← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2019:7287

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/107664-19 Parketnummer vordering TUL VV: 10/691070-16 Datum uitspraak: 12 september 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught, raadsman mr. G.L.P. Biesmans, advocaat te Maastricht. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus

  1. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden; tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/691070-
  2. 4Waardering van het bewijs Standpunt officier van justitie De verdachte kan als medepleger worden aangemerkt van de beroving van aangever [naam aangever] . De rol van de verdachte in deze beroving – die feitelijk is uitgevoerd door twee andere personen, waaronder de daar reeds voor veroordeelde [naam medeverdachte] – heeft eruit bestaan dat hij voorafgaand aan de beroving via WhatsApp contact heeft gelegd en contact heeft onderhouden met de aangever en dat hij kort voor de beroving samen met [naam medeverdachte] op de plaats delict aanwezig is geweest. Deze gedragingen duiden naar hun uiterlijke verschijningsvorm op een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en (in elk geval) [naam medeverdachte] . Beoordeling Op 2 januari 2019 omstreeks 12:20 uur is aangever [naam aangever] – volgens zijn aangifte - in een woning aan de [adres delict] beroofd. Aangever had die dag in Schiedam via WhatsApp afgesproken met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] om – zo heeft hij zelf verklaard - een koffiemachine te kopen, maar werd ter plaatse door twee personen, waaronder [naam medeverdachte] , beroofd van een geldbedrag van € 4.000,- en van zijn portemonnee met inhoud. Op basis van de GPS-gegevens van de enkelband die de verdachte ten tijde van de beroving droeg, staat vast dat hij zich op het moment van de beroving niet op de [adres delict] bevond. Hij kan dus niet de tweede persoon zijn geweest die de aangever feitelijk heeft beroofd. Wel is hij, als gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] , degene geweest die in de periode van 30 december 2019 tot en met 2 januari 2019 WhatsApp-contact heeft gehad met de aangever, waarbij hij onder meer op 2 januari 2019 om 10:31 uur naar de aangever het adres ‘ [adres delict] ’ heeft verstuurd en het bericht verstuurt: ‘die jongen wacht op jou op die adres’. De verklaring van de verdachte dat [naam medeverdachte] met verdachtes telefoon zonder zijn medeweten WhatsApp-berichten naar de aangever verstuurd heeft, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De verdachte heeft immers verklaard dat hij wel altijd aanwezig was als [naam medeverdachte] zijn telefoon gebruikte, terwijl uit het dossier blijkt dat verschillende berichten naar de aangever zijn verstuurd toen de verdachte niet in het gezelschap van [naam medeverdachte] verkeerde. De vraag is of de verdachte met het sturen van deze berichten nauw en bewust heeft samengewerkt met [naam medeverdachte] (en/of andere verdachten) teneinde de aangever te beroven. De rechtbank is van oordeel dat het dossier hiertoe geen bewijsmiddelen biedt. Uit de door de verdachte verstuurde berichten valt niet af te leiden dat hij opzet heeft gehad op een beroving van de aangever. Ook anderszins blijkt niet uit de bewijsmiddelen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van hetgeen in de woning zou gaan plaatsvinden. Dat de verdachte enige tijd voorafgaand aan de beroving samen met [naam medeverdachte] in de nabijheid van de [adres delict] is geweest, maakt dat niet anders. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard aldaar door [naam medeverdachte] te zijn afgezet omdat zijn ouders daar dichtbij wonen. Die verklaring is door de officier van justitie niet weersproken en acht de rechtbank niet op voorhand ongeloofwaardig. Conclusie Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 5Vordering tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van 30 september 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Omdat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit zal deze vordering worden afgewezen. 6Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 7Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 30 september 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit vonnis is gewezen door: mr. A. van Luijck, voorzitter, en mrs. J. van der Groen en J.C. Tijink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september
  3. De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 2 januari 2019 te Schiedam, in een woning gelegen aan de [adres delict] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, - een geldbedrag ter hoogte van 4.000 euro, en/of - een portemonnee (met daarin een of meer passen en/of documenten op naam van [naam slachtoffer] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - onverhoeds van achteren (met kracht) een arm om de nek van die [naam slachtoffer] te klemmen/leggen en/of geklemd/gelegd te houden, en/of - de (broek)zakken van die [naam slachtoffer] te doorzoeken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.