Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 3 zaaknummer: ROT 16/7053 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2019 in de zaak tussen [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 5], allen te [woonplaats eisers] , eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder, gemachtigde: mr. M.C.G. van Tilburg, werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: ProRail B.V. (hierna: ProRail), te Utrecht, vergunninghoudster, gemachtigde: mr. drs. A.J.M. Scharpach. Procesverloop Bij besluit van 12 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan ProRail een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het wijzigen van de inrichting (een spoorwegemplacement) gelegen aan de Burgemeester De Raadtsingel te Dordrecht voor het rangeren/opstellen en de overstand van reizigers- en goederentreinen en onderhoudsmaterieel, het inwendig reinigen van reizigersmaterieel, het onderhoud van materieel, het verwarmen van wissels en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. ProRail heeft een zienswijze ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is gevoegd met zaak ROT 16/7052 (beroep ProRail tegen een aantal vergunningvoorschriften) op 5 december 2017 ter zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. M.J.A. Verhees, ing. [naam 2] en [naam 3] . Namens ProRail is haar gemachtigde verschenen, bijgestaan door ir. [naam 4] en [naam 5] . Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst. In zaak ROT 16/7052 is afzonderlijk uitspraak gedaan. Na de zitting heeft de rechtbank het vooronderzoek heropend, en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd voor het uitbrengen van een advies. Op 27 juni 2018 heeft de StAB verslag uitgebracht. Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld op het deskundigenbericht te reageren. ProRail en verweerder hebben op 3 augustus respectievelijk 7 augustus 2018 een reactie gegeven. Op 5 september 2018 hebben eisers op de reactie van verweerder gereageerd. Op 22 november 2018 heeft de StAB naar aanleiding van de reacties van verweerder en ProRail een nader verslag uitgebracht. Eisers en verweerder hebben op 4 december 2018 respectievelijk 11 januari 2019 een nadere reactie gegeven. Het onderzoek ter zitting is hervat op 17 juli 2019. Namens eisers is [eiser 2] verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. M.J.A. Verhees. Namens ProRail zijn drs. ing. [naam 6] , ir. [naam 4] en mr. drs. E. Casimir verschenen. Namens de StAB zijn drs. ing. [naam 7] en ing. [naam 8] verschenen. Overwegingen 1. Voor het onderhavige spoorwegemplacement heeft verweerder op 19 juli 1999 een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Uit de voorschriften van die vergunning blijkt dat twee activiteiten zijn vergund, aangeduid met activiteiten A en activiteiten B. Activiteiten A zijn de reguliere activiteiten zoals rangeren, overstaan en inwendig reinigen van passagiers- en goederentreinen. Activiteiten B de activiteiten die behoren bij het onderhoud van het emplacement. Het doorgaande treinverkeer behoort niet tot de activiteiten van de inrichting en valt buiten het kader van die omgevingsvergunning. Welke activiteiten op welk deel van het emplacement plaats vonden is te herleiden uit het akoestisch rapport van mei 1998 dat als onderdeel van de aanvraag deel uitmaakte van de vergunning. 2. Aan de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit ligt het akoestisch rapport van Arcadis van 16 september 2015 ten grondslag. Het bestreden besluit ziet op het emplacement na een aantal veranderingen. Eén van de (vergunde) wijzigingen is het opstellen (parkeren) van reizigersmaterieel op de sporen van de MerwedeLingelijn. Eisers bezwaren richten zich hiertegen, met name tegen het opstellen/overstaan van materieel op de sporen ter hoogte van de Crayensteynstraat/Transvaalstraat te Dordrecht. Deze sporen worden sinds eind 2011 voor een deel van het etmaal (nacht en overdag) gebruikt als opstelspoor om personentreinen van Arriva (thans: Qbuzz) te parkeren. De woningen van eisers staan circa 29 meter van de opgestelde treinen. 3.1. Eisers stellen zich op het standpunt dat bij het bestreden besluit in het geheel geen rekening is gehouden met de geluidbelasting als gevolg van de zogenaamde piekgeluiden. Het gaat om het plotseling starten van de generatoren of compressoren in de nachtelijke uren waardoor schrikreacties en/of slaapverstoring optreden. In het onderzoek van Arcadis, het ‘Akoestisch onderzoek emplacement Dordrecht, onderdeel milieu’ van 16 september 2015, is geen aandacht besteed aan de opstelsporen ter hoogte van de Crayensteynstraat/Transvaalstraat, aldus eisers. Eisers stellen in dit verband verder dat in aanvulling op het onderzoek van Arcadis de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid in de nacht van 13 op 14 oktober 2015 een geluidsonderzoek heeft uitgevoerd (met verslag onder de titel: ‘Geluid in de omgeving vanwege rangeerterrein Arriva aan de Crayensteynstraat/Transvaalstraat te Dordrecht’), maar de wijze waarop deze meting is uitgevoerd voldoet niet aan de wijze waarop een dergelijke meting dient plaats te vinden om werkelijk een goed en representatief beeld te geven. De meting is gedaan over een gering deel van één nacht (13/14 oktober 2015) en niet over de representatieve nachtperiode 23-7u. Ook is er slechts één nacht en niet meerdere nachten gemeten, aldus eisers. 3.2. Eisers stellen zich daarnaast op het standpunt dat de vergunning is afgegeven zonder juiste toepassing te geven aan de voorschriften over piekgeluiden als bedoeld in de ‘Circulaire piekgeluiden spoorwegemplacementen’ (de Circulaire). Eisers menen dat het bestreden besluit ten aanzien van het onderdeel van het emplacement ter hoogte van de Crayensteynstraat/Transvaalstraat vernietigd moet worden vanwege het ontbreken van een representatief geluidsonderzoek met betrekking tot de piekgeluiden in dat deel van het emplacement. Eisers wijzen ook op eerdere besluiten uit 1994, waarbij alle partijen (gemeente en voorganger van ProRail) juist hebben besloten geen opstelsporen in te richten op de bestreden locatie. 3.3. Eisers stellen verder dat bij de capaciteitsbeoordeling van het emplacement voor het opstellen van de Arriva treinen in 2007 verzuimd is te kijken naar de noodzaak tot het adequaat plaatsen van de treinen bij een verhoogde kwartierdienst. In 2014 heeft Prorail voor het eerst voor het emplacement een overbelastverklaring aangevraagd. Het probleem van de opstelsporen Crayensteynstraat/Transvaalstraat is volgens eisers op te lossen aangezien met geringe aanpassingen er elders op het emplacement mogelijkheden zijn om treinen tijdelijk te parkeren. 4.1. Verweerder stelt zich ten aanzien van de beroepsgronden van eisers op het standpunt dat het piekgeluid dat optreedt vanwege de opgestelde treinen is meegenomen in het akoestisch rapport bij de aanvraag. Dit volgt uit tabel 1 op blz. 6 en 7, onder de kop “Bewegingen van Arriva (huidige situatie)” en onder de kop “Extra transportbewegingen Arriva (toekomstige situatie)” en tabel 2 bedrijfsduren op blz. 8 en 9 onder de kop ‘Overstand van Arriva (huidige situatie)’ van het rapport. Omdat verweerder geen eigen geluidbeleid heeft vastgesteld heeft hij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) toegepast en de geluidbelasting berekend volgens de Handleiding Meten en rekenen industrielawaai (hierna: de Handleiding). Naar de mening van verweerder biedt de Handreiking hier een betere basis dan de Circulaire. Anders dan de Circulaire zijn in de Handreiking namelijk concrete grenswaarden genoemd voor piekgeluiden. Het voordeel daarvan is dat eenvoudig aan deze waarden kan worden getoetst en dat naar aanleiding daarvan een eenvoudig en duidelijk voorschrift kan worden gesteld, een voorschrift dat bovendien gemakkelijk in de praktijk gecontroleerd kan worden. De Circulaire beoordeelt de maximale geluidsniveaus aan de hand van stijgtijd van het geluid. De stijgtijd van geluid laat zich echter niet met een geluidmeter meten, waardoor er bij klachten geen mogelijkheid bestaat om te toetsen of aan een op die leest geschoeid voorschrift wordt voldaan. In de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) wordt de beperkte bruikbaarheid van de Circulaire bij vergunningverlening onderschreven. In dat kader heeft verweerder verwezen naar uitspraken van 2 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD6102, ro 2.7, en 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2537, ro. 5.1. 4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het geluidsonderzoek van 13 op 14 oktober 2015 is uitgevoerd conform de regels uit de Handleiding. De uitgevoerde meting voldoet aan de criteria voor het uitvoeren van geluidsmetingen zoals opgenomen in paragraaf 3.5.2 van module B van de Handleiding. Daarnaast komen de waargenomen geluidbronnen overeen met de genoemde geluidbronnen in het akoestisch rapport van Arcadis. Er is geen onnodig geluid van bijvoorbeeld slecht onderhouden installaties, of onnodige hinder door onzorgvuldig gedrag waargenomen. 5.1. ProRail onderschrijft het standpunt van verweerder ten aanzien van het geluidsonderzoek door Arcadis. In het rapport van Arcadis is, anders dan eisers beweren, wel aandacht besteed aan de opstelsporen. 5.2. ProRail stelt dat de brief van NS Railinfra beheer uit 1994 er over ging dat geen extra sporen worden aangelegd ter plaatse van de Crayensteynstraat/Transvaalstraat. Op grond van de vergunning uit 1999 was het opstellen van treinen ter hoogte van de bestaande sporen aan de Crayensteynstraat/Transvaalstraat reeds mogelijk. In de nieuwe omgevingsvergunning is dit niet gewijzigd. De activiteiten en geluidbelasting zijn niet relevant gewijzigd ten opzichte van de vorige vergunning uit 1999. Wel zijn de geluidnormen voor emplacementen in de tussentijd aangescherpt. Deze zijn gelijkgetrokken met de geluidnormen voor andere inrichtingen. In dat kader is door het Rijk geld aan Prorail beschikbaar gesteld om geluidmaatregelen te treffen rondom de emplacementen in Nederland. Ook op emplacement Dordrecht zullen geluidmaatregelen worden getroffen. Zo zal bij de woningen aan de Crayensteynstraat/Transvaalstraat aanvullende gevelisolatie worden aangeboden. 5.3. ProRail betwist daarnaast de stelling van eisers, dat bij de capaciteitsbeoordeling voor het opstellen van de Arrivatreinen in 2007 (aan de Crayensteynstraat/Transvaalstraat) verzuimd is te kijken naar de noodzaak van een adequate plaatsing van de Arrivatreinen bij een verhoogde kwartierdienst. In de periode 2008-2009 is een afweging gemaakt waarbij is gekeken naar alternatieven. Hiervan zijn ook rapportages beschikbaar. De provincie en de betrokken gemeentes (o.a. Dordrecht) als initiatiefnemers voor de frequentieverhoging en de extra stations op de MerwedeLingelijn waren destijds niet bereid de (grote) investering te doen om de alternatieven uit te voeren. Het huidige emplacement is in 2013 op verzoek van NS door ProRail overbelast verklaard. ProRail heeft daarop een capaciteitsanalyse en vergrotingsplan gemaakt om de uitbreidingsmogelijkheden in beeld te brengen. Geconcludeerd is dat om aan de opstelbehoefte van de NS te voldoen grote infrastructurele maatregelen nodig zijn. Om financiële redenen is hier toen -ook door de minister van Infrastructuur en Milieu- niet voor gekozen. De stelling van eisers, dat met geringe aanpassingen een oplossing mogelijk is, vind ProRail niet juist. Het huidige emplacement is overbelast. Er zijn geen alternatieven beschikbaar zonder het nemen van grote infrastructurele maatregelen. Omdat de huidige opstelling van Arriva past binnen de geluidsnormen van de oude en nieuwe omgevingsvergunning, ontbreekt de noodzaak om aanpassingen te doen. Procedureel 6.1. Zoals op de zitting van 17 juli 2019 aan de orde is gesteld, staat de rechtbank (ambtshalve) voor de vraag of het beroep van [eiser 4] en [eiser 1] ontvankelijk is. 6.2. Het bestreden besluit is verleend met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. 6.3. Op grond van artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. 6.4. Ter zitting heeft gemachtigde [naam 1] desgevraagd verklaard dat [eiser 4] geen zienswijzen heeft ingediend. Ter zitting zijn geen argumenten aangevoerd op grond waarvan geoordeeld kan worden dat [eiser 4] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijzen heeft ingediend. 6.5. Ter zitting heeft [naam 1] tevens verklaard dat [eiser 1] inmiddels is verhuisd en niet langer in de woning aan de [adres] te Dordrecht woont. Nu door dan wel namens [eiser 1] geen belang is gesteld en niet om schadevergoeding is verzocht, is de rechtbank van oordeel dat [eiser 1] niet langer een belang heeft bij een uitspraak op het mede door hem ingestelde beroep. 6.6. De rechtbank komt gelet op de overwegingen 6.4 en 6.5 tot de conclusie dat het beroep van de eisers [eiser 4] en [eiser 1] betreft, niet-ontvankelijk is. Inhoudelijk 7. De rechtbank heeft naar aanleiding van de standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting van 5 december 2017 de volgende vragen aan de StAB voorgelegd: 1a. Stelt verweerder terecht dat de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau ten aanzien van de woningen van de eisers overeenkomstig de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 (de Handreiking) op juiste wijze is toegepast? 1b. Wilt u daarbij ook aandacht schenken aan het volgende: de Handreiking kent onder bepaalde voorwaarden een ontheffingsmogelijkheid voor Lmax (van 70, 65 en 60 voor de dag-, avond- en nachtperiode) tot de waarden: 75 en 65 dB(A) voor de dag, respectievelijk de nacht. Is hier aan die voorwaarden voldaan? 1c. De berekende waarden zijn hier (op sommige punten): 74, 74 en 73. Dat zijn ook de vergunde waarden op die punten (zie tabel 7.1.2 van de vergunning). Die liggen dus ruim boven de in de Handreiking genoemde waarden, ook (voor de avond en de nacht) met in achtneming van de ontheffingsmogelijkheid die de Handreiking kent. In het voorschrift 7.1.3 is aan ontheffing de voorwaarde verbonden dat gevelisolatie moet worden aangeboden; die zal dus in sommige gevallen meer dan 20 dB(A) moeten bedragen om te voldoen aan de binnengrenswaarden (LAmax) in geluidgevoelige ruimten van 55/50/45 dB(A). Is het verdedigbaar dat verweerder waarden vergunt van ten hoogste 74 dB(A) in de dagperiode, 74 dB(A) in de avondperiode en 73 dB(A) in de nachtperiode en is het realistisch om te veronderstellen dat door het treffen geluidwerende voorzieningen aan de gevel aan de binnengrenswaarden wordt voldaan? 1d. De vergunning is verleend in de situatie dat (nog) geen sprake is van geaccepteerde geluidwerende voorzieningen. Is dat beschouwd in het licht van het daarover in de Handreiking (p. 17 en 19) gestelde relevant? 2. Stelt verweerder terecht dat voor de berekening, of in het kader van de piekgeluiden aan het binnenniveau van de woningen van eisers kan worden voldaan, de Circulaire “Beoordelingswijze piekgeluiden voor spoorwegemplacementen” beter niet kan worden toegepast omdat op basis daarvan moeilijk tot handhaving kan worden overgegaan? Welke rekenwijze acht u het meest geschikt voor deze situatie, de Circulaire, de Handreiking of een combinatie van deze twee? 3a. Klopt het standpunt van verweerder dat indien aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt voldaan dit dan tevens met zich brengt dat in de nachtperiode automatisch wordt voldaan aan de etmaalwaarde in de nacht van 25 dB(A) voor het binnenniveau? 3b. Voldoet het langtijdgemiddelde geluidniveau in de woningen aan een waarde van 25 dB(A) in de nachtperiode indien door het treffen van geluidwerende voorzieningen in de woningen wordt voldaan aan een maximaal geluidniveau van 45 dB(A) in de nachtperiode? 8.1. Op grond van artikel 8:69a van de Awb mag de bestuursrechter een besluit niet vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met deze bepaling beoogd dat appellanten bij de bestuursrechter alleen met succes kunnen opkomen voor hun eigen belangen. 8.2. De rechtbank overweegt in dit verband dat, zoals op de zitting van 17 juli 2019 is besproken, het beroep van eisers moet worden aangemerkt als een beroep ten behoeve van hun persoonlijke belang en niet als een beroep van het “platform Spoor en Geluid Dordrecht”. Dit betekent dat het beroep van eisers zich richt tegen dat deel van het bestreden besluit dat ziet op het geluid in hun omgeving vanwege het rangeerterrein van Arriva aan de Crayensteynstraat/Transvaalstraat te Dordrecht. Immissiemeetpunt 30 dient, gelet op de gedingstukken, als het representatieve meetpunt voor de woningen van eisers te worden aangemerkt. Dit betekent dat wanneer bijvoorbeeld in het licht van vraag 1c een conclusie wordt getrokken die de rechtmatigheid van het bestreden besluit raakt, maar deze conclusie geen betrekking heeft op immissiemeetpunt 30 en deze eisers ook niet direct treft, de rechtbank in dat geval de relativiteitseis van artikel 8:69a, van de Awb zal toepassen. 9. De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van de beantwoording door de StAB van vraag 3b, de vergunningvoorschriften 7.1.3 en 7.1.23 van het bestreden besluit overeenkomstig het advies van de StAB wenst te wijzigen. Geen van de (overige) partijen heeft hier bezwaar tegen gemaakt. 9.1. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat deze beide voorschriften van het bestreden besluit moeten worden aangepast. Het beroep van eisers is reeds daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit deels vernietigen. De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de vergunningvoorschriften 7.1.3 en 7.1.23 van het bestreden besluit als volgt komen te luiden 7.1.3 a. Aan de eigenaren van geluidgevoelige bestemmingen dienen voorzieningen (gevelmaatregelen) te worden aangeboden in het geval dat de vergunde maximale geluidniveaus Lamax op de gevel hoger zijn dan 75/65/65 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en de huidige gevel niet voldoende wering biedt om te garanderen dat de maximale geluidsbelasting (Lamax) binnen in geluidgevoelige ruimten niet meer dan 55/50/45 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode; b. Aan de eigenaren van geluidgevoelige bestemmingen dienen voorzieningen (gevelmaatregelen) te worden aangeboden in het geval de huidige gevel niet voldoende wering biedt om te garanderen dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) binnen in geluidgevoelige ruimten niet meer dan 35/30/25 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode; c. In een geval als bedoeld in onderdeel a of b moeten dusdanige gevelmaatregelen worden aangeboden dat wel kan worden voldaan aan de genoemde geluidbelastingen binnen geluidgevoelige ruimten. Indien zowel het gestelde in onderdeel a als b aan de orde is bij een bepaalde geluidgevoelige ruimte dienen die maatregelen te worden aangeboden die ervoor zorgen dat aan zowel de onder a. als onder b. genoemde grenswaarden wordt voldaan, rekening houdend met het betreffende spectrum. 7.1.23 Binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning moeten de geluidwerende schermen, zoals beschreven in hoofdstuk 10 van het rapport van Arcadis met kenmerkt [kenmerk 1] d.d. 16 september 2015, gerealiseerd zijn. Tot aan de realisatie van de schermen dient te worden voldaan aan de voorgeschreven geluidniveaus uit de voorgaande vergunning (d.d. 19 juli 1999 met kenmerk [kenmerk 2] ). 10. De rechtbank overweegt verder dat de StAB in haar verslag van 27 juni 2018 in antwoord op vraag 2 heeft geconcludeerd dat de rekenwijze van de Handreiking in het kader van de handhaafbaarheid van de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau het meest geschikt is. Partijen hebben deze conclusie van de StAB niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank ziet, mede onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD6102, en 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2537, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze conclusie van de StAB niet concludent is. Dit betekent dat verweerder terecht heeft besloten niet van de Circulaire maar van de Handreiking uit te gaan om concrete grenswaarden voor piekgeluiden vast te stellen. Vergunningvoorschrift 7.1.1 11.1. De rechtbank overweegt voorts dat onbetwist is dat de gemeente Dordrecht geen geluidbeleid heeft. De StAB stelt gelet hierop in haar verslag van 27 juni 2018, bij de beantwoording van vraag 1a en 1b, dat bij het stellen van grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) dient te worden uitgegaan van de systematiek die in hoofdstuk 4 van de Handreiking is beschreven. Volgens de Handreiking geldt voor de beoordeling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau de volgende systematiek voor bestaande inrichtingen. Bij herziening van vergunningen worden de richtwaarden steeds opnieuw getoetst; Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid; daarbij geldt dan wel dat een verhoging van de richtwaarden alleen kan worden toegestaan na toepassing van BBT. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum “etmaalwaarde” van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces. Wanneer het bestaande (vergunde) niveau ten gevolge van de inrichting hoger is dan de “etmaalwaarde” van 55 dB(A) dient bij de opstelling van vergunningvoorschriften de laatstgenoemde waarde of het referentieniveau van het omgevingsgeluid als maximum te worden gehanteerd. De StAB stelt in dit kader verder dat verweerder in de considerans van het bestreden besluit wel stelt dat de geluidvoorschriften op de Handreiking zijn gebaseerd, maar dat niet is komen vast te staan dat verweerder de aard van de woonomgeving en de gebiedstypering in beschouwing heeft genomen. Bovendien is niet uitgegaan van de richtwaarden uit tabel 4 van de Handreiking. Hiermee heeft verweerder een belangrijke stap in de Handreiking overgeslagen, aldus de StAB. De StAB stelt dat de aard van de woonomgeving (van eisers) het meest overeenkomt met de gebiedstypering “woonwijk in stad”. De daarbij behorende richtwaarden zijn 50 dB(A) voor de dag-, 45 dB(A) voor de avond- en 40 dB(A) voor de nachtperiode. 11.2. De rechtbank stelt vast dat in vergunningvoorschrift 7.1.1 van het bestreden besluit bij immissiemeetpunt 30 (verder: meetpunt 30) is bepaald dat op een hoogte van 5 meter het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet meer mag bedragen dan 44 dB(A) voor de dag-, 44 dB(A) voor de avond- en 45 dB(A) voor de nachtperiode. Dit betekent dat er in de nacht bij meetpunt 30 sprake is van een overschrijding van de richtwaarden zoals hiervoor weergegeven. Dit is op basis van de Handreiking alleen mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid, mits toepassing wordt gegeven aan de “Beste Beschikbare Technieken” (BBT). De StAB heeft in dit verband de conclusie getrokken dat het referentieniveau aan de hand van de “Richtlijnen voor karakterisering en meting van het omgevingsgeluid, IL-HR-15-01” (de Richtlijn) niet is bepaald. Verweerder heeft deze conclusie niet betwist en heeft opgemerkt dat het referentieniveau bij de in 1999 verleende vergunning ook niet is bepaald. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid is in de Richtlijn gedefinieerd als de hoogste waarde van de volgende geluidsniveaus: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.