank was gecontamineerd met styrol, deze contaminatie na belading gelijkmatig in de verschillende laadtanks zou moeten worden aangetroffen en niet - zoals hier het geval is - uitsluitend in een hoge concentratie aanwezig is in tank 5. Zonder nadere toelichting en onderbouwing van Wijgula, die ontbreekt, valt niet in te zien dat een contaminatie in een landtank (of een landleiding) er ingeval van een gesloten systeem toe leidt dat uitsluitend tank 5 in hoge mate is gecontamineerd en niet (een duidelijke) contaminatie in tanks 1, 2 en 4 oplevert. 4.10. Gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de experts, terwijl geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld die op een andere oorzaak duiden, gaat de rechtbank ervan uit dat de contaminatie is veroorzaakt door in de tanks of leidingen van het schip achtergebleven styrol. Dat betekent dat de contaminatie tijdens het vervoer is ontstaan en Wijgula in beginsel aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, tenzij haar beroep op overmacht slaagt. overmacht? 4.11. Wijgula stelt dat zij niet aansprakelijk is voor de contaminatie, omdat Gelsenchem bekend was met de ladinghistorie van het schip en (toch) de niet gereinigde ladingtanks geschikt heeft bevonden om de methanol te vervoeren. Wijgula stelt dat zij alles heeft gedaan dat redelijkerwijze van haar mocht worden verwacht en dat zij Gelsenchem volledig heeft geïnformeerd zodat sprake is van vervoerdersovermacht als bedoeld in artikel 16 lid 1 CMNI. Ook stelt Wijgula dat, nu geen andere afwijkende afspraken zijn gemaakt of instructies zijn gegeven, de in de branche geldende norm voor reiniging van de ladingtanks de norm van de ‘nagelensde tank’ (conform artikel 7.02 van bijlage 2 bij het CDNI-Verdrag) is en dat het schip voldoet aan deze norm. 4.12. Anders dan Wijgula betoogt, rust op de vervoerder de plicht om zorg te dragen voor een voor het betreffende vervoer geschikt schip (artikel 3 lid 3 CMNI). Ingevolge artikel 3 lid 3 CMNI dient de vervoerder daarbij rekening te houden met (de aard van) de te vervoeren lading. De vervoerder kan zich ter afwering van aansprakelijkheid niet beroepen op het ontbreken van aanvullende eisen of instructies van de afzender of opdrachtgever. Zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen, rust op de vervoerder de verplichting om alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder te vergen maatregelen te nemen om het verlies of de beschadiging te voorkomen. Dat heeft Wijgula in het onderhavige geval niet gedaan. Vast staat immers dat het schip, althans een of meer van haar leidingen of ladingtanks, resten styrol bevatte en dus onvoldoende schoon was om de lading methanol ten vervoer in ontvangst te nemen. Wijgula wist welke lading zij moest vervoeren en wat de voorgaande ladingen van het schip waren geweest. Dat aanvullende instructies van Gelsenchem ontbraken en voldaan is aan de in de branche geldende norm van de ‘nagelensde tank’, doet daar niet aan af. Wijgula heeft niet alle van haar te vergen maatregelen genomen. Zo had zij de leidingen en tanks kunnen wassen. Hierop stuit het beroep op vervoerdersovermacht af. schade gevolg van handelen afzender/eigen schuld 4.13. Wijgula doet een beroep op de bijzondere ontheffing van aansprakelijkheid bedoeld in artikel 18 lid 1 aanhef onder a en b CMNI en stelt dat de schade is ontstaan door het handelen of nalaten van de afzender. Subsidiair stelt Wijgula dat sprake is van eigen schuld van Gelsenchem. Op grond van artikel 18 lid 1 aanhef en onder a CMNI is Wijgula ontheven van haar aansprakelijkheid indien het verlies, de schade of de vertraging het gevolg is van het handelen of nalaten van de afzender of de geadresseerde. 4.14. Wijgula betoogt dat [naam bedrijf 2] als hulppersoon van Gelsenchem de vervuiling had moeten ontdekken, dan wel dat [naam bedrijf 2] na het nemen van de ‘first foot samples’ te verwijten valt dat zij - zo de rechtbank begrijpt - het beladen niet heeft tegengehouden c.q. stilgelegd en alarm heeft geslagen. Dit verweer treft geen doel. Anders dan Wijgula stelt is de schade niet het gevolg van het handelen of nalaten van afzender Gelsenchem of diens hulppersoon [naam bedrijf 2] . De schade is het gevolg van het gecontamineerd zijn van de tank(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.