Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer voor wrakingszaken Zaaknummer / rekestnummer: 578737 / HA RK 19-867 Beslissing van 29 juli 2019 op het verzoek van [naam verzoeker] , wonende te [adres], verzoeker, strekkende tot wraking van: mr. S.H. Poiesz, senior rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton 2 (hierna: de rechter). 1Het procesverloop en de processtukken Verzoeker heeft op 15 maart 2019 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, strekkende tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Dit verzoekschrift, alsmede het daartegen door [naam wederpartij] ingediende verweerschrift, is door de rechter behandeld ter zitting van 24 juni 2019, waarna de rechter op 12 juli 2019 een beschikking heeft gegeven. Die procedure draagt als kenmerk 7620596 \ VZ VERZ 19-
- Bij e-mailbericht van 17 juli 2019 heeft verzoeker wraking van de rechter verzocht (hierna: het eerste wrakingsverzoek). Bij beslissing van de wrakingskamer van 19 juli 2019 is het eerste wrakingsverzoek afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid. Bij e-mailbericht van 20 juli 2019 heeft verzoeker andermaal wraking van de rechter verzocht (hierna: het tweede wrakingsverzoek). Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt de beschikking van 12 juli
- Behalve van voormelde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van de e-mailberichten van verzoeker van 22 juli 2019 te 12.31 uur en 13.36 uur. 2De ontvankelijkheid van het verzoek 2.
- Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Op grond van hetgeen is bepaald in artikel 36 Rv kan de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt. 2.2 Ingevolge hetgeen is bepaald in artikel 37, lid 4 Rv wordt een volgend verzoek tot wraking van dezelfde rechter niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. 2.3 Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd – kort samengevat – dat de rechter ten onrechte heeft geweigerd de uitspraak in de bodemprocedure aan te houden en dat de rechter het verweer van de ABN AMRO Bank en van CNV mensen had moeten afwachten. Had de rechter dat gedaan, dan zou het verzoek van verzoeker tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zijn gehonoreerd, aldus verzoeker. 2.4 De wrakingskamer stelt vast dat de door verzoeker aan het tweede wrakingsverzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden hem bekend waren ten tijde van het indienen van het eerste wrakingsverzoek. 2.5 Het vorenstaande leidt er toe dat het tweede wrakingsverzoek met toepassing van artikel 9.1, tweede volzin en onder e van het Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam wordt afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid. 3De beslissing De rechtbank: - wijst af het (tweede) verzoek tot wraking van mr. S.H. Poiesz wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid. Deze beslissing is gegeven door mr. A. Verweij, voorzitter, mr. N. Doorduijn en mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2019 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier. Verzonden op: aan: - verzoeker - mr. S.H. Poiesz